vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/373266 / HA ZA 20-414 Vonnis van 18 mei 2022 in de zaak van 1 [eiser 1] , wonende te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,
(1571): 1088 m2 (totale oppervlakte) – 848 m2 (oppervlakte van F 1762 waarop een voorkeursrecht rust = 240 m2 (perceel 1571). 240 m2 x € 120,00 (gemiddelde grondprijs van € 240,00 minus 50% vanwege landelijke ligging) = € 28.800,00, - het deel van perceel F 1672 waarop op zichzelf een voorkeursrecht rust, maar welk recht thans geen waardedrukkend effect heeft en waarbij [gedaagde] zelf heeft aangegeven dat een korting van 50% in plaats van 75% redelijk is omdat partijen in dat geval een gelijk risico dragen: 848 m2 x € 64,54 (50% tegen de waarde van het voorkeursrecht ad € 9,08 = € 4,54 en 50% tegen de waarde in het economische verkeer ad € 120,00 = € 60,00) = € 54.730,
- - totale waarde van perceel F 1672 = € 28.800,00 + € 54.730,00 = € 83.530,
- ad. b. 2.
- [gedaagde] merkt terecht op dat uit het deskundigenrapport niet duidelijk valt af te leiden of en zo ja waar de waarde van perceel F 1673 in de berekeningen is betrokken. De rechtbank gaat daarom uit van een waarde van 1.130 m2 x € 120,00 = € 135.600,
- ad. c. 2.
- De rechtbank heeft hiervoor onder 2.36 reeds overwogen dat hij het betoog van [gedaagde] niet volgt, dat een maximale correctie van € 12.184,00 : 2 = € 6.092,00 passend is. ad. d. 2.
- [gedaagde] merkt nog op dat de deskundige ten onrechte een correctie toepast voor de post ‘verwervingskosten’. Uitgangspunt is immers ‘going concern’ en een correctie voor theoretische verwervingskosten door een derde is dus irrelevant. 2.
- Dit bezwaar is terecht. De rechtbank herhaalt dat in het tussenvonnis van 30 september 2020 onder meer is overwogen dat de deskundige de waarde per 31 december 2017 in redelijkheid dient vast te stellen alsof de onderneming wordt voortgezet (op ‘going concern’ basis) en niet als ware sprake van ontbinding en vereffening. Uit hetgeen de deskundige in zijn rapport hierover heeft opgenomen (zie hiervoor onder 2.37) kan worden afgeleid dat hij dit kennelijk over het hoofd heeft gezien. Nu er dus geen sprake is van ontbinding en vereffening van de vennootschap, [eisers] zet de onderneming gewoon voort, hoeven er geen verwervingskosten te worden gemaakt. Dit betekent dat het door de deskundige gehanteerde bedrag aan verwervingskosten ad € 16.226,00 niet in mindering dient te worden gebracht op de marktwaarde. Conclusie naar aanleiding van het deskundigenrapport van de heer J.F. Bontenbal 2.
- Met inachtneming van al hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de volgende taxatiewaarde van de registergoederen. Daarbij hanteert de rechtbank als waarde voor de opstallen een bedrag van € 165.000,00, nu partijen daar kennelijk in hun berekeningen ook vanuit zijn gegaan: - waarde perceel F 1672: € 83.530,00 + - waarde perceel F 1673: € 135.600,00 +- waarde opstallen: € 165.000,00 + Subtotaal: € 384.130,00 = - achterstallig onderhoud: € 12.184,00 – Totaal: € 371.946,00 Verdeling 2.
- Aan [gedaagde] komt toe haar kapitaal per 31 december 2017 en haar aandeel in de stille reserves. Tussen partijen is niet in geschil dat het kapitaal € 28.747,00 bedraagt. De stille reserves betreffende de materiële activa en de registergoederen kunnen worden berekend door de boekwaarden per 31 december 2017 af te trekken van de hiervoor vastgestelde taxatiewaarden van de materiële activa en de registergoederen. Ook over bedoelde boekwaarden bestaat tussen partijen geen discussie, evenals over het feit dat aan [gedaagde] op grond van de VOF-akte 50% van de betreffende stille reserves toekomt. 2.
- De rechtbank komt dan tot de volgende bepaling van de waarde van het vennootschapsaandeel van [gedaagde] . Ten aanzien van de registergoederen: - waarde € 371.946,00 - boekwaarde € 122.046,00 – - totaal € 249.900,00 = - 50% aandeel € 124.950,00 – - totaal € 124.950,00 = Ten aanzien van de materiële activa: - waarde € 516.000,00 - boekwaarde € 420.199,00 – - totaal € 95.801,00 = - 50% aandeel € 47.900,50 – - totaal € 47.900,50 = Aan [gedaagde] komt derhalve toe: € 28.747,00 + € 124.950,00 + € 47.900,50 = € 201.597,
- 2.
- Overeenkomstig de nieuwe productie 4 van [eisers] komt de verdeling van V.O.F. [eisers] dan als volgt te luiden: Aan [eisers] wordt toegescheiden:
- de economische eigendom van de registergoederen: 1.1 plaatselijk bekend [adres+plaats] , kadastraal bekend [plaats 1] , sectie F nr. 1673, groot 11 are en 30 centiare, coördinaten [coördinaten] , omschreven als erf-tuin, welk registergoed reeds juridisch op naam staat van de heer [eisers] en mevrouw [eisers] -Meter (eisers in conventie). 1.2 alsmede berging-stalling (garage-schuur), kadastraal bekend [plaats 1] , sectie F nr. 1672, groot 10 are en 88 centiare, coördinaten [coördinaten] , plaatselijk bekend [adres+plaats] , welk registergoed eveneens juridisch op naam staat van de heer [eisers] en mevrouw [eisers] -Meter (eisers in conventie),
- de eigendom van de machines en de activa, opgenomen in het taxatierapport van Troostwijk van 8 juli 2021, waarbij de waarde door de rechtbank is bepaald op € 516.000,00 en waarvan de boekwaarde per 31 december 2017 € 420.199,00 bedroeg,
- de passiva per 31 december 2017, Aan [gedaagde] uit te keren:
- Stand kapitaal per 31 december 2017 conform jaarrekening € 28.747,00,
- 50% van de stille reserves in de bedrijfsgebouwen en terreinen € 124.950,00,
- 50% van de stille reserves in de machines en installaties en vervoermiddelen € 47.900,50, in totaal € 201.597,
- De vorderingen en de proceskosten In conventie 2.
- De gewijzigde eis van [eisers] is toewijsbaar zoals hierna in het dictum is bepaald. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat het bedrag dat door [eisers] aan [gedaagde] dient te worden betaald door [eisers] in vijf jaarlijkse termijnen kan worden voldaan, ingaande op de dag van ontbinding van V.O.F. [eisers] , zijnde 31 december
- Nu inmiddels reeds vier van de vijf termijnen zijn verstreken bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om de eerste termijn pas te laten ingaan een maand nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden, zoals [eisers] vordert. 2.
- Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten, waaronder de kosten van de deskundige, worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze. Omdat [eisers] de totale kosten van de deskundige ad € 6.957,50 heeft voldaan, zal [gedaagde] worden veroordeeld om de helft hiervan, te weten € 3.478,75, aan [eisers] te betalen. In reconventie 2.
- De reconventionele vorderingen zullen worden afgewezen. De primaire en subsidiaire vordering lagen als gevolg van het eerste tussenvonnis van 30 september 2020 reeds voor afwijzing gereed, terwijl aan de meer subsidiaire vordering uitvoering is gegeven op de wijze zoals de rechtbank in de verschillende tussenvonnissen heeft gedaan. 2.
- Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten, waaronder de kosten van de deskundige, worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze. 3De beslissing De rechtbank in conventie 3.
- stelt de verdeling van het vermogen van de ontbonden vennootschap onder firma V.O.F. [eisers] vast als overwogen in rechtsoverweging 2.50, 3.
- bepaalt dat [eisers] gerechtigd is hetgeen aan [gedaagde] moet worden betaald, te betalen in vijf gelijke jaarlijkse termijnen, ingaande op de dag van ontbinding van V.O.F. [eisers] , zijnde 31 december 2017, 3.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 3.478,75 wegens de kosten van de deskundige, 3.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 3.
- compenseert de overige kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 3.
- wijst het meer of anders gevorderde af, in reconventie 3.
- wijst de vorderingen af, 3.
- compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Steverink en in het openbaar uitgesproken op 18 mei
- Coll.: MvG