RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer: 05.066089.21 Datum uitspraak : 6 maart 2023 Tegenspraak Schriftelijk vonnis van de politierechter in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats/-land] , wonende aan de [adres] . Raadsman: mr. D. van der Beek, advocaat in Nijmegen. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij, op of omstreeks 8 april 2019, te Wijchen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag (te weten 84.750 euro), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(
(2017). Wat [naam medeverdachte] verder heeft aangevoerd, is niet (voldoende) onderbouwd zodat het geen verdere bespreking behoeft. [verdachte] heeft verklaard dat hij 5 dagen in de week werkt als pakketbezorger. In 2016 en 217 heeft hij 6 dagen per week gewerkt in verband met de aanschaf van een eigen huis. Volgens [verdachte] is van het in Wijchen aangetroffen contante geld € 60.000 van hem. Een pakket met alleen bankbiljetten van € 100 en € 200, totaal € 50.000, heeft hij in juni 2018 aan [naam medeverdachte] gegeven en een pakket van € 10.000, met biljetten van € 100 en € 50, heeft hij in december aan [naam medeverdachte] gegeven. Dat geld komt van zijn zakelijke rekening af, hij had dat door de jaren heen gepind, en hij heeft [naam medeverdachte] gevraagd om dat geld voor hem te bewaren. Hij heeft de woning aan de [adres] gekocht met bijna € 60.000 eigen geld van zijn bankrekening. Verder heeft [verdachte] verklaard dat hij tijdens zijn relatie met [naam 1] en haar drie kinderen (politierechter: die relatie zou 6 jaar hebben geduurd) alles voor hen betaalde. Bij de inhoudelijke behandeling op 13 februari 2023 is namens verdachte aangevoerd dat bij die € 60.000 € 10.000 zat die [verdachte] geleend had van een kennis, dat de Audi eigenlijk van een ander was en door die ander ook betaald, dat [verdachte] zelf regelmatig geld uitleende dat hij in minder gangbare coupures terug kreeg en dat “klein briefgeld” werd omgewisseld omdat vanuit cultureel oogpunt de voorkeur wordt gegeven aan “groot briefgeld”. De politierechter acht de verklaring die door of namens [verdachte] is gegeven voor het aangetroffen geld, niet aannemelijk geworden nu die verklaringen niet of nauwelijks concreet zijn onderbouwd en bovendien op onderdelen tegenstrijdig zijn. Uit zijn eerste verklaringen volgt immers dat de biljetten die hij [naam medeverdachte] naar zijn zeggen in bewaring gaf, gepind had, terwijl later, als informatie in het dossier beschikbaar is dat biljetten van € 100 en € 200 niet gepind kunnen worden, wordt aangevoerd dat kleine biljetten om culturele redenen zijn omgewisseld naar grote bankbiljetten of dat geld werd uitgeleend en dan in grotere coupures werd terugbetaald. Over de Audi heeft [verdachte] bij de sociale recherche verklaard dat de Audi privé was, dat die is gestolen en dat hij daar niets meer van heeft gehoord. De lening van € 10.000 is gezien de bij pleidooi overgelegde niet ondertekende en summiere verklaring (mail?) van [naam 2] kennelijk in 2018 tot stand gekomen zodat niet duidelijk is waarom [verdachte] daar niet eerder over heeft verklaard. Aan de met stukken en een toelichting onderbouwde financiële gegevens van de sociale recherche zoals hiervoor besproken, wordt evenmin afbreuk gedaan door het bij pleidooi overgelegde overzicht van kasopnames over 2009 (2e half jaar) en 2010. Laatstgenoemde overzichten zijn namelijk erg summier; deze bevatten in de kern niet meer dan een opsomming van data en geldbedragen. Daar komt bij dat [verdachte] binnen een jaar na beëindiging van de bijstandsuitkering in 2009 minimaal € 35.000 contant besteedt aan de aankoop van 2 voertuigen. Steun voor [verdachte] verklaringen kan in de verklaringen van [naam medeverdachte] niet worden gevonden omdat die verklaringen, zoals hiervoor besproken, tegenstrijdig zijn en daardoor niet aannemelijk. Eindconclusie De politierechter kan de herkomst van het aangetroffen geld niet vaststellen. Daarom volgt vrijspraak van de primair ten laste gelegde heling. Uit de hiervoor besproken bewijsmiddelen volgt echter wel dat sprake is van het medeplegen van witwassen. Met voldoende mate van zekerheid kan immers worden uitgesloten dat het geld waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft zodat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Verdachte heeft gezien de bewijsmiddelen minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het geld uit misdrijf afkomstig was. Het medeplegen volgt uit de samenwerking tussen [naam medeverdachte] en [verdachte] ten aanzien van het hiervoor beschreven bewaren en verstoppen van het geld in “ [naam medeverdachte] ” woning terwijl zij een gezamenlijke huishouding voerden. Dat in de tenlastelegging € 84.750 staat, berust op een kennelijke verschrijving die de politierechter in de bewezenverklaring zal herstellen omdat dit niet in verdachtes nadeel is. Het gaat immers om het in beslag genomen geldbedrag, waarvan de omvang vaststaat. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de politierechter is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij, op of omstreeks 8 april 2019, te Wijchen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, van een voorwerp, te weten een geldbedrag (van 84.780 euro), de werkelijke aard en de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten een geldbedrag (van 84.780 euro), was, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp, te weten een geldbedrag (van 84.750 euro), voorhanden heeft gehad, en/of een voorwerp, te weten een geldbedrag (van 84.780 euro), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten een geldbedrag (van 84.750 euro) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(
- s)wist(en), althans redelijkerwijs moest(
- en)vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het subsidiair bewezenverklaarde levert op: Medeplegen van witwassen 5De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat toepassing wordt gegeven aan art. 9a Sr (schuldigverklaring zonder strafoplegging). Verder is gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het tijdsverloop. De beoordeling door de politierechter De politierechter heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De politierechter heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Uit verdachtes strafblad blijkt dat hem in 2009 in Duitsland voor een diefstal een geldboete is opgelegd. De reclassering heeft over verdachte gerapporteerd dat het recidiverisico laag is. Hij heeft in het land van herkomst geen opleiding genoten. Een taakstraf is mogelijk aldus de reclassering. De politierechter overweegt verder als volgt. Verdachte heeft zich samen met [naam medeverdachte] schuldig gemaakt aan het witwassen van een bedrag van ongeveer € 85.000. Door witwassen wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast en het draagt bij aan de instandhouding van criminaliteit. Witwassen dekt namelijk onderliggende strafbare feiten af en realiseert de mogelijkheid van geldelijke beloning voor die strafbare feiten. Verdachte heeft daaraan een bijdrage geleverd. Het witwassen van een groot geldbedrag roept als zodanig ook zorgen op over de kans op herhaling. Het gaat hier immers niet om een incidentele strafbare fout. De politierechter stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Verdachte is op 8 april 2019 aangehouden en in verzekering gesteld. De politierechter doet uitspraak op 6 maart 2023. Daarmee is de redelijke termijn, nu niet van bijzondere omstandigheden is gebleken, met bijna twee jaar overschreden. De politierechter zal met deze omstandigheid rekening houden bij de op te leggen straf. Het tijdsverloop en de beslissing om het witwasbedrag verbeurd te verklaren zijn naast de persoonlijke omstandigheden van verdachte reden om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Het zijn ook redenen om te kiezen voor een andere afdoening dan alleen de maximale taakstraf zoals geëist door de officier van justitie. De politierechter zal verdachte een taakstraf opleggen van 60 uur, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis. Op deze taakstraf komt in mindering de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht naar de bekende maatstaf van 2 uur aftrek per dag in verzekering doorgebracht. Daarnaast wordt verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden opgelegd met een proeftijd van twee jaar. Deze voorwaardelijke sanctie dient ertoe verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, maar ook om de ernst van de bewezen feiten te onderstrepen. 8De beoordeling van het beslag De officier van justitie heeft verzocht van het in beslag genomen contante geldbedrag een bedrag van € 59.799,50 verbeurd te verklaren. Op het bij de doorzoeking aangetroffen geldbedrag van € 84.780 van is conservatoir beslag gelegd, civielrechtelijk door de gemeente en strafrechtelijk door het openbaar ministerie. Gezien de bestuursrechtelijke schikking zal de gemeente een bedrag van € 21.244,50 uitwinnen met instemming van het Functioneel parket, aldus de officier van justitie. De raadsman heeft verzocht het beslag op te heffen en het geld terug te geven. De politierechter overweegt dat het volledige in beslag genomen bedrag van € 84.780 verbeurd moet worden verklaard, nu sprake is van medeplegen van witwassen van dat geldbedrag. Dat in de tenlastelegging € 84.750 staat, berust op een kennelijke verschrijving die de politierechter in de bewezenverklaring heeft hersteld. De politierechter is niet bevoegd een beslissing te nemen over de gelegde conservatoire beslagen. 9De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 47 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht. 10De beslissing De politierechter: verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden; bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij verdachte zich binnen de proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit schuldig maakt; veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een taakstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis; bepaalt dat op deze taakstraf in mindering wordt gebracht de tijd in verzekering doorgebracht, met dien verstande dat voor iedere dag in verzekering doorgebracht, twee uur op de taakstraf in mindering wordt gebracht; verklaart verbeurd het in beslag genomen geldbedrag van € 84.780,--. Dit vonnis is gegeven door mr. M.C. van der Mei, politierechter, in tegenwoordigheid van H.J. Damen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 maart 2023. De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Aantekening politierechter : Aan deze beslissing is gehecht het schriftelijk vonnis van de politierechter van 6 maart 2013, gewezen in de zaak tegen de medeverdachte [naam medeverdachte] onder parketnummer: 05.052147.21, welk vonnis deel uitmaakt van dit, tegen verdachte [verdachte] , gewezen vonnis. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten [naam verbalisant] , [naam verbalisant] en [naam verbalisant] van Intergemeentelijke Sociale Recherche Tweestromenland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 29072019180038, gesloten op 29 juli 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal CRvB d.d. 25 oktober 2022, ingestuurd door de raadsman bij mail van 21 december 2023. Aangehecht: schriftelijk vonnis van 6 maart 2023 in de zaak tegen medeverdachte [naam medeverdachte] . Proces-verbaal, p. 36. Proces-verbaal kasopstelling, p. 978. Proces-verbaal, p. 38. Proces-verbaal kasopstelling, p. 977-981.