RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer: 05.164621.22 Datum uitspraak : 17 maart 2023 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] , Raadsvrouw: mr. M. Stoetzer-van Esch, advocaat in Lent. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 2 juli 2022, in de gemeente Nijmegen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een persoon, genaamd [benadeelde partij] , opzettelijk van het leven te beroven, die [benadeelde partij] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de keel/nek, althans het lichaam heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt: hij op of omstreeks 2 juli 2022, in de gemeente Nijmegen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, genaamd [benadeelde partij] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [benadeelde partij] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de keel/nek, althans het lichaam heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. hij op of omstreeks 2 juli 2022, in de gemeente Nijmegen, een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een (val)mes, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het onder feit 1 primair (poging tot doodslag) en onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en nader toegelicht. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 1. Primair is bepleit dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte het bij [benadeelde partij] aangetroffen letsel heeft veroorzaakt. Verdachte ontkent dat hij heeft gestoken. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat geen aanmerkelijke kans bestond dat [benadeelde partij] door de gedraging van verdachte zou komen te overlijden of zwaar letsel op zou lopen. Opzet in voorwaardelijke zin van verdachte ontbreekt dan ook. Ten aanzien van feit 2 is geen bewijsverweer gevoerd. Beoordeling door de rechtbank Feit 1 Op zaterdag 2 juli 2022 (omstreeks 4:30 uur) bevond [benadeelde partij] (hierna: aangever) zich op de Molenstraat in Nijmegen. Aangever heeft in zijn aangifte verklaard dat hij zag dat verdachte uit zijn nektasje een mes van ongeveer 15 tot 20 centimeter lang pakte. Hierna zag en hoorde aangever dat verdachte naar hem wees en naar hem riep. Verdachte kwam op aangever afgelopen met in zijn rechterhand het mes. Aangever zag dat verdachte met het mes in zijn hand naar hem uithaalde. Uit een reflex heeft aangever de rechterpols van verdachte gepakt. Aangever voelde dat hij werd geraakt in zijn hals. Hierop duwde aangever de hand met het mes weg, waarna verdachte direct wegliep. Aangever voelde met zijn hand aan zijn hals en zag toen bloed op zijn hand. Het letsel dat aangever heeft opgelopen bestaat onder meer uit een diepere huidbeschadiging aan de linkerkant van de hals waarbij behandeling met hechtingen noodzakelijk was. De huidbeschadiging betreft een scherprandige huidklieving. Bij aanvullend onderzoek met behulp van een CT-scan zijn geen aanwijzingen voor letsel van vasculaire structuren of andere vitale structuren vastgesteld. Forensisch arts Van den Heuvel heeft in zijn letselrapportage de volgende beschouwing gegeven van dit letsel van aangever: “Een scherprandige huidklieving wordt veroorzaakt door (meestal dynamisch) contact met een scherprandig voorwerp zoals bijvoorbeeld (maar niet gelimiteerd tot) een mes. In geval van een voorwerp met een onregelmatig snijvlak (zoals bijvoorbeeld maar niet gelimiteerd tot een zaag, gekarteld mes et cetera) zijn de wondranden vaak niet scherp begrensd en treedt er vaker kneuzing van de wondranden op. Verbalisant [verbalisant] heeft de volgende beschrijving gegeven van camerabeelden die zijn gemaakt door camera’s van stadstoezicht Nijmegen: “Ik zag dat de verdachte met een op een mes gelijkend voorwerp op de aangever kwam aflopen, ik zag dat hij met dat mes in de richting van de aangever wees, dat hij recht tegenover de aangever ging staan, dat hij beide armen naar beneden naast zijn lichaam hield. Ik zag dat de aangever ook zo met de armen langs zijn lichaam stond. Ik zag dat de aangever en de verdachte enige ogenblikken zo tegenover elkaar bleven staan. Ik zag dat de verdachte plotseling, kennelijk opzettelijk en met kracht, een snelle steekbeweging maakte in de richting van de hals van de aangever. Ik zag aan de reactie van de aangever dat hij hierdoor in zijn nek werd geraakt.” Verdachte heeft ter zitting zijn bij de politie afgelegde verklaring herhaald en verklaard dat hij een mes voor het gezicht van aangever heeft gehouden. De rechtbank is van oordeel dat uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen volgt dat verdachte met het door hem vastgehouden mes een steekbeweging heeft gemaakt in de richting van de keel van aangever. Als rechtstreeks gevolg van deze steekbeweging is bij aangever het beschreven letsel ontstaan. Er is ook geen enkele reden om daaraan te twijfelen gezien het korte tijdsbestek waarin de gebeurtenissen elkaar opvolgden: het op korte afstand dreigen met het mes, de snelle steekbeweging en het voelen aan de hals. Steunbewijs voor dit oordeel vindt de rechtbank bovendien in de verklaringen van getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] . Deze getuigen verklaren ieder dat zij hebben gezien dat verdachte aangever met een mes in de nek stak. Het betoog van de verdediging dat deze getuigen het steken niet hebben kunnen zien, vindt op geen enkele wijze steun in het dossier, waaronder het beschikbare beeldmateriaal. Het door de verdediging genoemde alternatieve scenario dat getuige [getuige 1] verantwoordelijk zou zijn voor het letsel acht de rechtbank in het licht van de genoemde bewijsmiddelen op geen enkele wijze aannemelijk. Dat dit voor [getuige 1] belastende scenario door de verdediging wordt aangevoerd, is schrijnend omdat hij tijdens het steekmoment nog op een paar meter afstand staat en daarna verdachte wegwerkt. Door de verdachte is verder gesuggereerd dat het letsel bij aangever zou zijn ontstaan door een ring, een nagel of door de achterkant van het mes waaraan een scherpe rand zit. De rechtbank beoordeelt ook deze door verdachte genoemde alternatieve oorzaken voor het letsel – gezien de genoemde bewijsmiddelen – als niet aannemelijk. Voor deze alternatieve scenario’s of oorzaken bevat het dossier namelijk geen, laat staan voldoende concrete aanknopingspunten. De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden wat deze gedraging van verdachte juridisch gezien oplevert. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte aangever heeft gestoken met het doel om hem te doden. Hij heeft bijvoorbeeld niet iets gezegd dat daarop duidt. In zoverre is dan ook geen sprake van “boos” of “vol” opzet op de dood van aangever. De rechtbank is van oordeel dat wel sprake is van voorwaardelijk opzet. De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van aangever – aanwezig is indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Het steken in de nek van aangever is naar het oordeel van de rechtbank naar zijn aard gericht op en geschikt tot het toebrengen van dodelijk letsel. De nek (als onderdeel van de hals) betreft immers een kwetsbaar en vitaal deel van het lichaam waarin zich onder meer de luchtpijp en slagaderen bevinden. De rechtbank is van oordeel dat verdachte met zijn gedraging bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij aangever dodelijk letsel zou toebrengen. De rechtbank betrekt bij dit oordeel de verklaring die verdachte ter zitting heeft afgelegd. Verdachte heeft verklaard dat àls hij had uitgehaald met het mes, aangever dan niet meer zou leven. Gezien het voorgaande is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag. Feit 2 Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: proces-verbaal van bevindingen beschrijving wapen, p. 44-48; de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 maart 2023. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 1. primair hij op of omstreeks 2 juli 2022, in de gemeente Nijmegen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een persoon, genaamd [benadeelde partij] , opzettelijk van het leven te beroven, die [benadeelde partij] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de keel/nek, althans het lichaam heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. hij op of omstreeks 2 juli 2022, in de gemeente Nijmegen, een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een (val)mes, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn de aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Eendaadse samenloop van feit 1 primair: poging tot doodslag feit 2: handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie 5De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte volgens het adolescentenstrafrecht (hierna ASR) zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. In overleg met de reclassering dient te worden gekeken welke bijzondere voorwaarden zouden moeten gelden om te voorkomen dat verdachte recidiveert. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft ook bepleit het ASR toe te passen indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt. Ten aanzien van de op te leggen straf verzoekt de raadsvrouw om het advies van de reclassering te volgen en een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden: begeleiding door de jeugdreclassering en een ambulante behandeling IrisZorg. De beoordeling door de rechtbank Toepassing ASR De rechtbank stelt bij de vraag of toepassing aan het ASR moet worden gegeven het volgende voorop. Als uitgangspunt geldt dat een jongvolwassen verdachte die op het moment van het strafbare feit meerderjarig is volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. De rechtbank kan voor een jongvolwassene die de leeftijd van 23 jaar nog niet heeft bereikt, besluiten om het ASR toe te passen als daarvoor aanleiding is gelet op de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. De rechtbank overweegt dat diverse factoren pleiten voor toepassing van het ASR. De rechtbank wijst op de relatief jonge leeftijd van verdachte; hij was 19 jaar toen hij de strafbare feiten beging. Verdachte is nog thuiswonend; volgens de reclassering vormt zijn sociale omgeving een beschermende factor. Ook wijst de rechtbank op de observatie van psycholoog in opleiding tot GZ-psycholoog Buit-Commandeur die is opgenomen in de voorlopige versie van de delictanalyse (hierna: de delict analyse). Zij schrijft dat verdachte impulsief gedrag kan laten zien, waarin hij zonder na te denken opkomt voor vrienden of zichzelf. Daarentegen zijn er ook verschillende contra-indicaties voor toepassing van het ASR. Verdachte is werkzaam als ZZP’er in het bedrijf van zijn vader en verwerft daarmee een behoorlijk inkomen. Bij verdachte is geen sprake van een verstandelijke beperking. Hij heeft, ondanks het thuis wonen, langere tijd meerdere keren per week geblowd (3-4x). Daarnaast is hij in januari 2023 opnieuw in contact gekomen met justitie, ondanks het schorsingstoezicht en kennelijk buiten het pedagogisch bereik van zijn ouders. Volgens de toelichting van de jeugdreclassering ter zitting en de door hem overgelegde delict analyse zijn er verder geen interventies nodig. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak, overeenkomstig het reclasseringsadvies, op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, het ASR moet worden toegepast. Daarbij speelt naast de jonge leeftijd, waarbij verdachte aan de onderzijde van de ASR-groep zit, een rol dat na het schorsen van zijn voorlopige hechtenis interventies zijn ingezet op het niveau van de jeugdreclassering. De op te leggen straf De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Aard en ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte was toen fors onder invloed van alcohol. Op een gemoedelijke zomerse uitgaansavond heeft verdachte ogenschijnlijk uit het niets een mes getrokken, waarmee hij dreigend voor aangever is gaan staan. Zonder dat aangever daartoe enige concrete aanleiding gaf, heeft verdachte aangever gestoken in zijn keel. Verdachte heeft met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Het incident heeft op aangever grote impact gehad en heeft dit nog steeds. Ook zijn omstanders getuige geweest van dit gewelddadige incident. Een dergelijk incident draagt bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Door zijn procesopstelling heeft verdachte onvoldoende verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag. Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een steekwapen in het uitgaansgebied. Dit handelen van verdachte vindt de rechtbank laakbaar. Persoonlijke omstandigheden Uit het reclasseringsrapport van 30 september 2022 komt naar voren dat bij verdachte sprake is van stabiliteit en beschermende factoren op zowat elk leefgebied. Verdachte heeft passende huisvesting in de vorm van verblijf bij ouders, hij beschikt over werk als elektricien (ZZP’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.