RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Tegenspraak Parketnummer: 05/219030-19 (ontneming) Datum uitspraak : 28 april 2023 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [Verdachte] , geboren op [Geboortedatum 1] in [Geboorteplaats] , wonende aan de [Adres] . Raadsman: mr. V.P.J. Tuma, advocaat in Amersfoort. 1De inhoud van de vordering De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 33.892,-. 2De procedure De zaak is op openbare terechtzittingen onderzocht. De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 8.053,53 met oplegging van de betalingsverplichting voor hetzelfde bedrag. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de bedragen die zien op de feiten waarvoor veroordeelde is vrijgesproken, in mindering dienen te worden gebracht op de vordering. Door de verdediging is aangevoerd dat, gelet op de vrijspraak verweren in de hoofdzaak, de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen. Daarnaast heeft de verdediging gesteld dat ten aanzien van de overige strafbare feiten waarvan ex artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht voordeel wordt gevorderd, dit moet worden afgewezen. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat het dossier onvoldoende aanwijzingen bevat op basis waarvan met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat veroordeelde zich aan deze feiten schuldig heeft gemaakt. 3De beoordeling van de vordering De rechtbank heeft kennisgenomen van het op 28 april 2023 tegen veroordeelde gewezen vonnis n het onderhavige parketnummer, welke zaak gevoegd was met parketnummer 05/087596-20 waarbij veroordeelde is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 234 dagen ter zake van: diefstal door twee of meer verenigde personen; drie maal: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak; medeplegen van poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak; handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III. De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en die voordeel door dat feit of uit de baten daarvan heeft verkregen. De rechtbank zal het geschatte voordeel van veroordeelde berekenen op basis van artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Het voordeel zal worden berekening over de bewezenverklaarde (voltooide) strafbare feiten onder de parketnummers 05/208176-17 en 05/238712-20, welke parketnummers in de strafzaak zijn gevoegd, en over andere strafbare feiten waarvan de rechtbank van oordeel is dat zonder redelijke twijfel vaststaat dat veroordeelde die strafbare feiten heeft begaan. Algemene overwegingen: Ter berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten behoeve van de ontnemingsvordering is door de politie een proces-verbaal van bevindingen (berekening wederrechtelijk voordeel) opgesteld. Verder is een proces-verbaal opgesteld met daarin een berekening van de schade van de slachtoffers. De rechtbank is van oordeel dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel onvoldoende concreet en herleidbaar is om in zijn geheel als uitgangspunt te gebruiken. De rechtbank zal om die reden zelf het voordeel te schatten aan de hand van de bewijsmiddelen in het dossier. De rechtbank heeft (deels) vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen in de hoofdzaak. Zij heeft ook deels bepaald dat de die vorderingen hoofdelijk zijn toegewezen. De rechtbank moet de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen aftrekken als deze zijn (af)betaald of als het vonnis in de hoofdzaak onherroepelijk is geworden. Dat is hier niet het geval. Het vijfde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat de rechtbank het voordeel lager mag vaststellen. De rechtbank kiest er in deze zaak voor om de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen af te trekken van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank zal voorts geen wederrechtelijk verkregen voordeel berekenen over voordeel die direct in verband staat met inbeslaggenomen goederen, tenzij de rechtbank aannemelijk acht dat veroordeelde voordeel over die goederen heeft behaald. Voordeel uit de bewezenverklaarde feiten De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten en baseert zich op de volgende bewijsmiddelen. Bij de inbraak aan de [Adres] op [Datum] (relaas nummer 2, het bewezenverklaarde feit onder 1 van parketnummer 05/219030-19) zijn een hakselaar van het merk Lumag HC 15 NL, een Makita slagschroefboormachine DTD 154 ZJ in een blauwe kist inclusief accu, een Makita accu slijptol 125 mm 18 V DGA 506 ZJ, een EWM mig/mag lasapparaat 220 volt met slangenpakket Pico Mig en een kist van Makita met daarin 1 lader gestolen. De acculader van Makita werd op het woonadres van [Medeverdachte 1] aangetroffen en inbeslaggenomen en is geretourneerd aan [Eigenaar] (wonende aan de [Adres] ). De opgegeven waarde van de gestolen goederen betrof volgens de politie samen € 2.000,-, waarvan € 1.000,- voor de hakselaar. De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen deze bedragen. De rechtbank schat het bedrag van de Makita acculader op € 75,-. De opbrengst van deze inbraak is na verkoop van de buit dus € 1.925,- geweest. De rechtbank rekent - gelijk als de politie - als marge voor de stelers 36%. Dit percentage komt de rechtbank niet onredelijk voor en de verdediging heeft hier ook geen verweer tegen gevoerd. Het voordeel uit de buit komt daarmee uit op € 693,- De inbraak is gepleegd door drie daders. De rechtbank acht het aannemelijk dat de opbrengt door drieën is gedeeld. De conclusie is dat veroordeelde € 231,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. Bij de inbraak aan de [Adres] op [Datum] (relaas nummer 4, het bewezenverklaarde feit onder 2 van parketnummer 05/219030-19) zijn een Stiga zitgrasmaaier, een Stihl bladblazer, een HBM plasmasnijder een HBM tig lasapparaat, een kettingzaag, een Michelin compressor en een fles lasgas gestolen. De Michelin compressor is bij veroordeelde aangetroffen en inbeslaggenomen. De HBM plasmasnijder, het HBM tig lasapparaat, de kettingzaag, en de fles lasgas zijn meegenomen in de berekening van de toegewezen materiële schade van de benadeelde partij. Deze goederen worden door de rechtbank daarom niet meegenomen in de voordeelsberekening. De Stiga zitgrasmaaier ter waarde van € 3.500,- en de Stihl bladblazer ter waarde van € 192,31 zijn vergoed door de verzekeraar aan aangever en niet meegenomen in de berekening van de materiële schade van de benadeelde partij. De rechtbank zal het behaalde voordeel voor deze goederen daarom wel meenemen in de berekening en uitgaan van de bedragen zoals vergoed door de verzekering. De opbrengst van deze goederen is na verkoop dus € 3.692,31 geweest. De rechtbank rekent - gelijk hiervoor - als marge voor de stelers 36%. Het voordeel uit de buit komt daarmee uit op € 1.329,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.