RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/239138-22 Datum uitspraak : 22 mei 2023 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] in ( [postcode] ) [woonplaats] . Raadsvrouw: mr. M.J.R. Roethof, advocaat in Arnhem. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 26 juni 2021 te Zevenaar door geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door bedreiging met geweld en/of met één of meer andere feitelijkheden, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het brengen van zijn penis in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer] en/of het brengen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] , waarbij dat geweld en/of die één of meer andere feitelijkheden en/of door bedreiging met geweld en/of één of meer andere feitelijkheden er in heeft/hebben bestaan dat verdachte toen die [slachtoffer] zei dat het pijn deed en/of dat hij, verdachte, moest stoppen, tegen die [slachtoffer] heeft gezegd “kop dicht”, althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en/of (meermalen) die [slachtoffer] voorover en/of tegen een boom heeft gedrukt, waardoor die [slachtoffer] niet weg kon komen en/of die [slachtoffer] naar beneden en/of op haar knieën heeft gedrukt en/of (vervolgens) het hoofd van die [slachtoffer] heeft vastgehouden en/of (meermalen) voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer] en/of (aldus) misbruik heeft gemaakt van zijn fysieke overwicht ten opzichte van die [slachtoffer] en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan, waardoor die [slachtoffer] zich niet kon, althans niet durfde te onttrekken aan bovengenoemde handelingen. 2De standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Gevorderd is verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde dat verdachte geen contact mag hebben met aangeefster. De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit. 3Overwegingen ten aanzien van het bewijs Op grond van de verklaringen van zowel aangeefster als verdachte wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Verdachte en aangeefster zijn twee jonge mensen, die ten tijde van het ten laste gelegde feit beiden 19 jaar oud waren. Zij hadden een relatie die door aangeefster is omschreven als ‘friends with benefits’. Zij hadden één keer eerder seks gehad. Op 26 juni 2021 hadden zij, nadat zij samen met vrienden in een kroeg waren geweest, afgesproken om voor de tweede keer seks met elkaar te hebben, buiten, op een beschutte plek bij een speeltuintje. Aldaar hebben zij in elk geval gezoend en heeft verdachte aangeefster vaginaal gepenetreerd met condoom. De seks was hardhandig en vond in ieder geval in eerste instantie plaats in een vrijwillig kader. Volgens aangeefster heeft zij op enig moment gezegd dat zij pijn had en dat verdachte moest stoppen. Verdachte is volgens haar echter doorgegaan met de vaginale penetratie en zou gezegd hebben dat ze haar kop moest houden. Ook zou hij op enig moment het condoom hebben afgedaan, vervolgens aangeefster met haar hoofd tegen een boom hebben gedrukt en haar opnieuw vaginaal gepenetreerd hebben, terwijl zij dit niet wilde en dit ook meerdere malen aangaf. Daarna zou hij haar hebben gedwongen hem te pijpen. Verdachte ontkent dat hij aangeefster met geweld of andere feitelijkheden tot seksuele handelingen heeft gedwongen. Volgens hem is hij, toen aangeefster zei dat hij moest stoppen, direct gestopt met de vaginale penetratie en heeft zij hem vervolgens vrijwillig gepijpt. Om tot een bewezenverklaring van verkrachting te komen, moet komen vast te staan dat de verdachte door (bedreiging met) geweld of een andere feitelijkheid aangeefster heeft gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is slechts sprake van dwang (en daarmee van verkrachting) in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht, indien het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte mede omvat dat hij de ander tegen haar wil handelingen doet ondergaan die bestaan of mede bestaan uit seksueel binnendringen en er sprake is van geweld van voldoende kaliber waardoor aangeefster zich niet kan onttrekken aan de handelingen van verdachte. De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken zich doorgaans laten kenmerken door het feit dat er slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Nu verdachte de dwang ontkent, dient de verklaring van aangeefster in voldoende mate te worden ondersteund door ander bewijsmateriaal. Artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht schrijft immers voor dat het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. De rechtbank moet daarom de vraag beantwoorden of, naast de verklaring van aangeefster, voldoende steunbewijs voorhanden is in het dossier. Deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden in het concrete geval. De officier van justitie heeft het volgende als steunbewijs aangewezen. Ten eerste de berichten tussen verdachte en aangeefster via Snapchat, kort na hun samenzijn op 26 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.