Vonnis RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Nijmegen Zaaknummer: 9418295 EL 21-21 vonnis van de kantonrechter van 8 juni 2023 in de zaak van [eisende partij] , wonende te [woonplaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces. tegen de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, gemachtigde: USG Legal Professionals B.V., Partijen worden hierna [eisende partij] en Dexia genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 18 augustus 2021, met producties; - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met producties; - de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, met producties; - de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie, met producties; - de conclusie van dupliek in reconventie. 1.2. Hierna is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eisende partij] heeft de volgende leaseovereenkomst (hierna: de overeenkomst) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorganger van) Dexia: Nr Contractnr. Datum Naam overeenkomst Looptijd Leasesom I. 37003398 19-06-1998 Spaarleasen 180 mnd Fl 90.426,60 2.2. Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat: Nr. Datum eindafrekening Resultaat Betaald I. 04-08-2006 € 260,45 Ja 3De vorderingen en het verweer 3.1. [eisende partij] vordert bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, - dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eisende partij] heeft gehandeld en/of toerekenbaar tekort is geschoten; - Dexia te veroordelen tot (terug)betaling van al hetgeen in het kader van deze overeenkomst is betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van algehele terugbetaling; - Dexia te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, de proceskosten en de nakosten. 3.2. Dexia voert verweer tegen de vorderingen van [eisende partij] en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eisende partij] in de proceskosten. 3.3. Dexia vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:- voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst met nummer 37003398 niets meer aan [eisende partij] verschuldigd is,- [eisende partij] zal veroordelen in de proceskosten. 3.4. Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan. 4De beoordeling Algemeen 4.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenlease-overeenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 á 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een optoutverklaring ingediend, waaronder [eisende partij] . 4.2. De veelheid van procedures heeft geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014, (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135). Deze jurisprudentie wordt als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen. 4.3. Toepassing van deze maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies: A. er is sprake van huurkoop; B. er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck; C. Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld; D. afnemer heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld; E. er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia. 4.4. Hierna zal achtereenvolgend worden ingegaan op: - de vaststelling van de schade wegens termijnen; - het op de schade in mindering brengen van het genoten voordeel; - de eigen schuld (art. 6:101 BW); - een wel of niet onaanvaardbaar zware financiële last; - de consequenties van het voorgaande voor de verdeling van de (resterende) schade; - wat elke partij gelet op het voorgaande nog aan de andere partij verschuldigd is; - wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. 4.5. Waar hierna sprake is van ‘leasetermijnen’ ‘restschuld’, ‘dividenden en claims’, ‘waarde effecten’, ‘restant hoofdsom beëindiging’, ‘uitkering’ en ‘fiscaal voordeel’ wordt gedoeld op de bedragen die bij de (betreffende) overeenkomst worden vermeld op het (meest recent) door Dexia overgelegde financiële overzicht (de laatste twee genoemde onder het kopje ‘Overige voordelen’). Nu [eisende partij] de juistheid van de daarop vermelde gegevens, behoudens het fiscale voordeel, niet (voldoende gemotiveerd) heeft betwist wordt daarvan uitgegaan. De vaststelling van de schade 4.6. De schade die als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia is ontstaan bestaat uit de schade wegens de door [eisende partij] verschuldigde termijnen, dat wil zeggen zowel de betaalde termijnen als de bij de eindafrekening nog achterstallige termijnen. Het op de schade in mindering brengen van het genoten voordeel 4.7. Op de door [eisende partij] geleden schade dient eerst in mindering te worden gebracht het voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW. Dit bestaat uit de in verband met de betreffende overeenkomst ontvangen inkomsten uit ‘Dividenden en claims’ en de einduitkering. 4.8. [eisende partij] heeft betwist dat fiscaal voordeel is genoten. Dit omdat [eisende partij] , bij gebrek aan inkomen, geen belastingaangifte heeft gedaan. Nu dit laatste wordt ondersteund door een brief van de Belastingdienst en Dexia het tegendeel niet heeft onderbouwd wordt uitgegaan van de juistheid van deze stelling van [eisende partij] . Er dient dan ook geen fiscaal voordeel in mindering te worden gebracht op de schade. 4.9. Het voordeel als hiervoor bedoeld dient in mindering te worden gebracht op de schade die [eisende partij] heeft geleden wegens verschuldigde termijnen. De eigen schuld (art. 6:101 BW), wel of niet een onaanvaardbare financiële last 4.10. Op grond van artikel 6:101 BW dient [eisende partij] een deel van de, na verrekening van eventuele voordelen als hiervoor bedoeld, resterende schade, (hierna: de resterende schade) wegens eigen schuld zelf te dragen. 4.11. Onderzocht moet worden of nakoming door Dexia van haar onderzoeksplicht zou hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van deze overeenkomst had behoren te ontraden, omdat daardoor naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op [eisende partij] werd gelegd. Indien het aangaan van de overeenkomst voor [eisende partij] een onaanvaardbaar zware financiële last met zich bracht dient [eisende partij] een derde deel van de resterende schade uit verschuldigde termijnen (de inleg) zelf te dragen. Indien geen sprake was van een dergelijke last dient [eisende partij] de resterende schade wegens verschuldigde termijnen geheel zelf te dragen. Of sprake is van een zodanig onaanvaardbaar zware financiële last wordt beoordeeld door toepassing van de zogenoemde Hof-formule als weergegeven in het arrest van hof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981). [eisende partij] dient de gegevens die nodig zijn voor deze beoordeling te verstrekken en met stukken te onderbouwen. 4.12. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last moeten alle bekende omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de financiële ruimte van een belegger in aanmerking worden genomen. De hiervoor Hof-formule, luidt: X - W - A- B- C < Y + 0,1 xY + 0,15 x (X-Y). De factor X staat voor het besteedbare netto-maandinkomen van [eisende partij] . De factor Y betreft de NIBUD-basisnorm voor het betrokken type huishouden. De factor W staat voor de maandelijkse huur-of hypotheeklasten voor de eigen dan wel gehuurde woning voor zover deze het daarvoor door het NIBUD gehanteerde basisbedrag overtreffen. De factor A staat voor de verplichtingen die voortvloeien uit de leaseovereenkomst, factor B staat voor eventuele financiële verplichtingen uit andere, eerder aangegane lease-overeenkomsten. De factor C staat voor eventuele (daadwerkelijk bestaande) rente- en aflossingsverplichtingen uit andersoortige eerdere kredietovereenkomsten. Wel of geen onaanvaardbaar zware financiële last in dit geval 4.13. Tussen partijen is (onder meer) in geschil of het aangaan van de overeenkomst voor [eisende partij] een onaanvaardbaar zware financiële met zich bracht. Tussen partijen is in het bijzonder in geschil of [eisende partij] in voldoende mate de gegevens heeft verstrekt (en deze heeft toegelicht en met stukken heeft onderbouwd) die noodzakelijk zijn voor de beoordeling. 4.14. Dexia stelt dat [eisende partij] een gezamenlijke huishouding voerde met zijn ouder(s), en dat om die reden ook de inkomensgegevens van zijn ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.