RECHTBANK GELDERLAND Familie- en jeugdrecht Zittingsplaats Zutphen Zaakgegevens: C/05/402437 FZ RK 22-1074 (echtscheiding) C/05/407607 FZ RK 22-2279 (verdeling) Datum uitspraak: 7 juni 2022 beschikking echtscheiding in de zaak van: [naam man] , wonende te [woonplaats man] , verzoeker, hierna te noemen de man, advocaat: mr. J.J. Roossien te Nunspeet, t e g e n [naam vrouw] , wonende te [woonplaats vrouw] , verweerster, hierna te noemen de vrouw, advocaat: mr. D.E.M. Boukens te [trouwgemeente] . 1Het procesverloop 1.1. Dit verloop blijkt uit: het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 13 april 2022; het exploot van betekening van 26 april 2022; het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken met bijlagen, ingekomen op 18 juli 2022; het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken met bijlage, ingekomen op 16 augustus 2022; het journaalbericht met bijlagen van mr. Boukens van 24 november 2022. 1.2. Op 5 december 2022 is van mr. Roossien nog een journaalbericht ontvangen. Dit bericht is als te laat ingediend teruggestuurd, omdat het binnen tien dagen voor de dag van de mondelinge behandeling is ingediend. Het journaalbericht behoort daarmee niet tot het procesdossier en is niet meegenomen bij de beoordeling van het geschil. Ditzelfde geldt voor het journaalbericht van mr. Boukens van 6 december 2022. 1.3. Gehoord ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 9 december 2022 zijn beide partijen, bijgestaan door hun advocaten. 1.4. Partijen zijn na de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om een onderlinge regeling te treffen. Uit het journaalbericht van mr. Roossien van 22 maart 2023 en het journaalbericht van mr. Boukens van 23 maart 2023 is gebleken dat dit niet is gelukt. Mr. Roossien heeft daarom verzocht om een nieuwe schriftelijke uitlating, maar mr. Boukens heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben partijen voldoende gelegenheid gehad om hun standpunten naar voren te brengen. 2De feiten 2.1. De vrouw en de man, die de Nederlandse nationaliteit bezitten, zijn op [huwelijksdatum] 1993 in de gemeente [trouwgemeente] met elkaar gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen. 2.2. De twee tijdens het huwelijk geboren kinderen van partijen zijn meerderjarig. 3Het verzoek, het verweer tevens zelfstandig verzoek en het verweer daarop 3.1. De man verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: tussen partijen de echtscheiding uit te spreken; een verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen zoals in het verzoekschrift onder punt 7 is verzocht, althans een verdeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie meent dat behoort, althans te bevelen dat partijen met elkaar dienen over te gaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap met benoeming van een notaris en onzijdige persoon als volgens de wet; te bepalen dat de vrouw volledige inzage dient te geven met betrekking tot de nalatenschap van haar overleden vader en de afwikkeling daarvan; deze beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. De vrouw voert verweer en verzoekt de rechtbank het verzoek van de man af te wijzen, dan wel de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren. Zij verzoekt bij wege van zelfstandige verzoeken: tussen partijen de echtscheiding uit te spreken; de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te gelasten dan wel vast te stellen zoals in het verweerschrift onder punt 2 tot en met 24 is verzocht, althans een verdeling te gelasten dan wel vast te stellen welke de rechtbank in goede justitie voorkomt. 3.3. De man voert verweer en verzoekt de rechtbank het zelfstandig verzochte af te wijzen en de vrouw te verplichten de bankafschriften van de rekening met nummer [rekeningnummer 1] ten name van [naam vrouw] over te leggen, alsmede alle gegevens die betrekking hebben op de nalatenschap van de vader van de vrouw, ook voor wat betreft de voor zijn overlijden aan de vrouw gedane schenkingen. 3.4. Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna nader ingegaan. 4De beoordeling de echtscheiding 4.1. Nu tussen partijen niet in geschil is dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, is hun beider verzoek tot echtscheiding voor toewijzing vatbaar. de pensioenrechten 4.2. Partijen zijn het erover eens dat de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten kunnen worden verevend conform de standaardmethode van de Wet Verevening Pensioenrechten. Nu dit rechtstreeks uit de wet volgt, hoeft de rechtbank hierover geen beslissing te nemen. de verdeling 4.3. De verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap is tussen partijen wel in geschil. peildatum samenstelling en omvang gemeenschap 4.4. Partijen zijn verdeeld over de peildatum voor de samenstelling en omvang van de gemeenschap, maar de wet biedt geen gelegenheid om van de wettelijke peildatum af te wijken. Op grond van artikel 1:99 BW is voor de beoordeling van de samenstelling en omvang van de gemeenschap de datum van ontbinding van de gemeenschap bepalend. Uit de wet volgt dat de gemeenschap van rechtswege wordt ontbonden op het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding. Het verzoekschrift is op 13 april 2022 ter griffie ingekomen, zodat deze datum als peildatum dient te gelden. goederen en schulden 4.5. Tussen partijen staat vast dat op 13 april 2022 tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoren: activa de woning aan de [adres] te [woonplaats vrouw] ; de inboedelgoederen; de kleding en lijfsieraden; e auto van het merk [auto 1] met als kenteken [nummer] ; de bankrekeningen; de activa en passiva van de vennootschap onder firma [naam VOF] ; de aandelen in de besloten vennootschap [naam BV] ; de fiscale vorderingen; het aandeel van de vrouw in de erfenis van haar overleden vader; passiva de hypothecaire geldleningen bij de Rabobank [nummer] en de Fortis Bank [nummer] ; het consumptief krediet bij de Rabobank [nummer] ; de fiscale schulden. 4.6. Tussen partijen is in geschil of de schuld aan de gemeente [gemeente] op naam van de man in de ontbonden huwelijksgemeenschap valt. De rechtbank zal deze schuld hierna afzonderlijk bespreken. peildatum waardering 4.7. Voor de bepaling van de waarde bij de verdeling moet in beginsel worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling. Van deze hoofdregel wordt afgeweken indien partijen anders zijn overeengekomen of uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen partijen beheersen anders voortvloeit. In dit geval zijn partijen in [maand] 2020 gescheiden van elkaar gaan wonen. In de tussenliggende periode hebben partijen geprobeerd om in onderling overleg afspraken te maken over de gevolgen van de echtscheiding. Dit is (ondanks de inzet van een mediator) niet gelukt. Tussen partijen is in geschil of om die reden van [datum] 2020 als peildatum moet worden uitgegaan, zoals de vrouw heeft betoogd. De man is het daarmee niet eens en heeft in de stukken betoogd dat van de datum van indiening van het verzoekschrift moet worden uitgegaan. Op de zitting heeft hij dit standpunt gewijzigd naar de datum van de beschikking. De rechtbank zal bij de verschillende bestanddelen aangeven van welke peildatum zij voor wat betreft de waardering uitgaat. ad a. de woning aan de [adres] te [woonplaats vrouw] , ad k. de hypothecaire geldleningen ad l. het consumptief krediet 4.8. Partijen zijn eigenaar van een onroerende zaak gelegen aan de [adres] te [woonplaats vrouw] . Deze woning is belast met verschillende hypothecaire geldleningen. Ook is er sprake van een consumptief krediet. 4.9. Partijen zijn het erover eens dat de woning aan de vrouw kan worden toegedeeld, onder de voorwaarde dat de man zal worden ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de hypothecaire geldleningen en het consumptief krediet. 4.10. De waarde van de woning is tussen partijen wel in geschil. De vrouw stelt dat partijen tijdens de onderhandelingen er altijd vanuit zijn gegaan dat de waarde van de woning € 507.000,- bedroeg. Volgens de vrouw heeft de man dit aan haar en aan de mediator laten weten. Daarnaast zijn partijen overeengekomen dat zij zouden uitgaan van de waarde op [datum] 2020 en dat een waardeverandering in de toekomst geen recht geeft op verrekening. Om die reden stelt de vrouw zich (primair) op het standpunt dat bij de verdeling van een waarde van € 507.000,- uitgegaan moet worden. Subsidiair stelt de vrouw - gelet op de redelijkheid en billijkheid - dat de woning getaxeerd dient te worden naar de waarde op de peildatum [datum] 2020. Indien de rechtbank beslist dat de woning naar de huidige waarde getaxeerd moet worden, dan stelt de vrouw (meer subsidiair) dat zij een vergoedingsrecht heeft, inhoudende dat aan haar toekomt een bedrag gelijk aan de door haar gemaakte kosten voor onderhoud en verbouwingen. Deze bedragen zijn door de vrouw voldaan, waardoor deze bedragen aan haar toekomen. 4.11. De man stelt dat de waarde van € 507.000,- op een gegeven moment is opgenomen in een convenant, maar dit convenant is door de vrouw van de hand gewezen. Zij kan zich daarom niet beroepen op een (bindende) overeenkomst. De man wijst erop dat er in een mediation pas sprake is van een overeenkomst als beide partijen het convenant hebben ondertekend. Een uitzondering bestaat indien partijen over een deelonderwerp een schriftelijke overeenkomst hebben gesloten. Daarvan is geen sprake. Ook betwist de man dat de vrouw recht heeft op een vergoedingsrecht, in ieder geval niet één die gelijk is aan de door haar gemaakte kosten van onderhoud en verbouwingen. De vrouw heeft op eigen initiatief en zonder overleg met de man onderhoud en verbouwingen laten uitvoeren (zoals het overschilderen van de woning, een nieuwe keuken en een raam in de zijgevel). In ieder geval is de waarde van de woning volgens de man niet verhoogd met een bedrag gelijk aan de gemaakte kosten. 4.12. Uit de overgelegde stukken en uit de toelichting van partijen blijkt dat de man op 13 mei 2020 een e-mailbericht heeft gestuurd naar de mediator en de vrouw waarin is opgenomen: “Ten aanzien van de eigen woning hebben we aangegeven dat [naam vrouw] er in blijft wonen, maar dat eigendom en hypotheek op beider namen blijft. Wel willen we de waarde op 1-4-2020 als ijkpunt nemen voor de verdeling en vastleggen dat waardeverandering in de toekomst geen recht geeft op verrekening. Tevens heeft [naam vrouw] het woongenot dus ook de lasten. Dit komt in het geheel niet overeen met de bepalingen in het convenant.” Dat partijen de bedoeling hadden om deze afspraken schriftelijk vast te leggen in een convenant is tussen partijen ook niet in geschil. In dat kader is ook het voorschot van € 13.000,- door de vrouw aan de man voldaan. Het convenant is uiteindelijk niet ondertekend door partijen en uit de e-mailberichten leidt de rechtbank af dat partijen de bedoeling hadden om een zogenoemde package deal te sluiten. In de e-mailberichten wordt namelijk gesproken over een ‘uitkoopbedrag’ en aangezien de hoogte van dit bedrag tussen partijen in geschil was, kan niet zonder meer worden vastgesteld dat er op individuele onderdelen (waaronder de waarde van de woning) daadwerkelijk sprake is van een overeenkomst. Temeer nu de man in zijn e-mailbericht van 1 februari 2021 aangeeft: “Toch ben ik bereid om alsnog het convenant zoals het er nu ligt te tekenen. Als [naam vrouw] dit afwijst ga ik opnieuw om tafel, maar niet alleen om de waarde van [naam VOF] . Dan gaan alle eerder gemaakte afspraken van tafel en beginnen we helemaal opnieuw.” De vrouw heeft als reactie daarop laten weten dat zij dit convenant niet wilde ondertekenen. Het restant van het voorschot te weten € 5.500,- heeft zij uiteindelijk ook niet overgemaakt naar de man. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de vrouw zich niet kan beroepen op de waarde van de woning zoals partijen destijds bij de mediator hebben besproken en dat er geen sprake is van een (deel)overeenkomst. 4.13. Dat partijen vanaf [datum] 2020 feitelijk gescheiden leven en de man niet meer heeft bijgedragen aan de vaste lasten of andere kosten is voor de rechtbank geen aanleiding om van het uitgangspunt (de datum van verdeling) af te wijken. Daar staat namelijk tegenover dat de vrouw vanaf [datum] 2020 het alleen gebruik van de woning had en de man dit genot moest missen. Zij heeft geen vergoeding voor het alleen gebruik betaald. In het argument van de vrouw dat de man overeenstemming onmogelijk heeft gemaakt door zijn gedrag en opstelling ziet de rechtbank ook geen aanleiding om van het uitgangspunt (de datum van verdeling) af te wijken. Het is de vrouw die het convenant uiteindelijk van de hand gewezen heeft. De rechtbank begrijpt dat er sprake is van tijdsverloop tussen het moment waarop partijen uit elkaar zijn gaan wonen en het moment waarop het echtscheidingsverzoek is ingediend, maar het stond beide partijen vrij om op een eerder moment een echtscheidingsprocedure te starten. Overigens is het de man die deze echtscheidingsprocedure is gestart. De rechtbank gaat daarom voorbij aan zowel het primaire als het subsidiaire standpunt van de vrouw. Dit betekent dat de woning getaxeerd moet worden tegen de huidige waarde. Partijen zijn overeengekomen dat zij zich daarvoor zullen wenden tot [naam makelaar] te [plaats] . 4.14. Omdat de woning getaxeerd moet worden tegen de huidige waarde en de vrouw geïnvesteerd heeft in de woning door middel van onderhoud en verbouwingen, heeft zij zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een vergoedingsrecht. De vrouw heeft de hoogte van dit vergoedingsrecht pas voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling geconcretiseerd. Zij meent aanspraak te kunnen maken op een bedrag van € 59.538,80 en wenst de helft van dit bedrag te verrekenen met de door haar aan de man te betalen overwaarde van de woning. Uit de facturen die zij bij het journaalbericht van 24 november 2022 heeft overgelegd blijkt echter dat de werkzaamheden die hiermee gemoeid waren voor de datum waarop de gemeenschap is ontbonden ( 13 april 2022) hebben plaatsgevonden. Ook de facturen dateren van voor de peildatum. De vrouw heeft niet gesteld en/of onderbouwd dat zij deze facturen met (van de gemeenschap uitgesloten en aan haar toebehorend) privévermogen heeft voldaan. Om die reden gaat de rechtbank er vanuit dat deze werkzaamheden c.q. verbouwingen zijn gefinancierd met het vermogen van de gemeenschap en niet door de vrouw in privé. Dit alles leidt ertoe dat de rechtbank het verzoek van de man zal toewijzen en hierna zal bepalen dat de woning aan de vrouw wordt toegedeeld tegen de huidige taxatiewaarde (door [naam makelaar] vast te stellen) en dat zij wegens overbedeling de helft van de overwaarde aan de man dient te voldoen (bestaande uit de helft van de taxatiewaarde minus de hypotheekschulden minus het consumptief krediet minus de notariskosten). Het vergoedingsrecht van de vrouw wijst de rechtbank af. ad b. de inboedelgoederen 4.15. Tijdens de zitting hebben partijen aangegeven dat zij in onderling overleg een dag en tijdstip zullen afspreken zodat de persoonlijke zaken van de man, zoals: fotoalbums uit zijn kindertijd, stripboeken, Lp’s, items die van zijn vader en/of opa zijn geweest, gereedschap en dergelijke door de vrouw aan hem kunnen worden overhandigd. Niet in geschil is dat partijen de overige zaken die op dit moment in zijn/haar bezit zijn behouden. ad c. de kleding en lijfsieraden 4.16. Niet in geschil is dat ieder van partijen inmiddels beschikt over zijn/haar kleding en lijfsieraden. De verzoeken hierover zal de rechtbank daarom afwijzen. ad d. de auto van het merk [auto 1] met als kenteken [nummer] 4.17. Partijen zijn het erover eens dat de auto aan de man kan worden toegedeeld en dat hij wegens overbedeling een vergoeding van € 750,- aan de vrouw zal voldoen. ad e. de bankrekeningen 4.18. Tussen partijen is niet in geschil dat de volgende bankrekeningen tot de ontbonden gemeenschap behoren: Bankrekening Ter name van: [nummer] partijen [nummer] de man [nummer] de man [nummer] de man [nummer] de man 4.19. Tussen partijen is in geschil of het saldo van de bankrekening op naam van de vrouw met rekeningnummer [rekeningnummer 1] in de ontbonden huwelijksgemeenschap valt, omdat de vrouw vindt dat van de peildatum [datum] 2020 moet worden uitgegaan. 4.20. Partijen zijn het erover eens dat de en/of bankrekening en de op naam van de vrouw staande bankrekening ( [rekeningnummer 1] ) aan haar worden toegedeeld en dat de op naam van de man staande bankrekeningen aan hem worden toegedeeld. 4.21. Het geschil van partijen spitst zich toe op de vraag van welke peildatum moet worden uitgegaan voor de waardering (van de te verdelen saldi). Anders dan de vrouw ziet de rechtbank in dit geval aanleiding om aansluiting te zoeken bij de datum waarop de gemeenschap werd ontbonden, namelijk 13 april 2022. De vrouw heeft weliswaar betoogd dat zij de gemeenschappelijke bankrekening en de op haar naam staande bankrekening heeft gevoed, maar zij heeft naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende gesteld en onderbouwd dat deze rekeningen na [datum] 2020 (alleen nog) zijn gevoed met van de gemeenschap uitgezonderd privévermogen. Daarbij komt dat de gemeenschap op [datum] 2020 nog niet was ontbonden en dat niet is komen vast te staan dat partijen op [datum] 2020 de saldi van de aanwezige bankrekeningen hebben verdeeld. Naar het oordeel van de rechtbank is er daarom sprake van te verdelen gemeenschapsvermogen, zodat de op 13 april 2022 aanwezige banksaldi tussen partijen verdeeld moeten worden. Dit leidt ertoe dat partijen elkaar over en weer informatie moeten geven over de banksaldi van alle rekeningen op 13 april 2022. Het op dat moment aanwezige saldo moet tussen partijen gedeeld worden bij helfte. Dit geldt dus ook voor de rekening van de vrouw met bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] . Deze rekening heeft de vrouw weliswaar na de door haar voorgestelde peildatum ( [datum] 2020) geopend, maar nu de rechtbank van een andere peildatum uitgaat en deze bankrekening ook onderdeel uitmaakt van de ontbonden gemeenschap, dient zij ook het aanwezige saldo van deze rekening op 13 april 2022 te delen met de man. 4.22. De man heeft verzocht om de bankafschriften van de rekening met nummer [rekeningnummer 1] , maar dit verzoek zal de rechtbank afwijzen omdat de man niet heeft onderbouwd om welke reden hij belang heeft bij dit verzoek. ad
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.