RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/121763-22 en 09/224951-21 (TUL) Datum uitspraak : 26 januari 2023 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats], wonende aan de [adres], op dit moment gedetineerd in de P.I. Vught, PPC. Raadsman: mr. J.G.D. Rutten, advocaat in Hilversum. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot aanpassing omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
(2022)valt te lezen dat betrokkene daar vertelde dat hij van zijn 18e tot zijn 26e jaar “overmatig” cannabis gebruikte en “sinds kort 2 à 4 gram per dag”. Ten slotte valt het op dat betrokkene bij binnenkomst in het PBC bij een urinecontrole positief scoorde op cannabis. Omdat veel aspecten van het cannabisgebruik en de gevolgen daarvan op zijn functioneren onvoldoende duidelijk zijn geworden, zo overwegen de deskundigen, wordt zijn cannabisgebruik geclassificeerd als een “ongespecificeerde cannabis gerelateerde stoornis”. Voor andere psychische stoornissen komen, aldus de deskundigen in de beschikbare informatie, te weinig aanwijzingen naar voren om deze te kunnen vaststellen, dan wel met zekerheid te kunnen uitsluiten. Wel wordt in het PBC-rapport melding gemaakt van de conclusies die in de forensisch psychiatrische polikliniek De Waag te Den Haag waren getrokken. Verdachte werd daar van 13 december 2021 tot 11 mei 2022 behandeld na verwijzing door Reclassering Nederland. Als aanmeldreden wordt vermeld dat verdachte in augustus 2021 psychedelische drugs (truffels) had gebruikt, waarbij hij viermaal de reguliere dosis zou hebben ingenomen en dat hij onder invloed van deze drug een man had mishandeld, in een sportschool met gewichten zou hebben gegooid en een (vrouwelijke) pompmedewerker onzedelijk zou hebben betast. Bij de intake had verdachte klachten van stress, piekeren en achterdocht gemeld. Hij gebruikte 2,5 gram hasj per week. In de behandeling werd gestart met cognitieve gedragstherapie gericht op het verminderen van de agressieproblematiek, maar dit had onvoldoende resultaat. Vanuit De Waag is een brief verzonden aan de huisarts van verdachte op 23 mei 2022 waarin onder meer melding werd gemaakt van mentale klachten in de vorm van stress, slaapproblemen, somberheid, piekeren en achterdocht bij verdachte. Ook wordt gemeld dat er regelmatig agressiedoorbraken zijn in de vorm van verbale agressie en dat er aanwijzingen zijn voor een stoornis in de aandacht. Classificerend wordt gesproken van “Primaire diagnose Periodieke explosieve stoornis; Problemen verband houdend met justitiële maatregelen; Stoornis in cannabisgebruik: matig, ernstig”. De PBC-deskundigen concluderen dat de situatie van verdachte zorg oproept, met name waar het gaat om de agressieregulatie. Deze (fysieke) agressie deed zich voor op meerdere terreinen (relatie, ouderlijk gezin, bij/na een vermogensdelict). De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsadvies van 2 januari 2023 waarin wederom wordt gewezen op de conclusies van de PBC-deskundigen en op de voormelde diagnose van De Waag. De reclassering geeft aan geen andere of nieuwe inzichten te hebben. De reclassering is van mening dat sprake is van een delictpatroon op het gebied van het plegen van agressiegerelateerde delicten. In het NIFP rapport van 8 juni 2022 is vermeld dat verdachte bij zijn moeder woonde maar sinds enkele maanden dakloos is geworden. Sindsdien slaapt hij in zijn auto. Ook is opgenomen dat verdachte verslaafd is aan cannabis en truffels en mogelijk ook andere middelen. Er is sprake van problematisch middelengebruik. Uit de rapporten volgt kortgezegd dat, hoewel de deskundigen het niet met zoveel woorden zeggen, er naast een stoornis in cannabisgebruik, sterke aanwijzingen zijn voor het bestaan van problematiek bij verdachte in de agressieregulatie en het reguleren van de emoties. In de brief aan de huisarts noemt De Waag ook daadwerkelijk als primaire diagnose (naast de stoornis in cannabisgebruik) een periodieke explosieve stoornis. Het beeld van het bestaan van een ziekelijke stoornis bij verdachte wordt verder versterkt door het gedrag van verdachte tijdens de terechtzitting. Verdachte toonde daar onbegrijpelijk en ongepast gedrag door onder meer meermaals op ongecontroleerde en oninvoelbare wijze in lachen/giechelen uit te barsten terwijl door de rechtbank, de officier van justitie of het slachtoffer serieuze feiten naar voren werden gebracht. Verdachte kon desgevraagd zijn gedrag niet verklaren. De rechtbank ziet in de rapporten en hetgeen zij zelf heeft waargenomen met betrekking tot de persoon van verdachte voldoende grond om tot de vaststelling te komen dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de zin van artikel 37a Sr. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat ook de wijze waarop verdachte het bewezenverklaarde feit 1 heeft begaan bijdraagt aan deze conclusie, nu verdachte met een vuurwapen heeft geschoten op het lichaam van een willekeurige vrouw, zonder aanleiding, en hij zich ook daarbij en daarvóór volgens aangeefster en haar man opvallend en vreemd gedroeg. De rechtbank overweegt dat in ieder geval sprake is van een stoornis in het cannabisgebruik, maar kan geen uitspraken doen met betrekking tot de specifieke aard, oorzaak en mogelijke behandeling van deze ziekelijke stoornis, noch van de ziekelijke stoornis die samenhangt met de agressieregulatie en die door De Waag omschreven is als een “periodieke explosieve stoornis”. Deze vragen vallen niet binnen haar competentie en dienen tijdens het uitvoeren van na te noemen maatregel aan de orde te komen. Overige voorwaarden De rechtbank acht, gelet op het bewezenverklaarde en het bestaan van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, en mede gelet op het strafblad van verdachte, waarop al meerdere geweldsdelicten staan, de kans op herhaling en het gevaar voor de samenleving aanwezig. Zij acht het onverantwoord dat verdachte zonder behandeling terug zal keren in de maatschappij. Ook aan de andere voorwaarde voor oplegging van TBS met dwangverpleging is voldaan. In deze zaak is namelijk bewezenverklaard een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld (feit 1, poging doodslag). Alternatieven De rechtbank acht oplegging van TBS met dwangverpleging de enige mogelijkheid om het herhalingsgevaar te verminderen en ziet daartoe geen minder verstrekkende mogelijkheid, ook niet in de door de raadsman geopperde mogelijkheid van behandeling van verdachte binnen de voorwaardelijke invrijheidstelling of oplegging van een maatregel ex artikel 38z Sr. Ter zitting is gebleken dat verdachte geen enkel inzicht heeft in zijn problematiek. Ook heeft verdachte niet meegewerkt aan het onderzoek naar zijn persoon en heeft hij blijk gegeven niet open te staan voor hulp. De reclassering acht blijkens het adviesrapport van 2 januari 2023 interventies in het kader van een voorwaardelijk kader daarom ook niet mogelijk. Conclusie Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte ter beschikking moet worden gesteld en van overheidswege moet worden verpleegd. Duur Met het oog op het bepaalde in artikel 38e Sr, stelt de rechtbank vast dat het bewezenverklaarde feit onder 1 een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot vier jaren. Gevangenisstraf De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit 1 en de grote impact daarvan op het slachtoffer, alsook gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit 2, ook het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is, naast het opleggen van TBS met dwangverpleging. Bij het bepalen van de duur van die straf houdt de rechtbank rekening met straffen die doorgaans in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. Tevens houdt de rechtbank rekening met het volgende. De rechtbank heeft vastgesteld dat er ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten bij verdachte sprake was van een ziekelijke stoornis van verdachtes geestvermogens. Ondanks dat de psychiater en de psycholoog door het gebrek aan informatie de vraag naar de toerekenbaarheid van verdachte voor het tenlastegelegde (en bewezenverklaarde) niet hebben kunnen beantwoorden, hoewel die feiten volgens hen gedragskundig veel vragen oproepen, is de rechtbank, gelet op de vastgestelde stoornis, van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend. Ofschoon het precieze verband tussen de stoornis en het verweten gedrag door het niet meewerken aan het onderzoek niet duidelijk is geworden, acht de rechtbank, mede gelet op het handelen van verdachte, alsmede zijn gedrag voorafgaand aan, tijdens en na de feiten, aannemelijk dat er tussen de stoornis en de bewezenverklaarde feiten een dusdanig verband staat dat dit aan een volledige toerekening daarvan aan verdachte in de weg staat. De rechtbank acht alles overwegend een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
- De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich gevoegd in het strafproces en in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. [slachtoffer] vordert € 18.379,62, waarvan € 8.379,62 aan materiële schade en € 10.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten: Eigen risico zorgverzekering 2022 + 2023 € 770,00 Reiskosten € 31,50 Medische kosten (pijnstilling, verband, litteken crème) € 75,00 Telefoonkaart i.v.m. inbeslagname telefoon € 30,00 Vergoeding kapotte kleding € 150,00 Verlies aan verdienvermogen (inkomensschade) € 2.584,12 Huishoudelijke hulp € 2.862,00 Beveiligingscamera € 1.815,00 Daggeldvergoeding ziekenhuis 16 en 17 mei 2022 € 62,00 Totaal € 8.379,62 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor zover de vordering betreft de post van de beveiligingscamera. Hoewel de officier van justitie begrijpt dat [slachtoffer] de camera heeft laten plaatsen om zichzelf veiliger te voelen in haar woning, staat het plaatsen van de camera volgens haar in een te ver verwijderd verband met het delict. Voor het overige heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor zover de vordering betreft de post van de huishoudelijke hulp. Volgens de raadsman is het maar de vraag of er een rechtstreeks verband is tussen het delict en deze kosten en bovendien is het normaal dat familie en vrienden helpen in het huishouden. Voor het overige kan de vordering worden toegewezen volgens de raadsman. De beoordeling door de rechtbank Materiële schade De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde materiële schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Wat betreft de kosten van het eigen risico van de zorgverzekering, de reiskosten, de telefoonkaart, de kleding, het verlies aan verdienvermogen, de beveiligingscamera en de daggeldvergoeding in verband met de ziekenhuisopname, geldt dat de vordering niet is betwist en voldoende is onderbouwd. De in verband met deze posten gevorderde schadevergoeding zal daarom worden toegewezen. Ten aanzien van de gevorderde kosten voor huishoudelijke hulp oordeelt de rechtbank als volgt. Gelet op het letsel en de gevolgen daarvan, acht de rechtbank het aannemelijk dat [slachtoffer] als rechtstreeks gevolg van het handelen van verdachte enkele weken niet (volledig) in staat is geweest tot huishoudelijk werk en dat zij voor haar aandeel in het huishouden hulp heeft moeten inschakelen. Indien de huishoudelijke werkzaamheden van het slachtoffer die het slachtoffer niet meer kan verrichten, worden overgenomen en het daarbij gaat om werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin het slachtoffer verkeert normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners, heeft het slachtoffer aanspraak op vergoeding van kosten van huishoudelijke hulp. Daaraan staat niet in de weg dat – zoals door de verdediging is betoogd – deze werkzaamheden feitelijk worden verricht door personen die daarvoor geen kosten in rekening brengen bij de benadeelde partij. Voor de begroting van deze schadepost heeft de benadeelde partij aansluiting gezocht bij de Richtlijn Huishoudelijke Hulp van de Letselschaderaad. De rechtbank is van oordeel dat de vordering daarmee voldoende is onderbouwd en acht de gevorderde kosten billijk zodat deze toewijsbaar zijn. Wettelijke rente Verdachte is wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd vanaf de dag dat de schade is ingetreden. Ten aanzien van de schade aan de kleding (€ 150,00) is de wettelijke rente verschuldigd vanaf 16 mei 2022, de datum van het delict. Over de overige gevorderde materiële schadeposten (totaal € 8.229,62) is de wettelijke rente verschuldigd vanaf 2 januari 2023, de datum van de indiening van de vordering, nu een specificatie van de ontstaansdatum per schadepost ontbreekt. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het totale gevorderde bedrag aan materiële schade van € 8.379,62 zal toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over € 150,00 vanaf 16 mei 2022 en over € 8.229,62 vanaf 2 januari
- Immateriële schade Een benadeelde partij kan op grond van artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) aanspraak maken op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Dat kan als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van ‘een aantasting in de persoon op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hier op beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kunnen ook de aard en de ernst van de normschending en de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. In beginsel zal degene die zich hierop beroept dat met concrete gegevens moeten onderbouwen. In sommige gevallen kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen zonder zo’n nadere concrete onderbouwing. Er is aangevoerd dat [slachtoffer], naast letsel, ook andere nadelige, psychische gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. De rechtbank stelt vast dat sprake is van aantasting in de persoon door lichamelijk letsel, dat ook heeft geleid tot een groot en blijvend ontsierend litteken. [slachtoffer] is immers in haar arm geraakt door het schot en heeft een operatie moeten ondergaan met vervolgens een langdurighersteltraject. Voorts is sprake van aantasting in de persoon op andere wijze. Hoewel er geen aantoonbaar psychisch letsel aanwezig is, brengt naar het oordeel van de rechtbank de aard en de ernst van de normschending mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor het slachtoffer zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon. De rechtbank heeft daarvoor met name in aanmerking genomen dat de gebeurtenis een traumatische ervaring voor [slachtoffer] is geweest. Zij is in haar eigen woning door een voor haar onbekende persoon en zonder enige aanleiding neergeschoten. Bovendien ziet [slachtoffer] zich blijvend geconfronteerd met het grote ontsierende litteken op haar arm. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank vergoeding van het gevorderde bedrag van € 10.000,00, waartegen zijdens verdachte ook geen afzonderlijk verweer is gevoerd, billijk. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen. Wettelijke rente Verdachte is wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd vanaf de dag dat de schade is ingetreden. De wettelijke rente over de immateriële schade van € 10.000,00 is verschuldigd vanaf 16 mei 2022, de datum van het delict. Schadevergoedingsmaatregel De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het totaal aan de benadeelde partij toegewezen bedrag van € 18.379,62 aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. De rechtbank zal de gijzeling bepalen op 126 dagen. Proceskosten De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om de toegewezen bedragen betaald te krijgen. De proceskosten tot vandaag worden begroot op nihil. 9De beoordeling van het beslag De onttrekking aan het verkeer De rechtbank is van oordeel dat de volgende inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer: vuurwapen, patroonhouder, kogelpatroon en kogelpunt. Gebleken is dat de feiten zijn begaan met behulp van deze voorwerpen. Verder zijn de voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang. De teruggave aan de rechthebbende De rechtbank zal de teruggave gelasten aan de rechthebbende van de volgende inbeslaggenomen goederen omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet: - Telefoon Merk Apple, iPhone A1660 (goednummer [goednummer]) - Telefoon Merk Apple, iPhone 12 mini (goednummer [goednummer]) - Telefoon Merk Apple, iPhone A2215 (goednummer [goednummer]) - Telefoon Merk Apple, A1662 (goednummer [goednummer]) - Telefoon Merk Apple, A1586 (goednummer [goednummer]) - Netbook HP (goednummer [goednummer]) - Navigatiesysteem VW - Jurk (goednummer [goednummer]) - BH (goednummer [goednummer]) 10De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 09/224951-21) De politierechter heeft verdachte op 29 november 2021 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 25 dagen waarvan 12 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, lopende tot 12 december
- Dat vonnis is onherroepelijk. De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straf. De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering tot de tenuitvoerlegging gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. 11De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen: - 36 b, 36c, 36f, 37a, 37b, 45, 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht; - 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 12De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren; beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd; De beslissing op de vordering van de benadeelde partij veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij[slachtoffer] van een bedrag aan materiële schade van € 8.379,62, vermeerderd met de wettelijke rente over € 150,00 vanaf 16 mei 2022 en over € 8.229,62 vanaf2 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening; veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij[slachtoffer] van een bedrag aan immateriële schade van € 10.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 mei 2022 tot aan de dag der algehele voldoening; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat te betalen, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] een bedrag aan schadevergoeding van € 18.379,62, vermeerderd met de wettelijke rente over de materiële schade van € 150,00 en over de immateriële schade van € 10.000,00 vanaf 16 mei 2022 en over de materiële schade van€ 8.229,62 vanaf 2 januari 2023tot aan de dag der algehele voldoening; als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 126 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om de toegewezen bedragen betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nihil; De beslissing op het beslag beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven vuurwapen, de patroonhouder, het kogelpatroon en de kogelpunt; gelast de teruggave aan de rechthebbende van: - Telefoon Merk Apple, iPhone A1660 (goednummer [goednummer]) - Telefoon Merk Apple, iPhone 12 mini (goednummer [goednummer]) - Telefoon Merk Apple, iPhone A2215 (goednummer [goednummer]) - Telefoon Merk Apple, A1662 (goednummer [goednummer]) - Telefoon Merk Apple, A1586 (goednummer [goednummer]) - Netbook HP (goednummer [goednummer]) - Navigatiesysteem VW - Jurk (goednummer [goednummer]) - BH (goednummer [goednummer]); De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Den Haag van 29 november 2021 (parketnummer 09/224951-21), te weten van: 12 (twaalf) dagen gevangenisstraf. Dit vonnis is gewezen door mr. drs. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. K.A.M. van Hoof en mr. Ö. Sari, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M. van der Velden, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 januari
- Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2022214846, gesloten op 29 juli 2022, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 januari 2023; proces-verbaal van aangifte [slachtoffer], p. 30-
- Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer], p. 30 en
- Proces-verbaal van verhoor getuige [vriend slachtoffer], p. 34 en
- Proces-verbaal forensisch onderzoek kleding, blad
- Letselverklaring van [letselspecialist], p.
- Letselverklaring van [letselspecialist] , p. 4.