RECHTBANK GELDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Arnhem parketnummer : 05-043463-23 raadkamernummer : 23-012267 datum : 2 augustus 2023 beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikelen 530 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , hierna verzoeker, geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] , die voor deze zaak woonplaats kiest aan de Regentesselaan 4 te (7316 AC) Apeldoorn, ten kantore van zijn advocaat mr. M.M. Scholten. De procedure Het verzoekschrift is op 16 mei 2023 op de griffie van deze rechtbank ontvangen. De officier van justitie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. Vervolgens heeft de advocaat gerepliceerd en de officier van justitie gedupliceerd. De verzoekschriften zijn in de openbare raadkamer van 2 augustus 2023 behandeld. Verzoeker en zijn advocaat hebben ingestemd met schriftelijke afdoening en zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De verzoeken Ten aanzien van artikel 530 Sv: In het verzoekschrift heeft verzoeker verzocht om vergoeding van de door hem gemaakte kosten ten behoeve van de strafzaak, te weten: € 17,58 ter zake reiskosten; € 6.316,04 kosten rechtsbijstand, inclusief forfaitaire vergoeding voor het opstellen van het verzoekschrift; - PM de forfaitaire vergoeding voor de behandeling van het onderhavige verzoekschrift. Ten aanzien van artikel 533 Sv: In het verzoekschrift heeft verzoeker verzocht om vergoeding van door hem geleden schade en wel: - € 130,-- € 130,-- ter zake de tijd die verzoeker in vrijheidsbeneming heeft doorgebracht. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de reiskosten, de kosten rechtsbijstand en kosten verbonden aan het indienen van het onderhavige verzoekschrift kunnen worden toegewezen als verzocht. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker niet in verzekering is gesteld. Gelet op het feit dat verzoeker zonder bevel voor verhoor is opgehouden vanaf 25 april 2022 om 17.24 uur tot na diens verhoor de volgende dag om 12.05 uur, kan gesteld worden dat er sprake is geweest van een virtuele inverzekeringstelling en zou een vergoeding van € 130,-- billijk zijn. Het Openbaar Ministerie refereert zich op dit punt daarom aan het oordeel van de rechtbank. De beoordeling Artikel 530, tweede lid, Sv bepaalt dat, indien een zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de gewezen verdachte een vergoeding kan worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdsverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting (werkelijk) heeft geleden. Daarnaast kan, met in achtneming van artikel 44a van de Wet op de rechtsbijstand, op grond van deze bepaling een vergoeding worden toegekend in de rechtsbijstandskosten. Artikel 533 Sv bepaalt dat indien een zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten, de rechter op verzoek van de gewezen verdachte hem een vergoeding uit ’s Rijks kan toekennen voor de schade welke hij ten gevolge van ondergane inverzekeringstelling, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden. De verzoekschriften zijn tijdig, binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, ingediend. De toekenning van een schadevergoeding heeft steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. De strafzaak tegen verzoeker is geëindigd met sepotbeslissing (onvoldoende bewijs, sepotcode 02). Deze beslissing is onherroepelijk. Ten aanzien van artikel 530 Sv: Gronden van billijkheid zijn aanwezig om verzoeker de verzochte vergoeding voor reiskosten en kosten rechtsbijstand toe te kennen. De gevorderde kosten komen niet onredelijk voor. Ten aanzien van artikel 533 Sv Uit de stukken kan het volgende worden afgeleid. Verzoeker werd verdacht van diefstal van een voertuig. Afgesproken werd dat hij op 26 april 2022 zou verschijnen voor verhoor. Daarvóór werd hij echter aangehouden voor een andere verdenking en in dat verband is hij op 24 april 2022 in verzekering gesteld en op 25 april 2022 om 17.24 uur in vrijheid gesteld. Verzoeker is niet voor de onderliggende zaak in verzekering gesteld, maar na heenzending in de andere strafzaak aansluitend opgehouden tot de volgende dag, 26 april 2022, waarbij het verhoor heeft plaats gevonden om 11.10 uur en hij is heengezonden om 12.05 uur. De raadkamer concludeert hieruit dat verzoeker voor de onderliggende zaak niet binnen de termijn van 9 uur als bedoeld in artikel 56a Sv in vrijheid gesteld en heengezonden dan wel in verzekering is gesteld. Hij is echter wel op het politiebureau vastgehouden. De raadkamer zal daarom uitgaan van een situatie als ware verzoeker in verzekering gesteld en zal daarvoor een forfaitaire vergoeding van € 130,-- toekennen. De raadkamer is van oordeel dat, gelet op de gebruikelijke vergoeding inzake verzoekschriften ex artikel 530 en 533 Sv in het onderhavige geval als vergoeding voor kosten verbonden aan de indiening en de beperkte schriftelijke conclusiewisseling die daarop volgde, een bedrag van € 340,--, inclusief BTW, kan worden toegewezen. De beslissing De raadkamer: kent toe aan verzoeker, op grond van artikel 530 Sv, een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van € 6.333,62 (zegge: zesduizend driehonderddrieëndertig euro en tweeënzestig cent). kent toe aan verzoeker, op grond van artikel 533 Sv, een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van € 130,-- (zegge: honderddertig euro). Deze beslissing is gegeven door mr. F.J.H. Hovens, rechter, in tegenwoordigheid van A.B.M. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 augustus 2023. Binnen één
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.