RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Tegenspraak Parketnummer: 05/071539-21 Datum uitspraak : 9 februari 2023 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] , wonende aan de [adres] . Raadsman: mr. J. Vlug, advocaat in Deventer. 1De inhoud van de vordering De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 160.995,
- 2De procedure De zaak is op 26 januari 2023 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij zijn veroordeelde en haar raadsman gehoord. 3De beoordeling van de vordering Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering niet-ontvankelijk worden verklaard vanwege de bepleitte vrijspraak in de hoofdzaak. Beoordeling door de rechtbank Dat veroordeelde het bewezenverklaarde heeft begaan, blijkt uit het door de meervoudige kamer van deze rechtbank gewezen vonnis in de onderliggende strafzaak van heden en uit de in dat vonnis opgenomen bewijsmiddelen. Hierbij is veroordeelde voor - kort gezegd - medeplichtigheid aan het in vereniging telen van hennep veroordeeld. Aan de inhoud van de in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen ontleent de rechtbank echter niet het oordeel dat veroordeelde voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft gehad door middel van het bewezen verklaarde feit. De rol die de rechtbank ten aanzien van veroordeelde bewezen heeft verklaard was enkel die van facilitator. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat veroordeelde heeft gedeeld in de opbrengst van de hennepkwekerij of op andere wijze hier voordeel van heeft genoten. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde door middel van of uit baten van de feiten waarvoor zij bij voornoemd vonnis is veroordeeld, of uit andere strafbare feiten, wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. De rechtbank zal de vordering dan ook afwijzen. 4De beslissing De rechtbank: - wijst de vordering van de officier van justitie, strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, af. Aldus gegeven door mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. A. Bonder en mr. Ö. Sari, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.H.M. van Keulen en mr. M. van Gameren, griffiers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 februari
- Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2021098912, gesloten op 6 april 2021 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.