vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht zittingsplaats Arnhem Vonnis van 11 januari 2023 in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/05/401688 / HA ZA 22-133 van [eiser 1] en [eiser 2] beiden wonende te [woonplaats] eisers in conventie verweerders in reconventie advocaat: mr. H.C. Egger-van Oppen te Vierlingsbeek tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] beiden wonende te [woonplaats] gedaagden in conventie eisers in reconventie advocaat: voorheen mr. M. van Olden, thans mr. S.B. Regtuit, beiden te Nijmegen Partijen worden hierna, in mannelijk enkelvoud, [eisers] en [gedaagden] genoemd. 1De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 29 juni 2022 - het proces-verbaal van descente en mondelinge behandeling van 14 oktober 2022. 1.2 Daarna is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1 Partijen zijn elkaars buren. De percelen van [gedaagden] liggen ten oosten en ten noorden van het perceel van [eisers] . De erven van partijen worden feitelijk van elkaar gescheiden door een lange sloot, die vanaf de openbare weg zuid-noord verloopt. Vandaar verloopt de grens oost-west en worden de erven van partijen van elkaar gescheiden door een afrastering. 2.2 In 2018 en 2019 hebben partijen voor deze rechtbank geprocedeerd over, voor zoveel thans van belang, de loop van de grens bij de sloot en over beplantingen van [eisers] bij de noordgrens van zijn perceel (zaak NL17.11429). In het eindvonnis van 15 juli 2019 is onder meer het volgende overwogen: “2.2 De eigendomskwestie in geding betreft het gebied ten noorden van de tweede ijzeren buis (zie het tussenvonnis, 2.6 onder c), daar waar de kadastrale eigendom van [eisers] ‘aan land gaat’ bij [gedaagden] . Uit de afgelegde getuigenverklaringen volgt dat [eisers] noch zijn rechtsvoorganger [rechtsvoorganger eisers] met dat gebied, voor zover het ligt ten oosten van de sloot, enige bemoeienis hebben gehad. Ook om de sloot zelf bekommerden zij zich daar niet. [gedaagden] heeft daarentegen de sloot daar wel enigszins onderhouden en ook aan de zijde van [eisers] er een hekje tegen geplaatst. Dat laatste is gebeurd voordat [rechtsvoorganger eisers] perceel [perceelnummer] verkreeg, te weten ergens in de jaren ’90 van de vorige eeuw. Voor zover er grond van Perceel [perceelnummer] aan de overzijde van de sloot bij [gedaagden] in gebruik was, sloot dat gebruik aan bij het gebruik van de rest van zijn erf. [gedaagden] maaide het gras en liet zijn dieren erop lopen. De betwiste grond vormde één geheel met zijn erf. 2.3 [gedaagden] beheerde dat gebied dus, water en land tezamen. Uit de afgelegde verklaringen volgt dat hij dat alléén deed en ook niet met goedvinden of gedogen van de kadastraal eigenaar. Alleen met [rechtsvoorganger eisers] is er een keer contact over geweest, waarbij [rechtsvoorganger eisers] zich op het standpunt stelde dat het zijn grond was. Niettemin is het gebruik door [gedaagden] toen met een beroep op verjaring - en in zoverre heeft de door [eisers] gestelde erkenning van de juistheid van de kadastrale grens door [gedaagden] in 1997/1998 dus geen relevante betekenis - gecontinueerd. De rechtbank kan er weinig anders van maken dan dat [gedaagden] zich gedurende die tijd, dat wil zeggen in ieder geval vanaf 12 september 1997 (de verkrijging van perceel [perceelnummer] door [rechtsvoorganger eisers] ) tot 25 oktober 2017 (het indienen van de procesinleiding) naar verkeersopvatting als bezitter van grond en water binnen het genoemde gebied, en in ieder geval tot op de helft van de sloot (de eigendomspretentie van [gedaagden] strekte zich althans niet verder uit), heeft gedragen. Naar haar aard is bezit van (grond onder) water anders en minder intensief dan dat van grond boven de waterspiegel maar dat maakt niet dat het een geen bezit zou kunnen zijn en het ander wel. Aldus is voor de omvang van het bezit in dit geval niet van belang of binnen de genoemde periode sprake is geweest van landaanwinst. Dat vond immers - als dat inderdaad is gebeurd - allemaal plaats binnen de bezeten ruimte. Overigens is uit de afgelegde verklaringen niet af te leiden dat de sloot binnen de genoemde periode dusdanig zou zijn opgeschoven in de richting van het erf van [eisers] dat de duur van het voor het petitum relevante bezit voor bepaalde gedeelten onder de twintig jaar zou zijn komen te liggen. 2.4 Uit het voorgaande volgt dat [gedaagden] door verjaring de eigendom heeft verkregen van een deel van perceel [perceelnummer] , in ieder geval op 24 oktober 2017 en in ieder geval, met inachtneming van de vordering, van de grond daarvan voor zover deze ligt ten oosten van de sloot. Uit de verklaring van de rechtsvoorgangster van [gedaagden] , [rechtsvoorganger gedaagden] , volgt dat ook zij zich vanaf haar verkrijging in 1976 op het standpunt stelde dat de grens in het midden van de sloot liep en dat de rechtsvoorgangster van [rechtsvoorganger eisers] , de familie [familienaam] daarover hetzelfde dacht: “Wij vonden het allemaal goed en ieder hield zijn eigen gedeelte schoon”. Daaruit moet worden afgeleid dat geen onrechtmatige occupatie van de betwiste grond door [gedaagden] heeft plaatsgevonden. Het was een situatie waarin [gedaagden] in 1986 terecht kwam. Voor teruglevering op grond van onrechtmatige daad is dus ook geen plaats. De tegenvordering onder a zal worden toegewezen en de vordering onder a afgewezen. 2.5 De toewijzing van de tegenvordering onder a betekent dat de juridische grens tussen de percelen van partijen ten noorden van het punt waar perceel [perceelnummer] bij [gedaagden] ‘aan land gaat’ (hierna ook te noemen: het noordelijke gedeelte) de oeverlijn volgt aan de zijde van [gedaagden] . Het Kadaster is gehouden ambtshalve deze nieuwe situatie te verwerken. Inschrijving van dit vonnis in de openbare registers zal dit proces bespoedigen. Het is niet nodig [eisers] tot medewerking aan het een of het ander te veroordelen. De tegenvordering onder b zal dus worden afgewezen. 2.6 Bij toewijzing van de tegenvordering onder a loopt de juridische grens dus niet in het midden van de sloot en behoort de sloot ter plaatse van het noordelijke gedeelte dus geheel toe aan [eisers] . [gedaagden] heeft immers niet gevorderd voor recht te verklaren dat hij in het noordelijke gedeelte tot het midden van de sloot door verjaring eigenaar is geworden. Dat betekent dat [eisers] dan als enige het onderhoud heeft van de sloot aldaar. Tijdens de descente bevond zich veel bladafval ter plaatse. Wellicht door [eisers] gesteld maar door [gedaagden] gemotiveerd (de hoge bomen die daar staan zijn van [eisers] ) weersproken en overigens onvoldoende gebleken is dat dit bladafval van [gedaagden] afkomstig is. Voor zover de vordering onder e de verwijdering daarvan beoogt moet deze daarom worden afgewezen. 2.7 Ter wille van de juiste kadastrale verwerking van de nieuwe grens is het noodzakelijk dat dit vonnis voldoende objectieve aanknopingspunten daartoe biedt. De rechtbank verwijst daarvoor naar de foto’s, die tijdens de descente zijn gemaakt. Het gaat om de foto’s 8, 9, 10 en 11 uit het proces-verbaal. De op die foto’s zichtbare oeverlijn is maatgevend. Die foto’s bieden echter waarschijnlijk niet een compleet beeld. Partijen wordt daarom in overweging gegeven om het Kadaster te zijner tijd rechte lijnen in de sloot aan te wijzen, die uiteindelijk aansluiten enerzijds op het witte piketpaaltje op foto 8 midden in de sloot en anderzijds op het midden van de duiker aan het einde van de sloot (en vandaar moet dan nog een rechte lijn worden getrokken naar het eerste afrasteringspaaltje van de achtergrens). Artikel 5:59 BW wordt dan op de gehele sloot van toepassing. 2.8 De tegenvordering onder c zal worden afgewezen. Naar aanleiding van het verweer van [eisers] dat de afscheiding aan de achtergrens ten dele te dicht bij de woning van [eisers] staat en dat er zich dus nauwelijks beplanting binnen de verboden zone bevindt heeft [gedaagden] daar te weinig concreet op gereageerd. In het bijzonder is het de rechtbank niet duidelijk geworden welke beplanting - met inachtneming van de grens op acht meter uit de gevel - te dicht bij hun erf staat. [eisers] heeft er bovendien een beroep op gedaan dat hun twee knotwilgen er al meer dan twintig jaar staan. Ook dat is onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat de rechtbank aanneemt dat de verwijdering van deze bomen niet meer kan worden gevorderd.” 2.3 Het vonnis is onherroepelijk geworden. Het is niet ingeschreven in de openbare registers. Enige tijd daarna heeft [gedaagden] een afrastering gemaakt onmiddellijk naast de oeverlijn van het door hem door verjaring verkregen stukje land. Voorts heeft hij vanaf het einde van die afrastering een verbinding gemaakt van afrastering met het eerste afrasteringspaaltje van de achtergrens (de feitelijke grens aan de noordzijde van het perceel van [eisers] ). Die verbinding loopt thans ongeveer ter hoogte van het einde van de sloot (zie de foto’s 2 en 3 bij het proces-verbaal van descente en mondelinge behandeling van 14 oktober 2022). 3Het geschil en de vordering in conventie 3.1 [eisers] stelt dat [gedaagden] door het maken van de onder 2.3 bedoelde verbinding het laatste stukje van de sloot heeft overbrugd ( [eisers] heeft het hierbij over “het poeletje” achter de afrastering, dat inmiddels als land is aangewassen bij het erf van [gedaagden] ). Hij stelt voorts dat de rechtbank in het genoemde eindvonnis heeft overwogen dat de sloot ter plaatse van het noordelijke gedeelte geheel aan [eisers] toebehoort en dat [gedaagden] met die verbinding dus inbreuk maakt op het eigendomsrecht van [eisers] . 3.2 [eisers] vordert daarom, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van [gedaagden] tot verwijdering van de verbindingsafrastering en het herstel van het poeletje aan het einde van de sloot in de oorspronkelijke staat, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag dat [gedaagden] niet aan het vonnis voldoet en met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten. 3.3 [gedaagden] voert gemotiveerd verweer. Hij betoogt dat de rechtbank in het eindvonnis van 15 juli 2019 geen beslissing heeft gegeven over de eigendom ten noorden van de noordelijke oost-westgrens en dat de eigendom van dat stukje grond ook helemaal niet in geschil was. 4Het geschil en de vorderingen in reconventie 4.1 [gedaagden] stelt in de eerste plaats dat [eisers] op twee tijdstippen, op of rond 11 mei 2020 en op 22 maart 2022, in de sloot aan de oever van [gedaagden] grond heeft weggegraven en deze aan [eisers] ’ eigen zijde heeft gedeponeerd en daarmee de sloot heeft ‘verlegd’. Volgens [gedaagden] heeft [eisers] daarmee inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [gedaagden] . [gedaagden] wil herstel van de loop van de sloot en een verbod op het afgraven van zijn oever. 4.2 Voorts stelt [gedaagden] dat [eisers] geen enkel onderhoud pleegt aan de sloot en dat hij zulk onderhoud van hem mag verwachten voor zover de sloot mandelig is, zodat hij een daartoe strekkende vordering instelt. 4.3 Daarnaast woekeren er bramenstruiken over de sloot heen en is er veel overhangend groen over de sloot heen, afkomstig van het perceel van [eisers] . [gedaagden] wil dat [eisers] die struiken en overhangend groen verwijdert en verwijderd houdt. 4.4 Verder wenst [gedaagden] dat [eisers] enkele bomen en struiken aan zijn noordgrens (gespecificeerd in productie 9), die daar volgens hem staan in strijd met artikel 5:42 BW, verwijdert. Hetzelfde geldt voor een vlier en ‘diverse opschot’ aan de overkant van de sloot ter hoogte van de knik (gespecificeerd in productie 10). Tenslotte wil [gedaagden] de verwijdering van enkele taxusstruiken aan de noordzijde van het perceel van [eisers] , nu het eten daarvan dodelijk is voor de geiten van [gedaagden] . 4.5 Op grond van het bovenstaande vordert [gedaagden] dat de rechtbank, bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eisers] hoofdelijk, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag dat [eisers] niet aan het vonnis voldoet en met veroordeling van [eisers] in de proceskosten: A. zal veroordelen een strook van 30 cm van de oever van de sloot aan de zijde van [eisers] af te graven en deze grond aan de zijde van [gedaagden] te deponeren, zulks binnen 30 dagen na betekening van het ten deze te wijze vonnis; B. zal verbieden wijzigingen aan te brengen aan de oever van de sloot aan de zijde van [gedaagden] ; C. zal veroordelen de sloot te onderhouden door het per 1 januari van ieder jaar uitdiepen ervan; D. zal veroordelen tot het verwijderen en verwijderd houden van beplanting, waaronder bramenstruiken en andere overhangende beplanting, die naar het erf van [gedaagden] woekert, zulks binnen 30 dagen na betekening van het ten deze te wijze vonnis; E. zal veroordelen tot het verwijderen van de bomen, heesters en heggen als aangeduid op de producties 9 en 10, zulks binnen 30 dagen na betekening van het ten deze te wijze vonnis. F. zal veroordelen de taxusstruiken die zich bevinden in de nabijheid van het erf van [gedaagden] te verwijderen, zulks binnen 30 dagen na betekening van het ten deze te wijze vonnis. 4.6 [eisers] voert gemotiveerd verweer, dat, voor zoveel nodig, hierna nog aan de orde zal komen. 5De beoordeling in conventie 5.1 [gedaagden] voert tegen de eis terecht aan dat de rechtbank in het eindvonnis van 15 juli 2019 geen beslissing heeft genomen over de grond ten noorden van de kadastrale grens aan de noordzijde van het perceel van [eisers] . Daar ging het geschil van partijen immers niet over. De overwegingen van de rechtbank over de eigendom van de sloot betreffen de sloot voor zover gelegen ter hoogte van het door [gedaagden] door verjaring verkregen gedeelte van het perceel van [eisers] , dus tussen het punt waar het perceel van [eisers] ‘aan land gaat’ en de noordelijke kadastrale oost-westgrens. Eerst heeft de rechtbank overwegingen opgenomen over het voor verjaring vereiste bezit en geconstateerd dat dat bezit zich daar verder uitstrekt dan tot het gedeelte van het perceel van [eisers] dat bij [gedaagden] ‘aan land is gegaan’, namelijk tot het midden van de sloot. Daar worden in de beslissing en het dictum echter geen gevolgen aan verbonden, nu [gedaagden] alleen een verklaring voor recht had gevorderd voor het gedeelte van het perceel van [eisers] dat bij [gedaagden] ‘aan land was gegaan’. De sloot ter plaatse van dat gedeelte bleef dus volledig eigendom van [eisers] . Dat – en niets meer – heeft de rechtbank beoogd tot uitdrukking te brengen in ro. 2.6 van het eindvonnis. Dat de sloot zich destijds in feite nog iets verder uitstrekte ten noorden van dat gedeelte, namelijk op het onomstreden kadastrale perceel van [gedaagden] , waarvan [gedaagden] – uiteraard – eigenaar is gebleven, maakt het voorgaande niet anders. 5.2 De vordering moet daarom worden afgewezen. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. 5.3 Door inschrijving van het genoemde vonnis in de openbare registers (zie ro. 2.5 van het eindvonnis) zal het kadaster, in het kader van zijn verplichting tot bijwerking/bijhouding van de kadastrale gegevens, de nieuwe juridische grens daarin verwerken overeenkomstig de regels uit het Kadasterbesluit. Die nieuwe juridische grens volgt de oeverlijn vanaf het punt waar het perceel van [eisers] bij [gedaagden] ‘aan land gaat’ tot het punt waar de oever de noordelijke kadastrale oost-westgrens kruist. In het eindvonnis heeft de rechtbank ten behoeve van de kadastrale verwerking van de nieuwe eigendomsgrens onder 2.7 het volgende overwogen: “Ter wille van de juiste kadastrale verwerking van de nieuwe grens is het noodzakelijk dat dit vonnis voldoende objectieve aanknopingspunten daartoe biedt. De rechtbank verwijst daarvoor naar de foto’s, die tijdens de descente zijn gemaakt. Het gaat om de foto’s 8, 9, 10 en 11 uit het proces-verbaal. De op die foto’s zichtbare oeverlijn is maatgevend. Die foto’s bieden echter waarschijnlijk niet een compleet beeld.” Dat het beeld vermoedelijk niet compleet is volgens de foto’s komt omdat daaruit de oeverlijn niet exact te herleiden is. De rechtbank kon en kan daarover in het kader van de vorige en deze procedure geen verdere duidelijkheid geven. 5.4 Voor het overige zal de kadastrale grens niet veranderen. Waar het perceel van [eisers] precies ‘aan land komt’ is dus aan de hand van de bestaande kadastrale reconstructie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.