RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/291365-19 Datum uitspraak : 27 februari 2023 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1989 in Tiel, wonende aan de [adres] in ( [postcode] ) Tiel. Raadsman: mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat in Maastricht. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
- hij in of omstreeks de periode van 1 april 2016 tot en met 30 april 2016 te Tiel, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten - door zich ongevraagd naar de woning van [slachtoffer] te begeven, - die [slachtoffer] op te tillen en/of naar boven te tillen, - die [slachtoffer] op bed te gooien, - ( vervolgens) bovenop haar te gaan liggen, - haar op haar rug te duwen en/of - waarbij verdachte een of meermalen voorbij is gegaan aan het verbale en/of non-verbale verzet van die [slachtoffer] , [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het brengen van zijn penis in haar vagina;
- hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 augustus 2017 te Tiel, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten - door voorbij te gaan aan (eerdere) signalen van verzet en/of weerstand van [slachtoffer] en/of - door die [slachtoffer] op onverhoedse wijze te benaderen, heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het betasten van haar borsten en/of vagina en/of billen en/of het losmaken van haar bh; 2De standpunten De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 en dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit
- De verdediging heeft voor integrale vrijspraak gepleit. 3Overwegingen ten aanzien van het bewijs De rechtbank overweegt dat veel zedenzaken in het algemeen worden gekenmerkt door het feit dat slechts twee personen aanwezig waren bij de (beweerdelijke) seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Dit maakt dat extra zorgvuldig naar de waardering van de afgelegde verklaringen moet worden gekeken, zeker als het een ontkennende verdachte betreft. De rechtbank stelt voorop dat de verklaring van [slachtoffer] niet op voorhand onbetrouwbaar is. Op enkele details is de verklaring inconsistent. Dat betekent echter niet, mede gelet op het tijdsverloop van meerdere jaren, dat de verklaring innerlijk tegenstrijdig en dus onbetrouwbaar is. De rechtbank overweegt dat naast de verklaring van [slachtoffer] een ontkennende verklaring van verdachte ligt die even zwaar weegt. Voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde is dus naast de aangifte van [slachtoffer] bewijs nodig dat steun biedt aan die aangifte. De rechtbank is van oordeel dat in het dossier geen ondersteunend bewijs aanwezig is dat [slachtoffer] in de periode van 1 april 2016 tot en met 30 april 2016 verkracht zou zijn door verdachte. Feit 1 kan dus niet worden bewezen. De rechtbank is verder van oordeel dat in het dossier onvoldoende ondersteunend bewijs aanwezig is dat verdachte [slachtoffer] in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 augustus 2017 zou hebben aangerand. Getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard dat verdachte aan de borsten, billen en vagina van [slachtoffer] zou hebben gezeten en dat [slachtoffer] dat niet wilde. Daargelaten de omstandigheid dat het hier geen objectieve getuigen betreft en de politie nauwelijks tot niet heeft doorgevraagd op hetgeen de getuigen hebben verklaard, blijkt uit deze verklaringen niet met welke andere feitelijkheden verdachte [slachtoffer] gedwongen zou hebben tot het dulden van ontuchtige handelingen. Daarnaast blijkt uit deze verklaringen niet in welke periode deze ontuchtige handelingen plaats hebben gevonden. Ook blijkt hieruit niet dat verdachte [slachtoffer] onverhoeds zou aanraken. Feit 2 kan dus ook niet worden bewezen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte van beide feiten vrijspreken. 4De beoordeling van de civiele vordering De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met de feiten een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 5.000 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. 5De beslissing De rechtbank: spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde; verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering. Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.L. Heldens (voorzitter), mr. Y. van Wezel en mr. M. Hoedeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Buscop, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 februari
- mr. M. Hoedeman is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen