RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 21/4166 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [Eiser A] en [Eiseres B] , uit [plaats C] , eisers (gemachtigde: mr. M. Horseling) en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Neder-Betuwe (het college) (gemachtigden: A. de Zeeuw en M. van Dijke). Als derde-partij neemt aan deze zaak deel: [D], handelend in zijn hoedanigheid als vennoot van de vennootschap onder firma “Grondverzetbedrijf [E] ” uit [plaats C] (het grondverzetbedrijf) (gemachtigde: S. van Westreenen). Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de gedeeltelijke afwijzing van hun handhavingsverzoek. Op 25 juli 2019 hebben eisers het college verzocht om handhavend op te treden. Het college heeft het handhavingsverzoek in eerste instantie afgewezen op 20 december 2019 (het primaire besluit). Met het besluit van 29 juli 2021 op het bezwaar van eisers heeft het college alsnog handhavend opgetreden ten aanzien van het parkeren van een vrachtwagen en de afwijzing voor de rest in stand gelaten. Het besluit om alsnog te handhaven was gevoegd bij de beslissing op bezwaar, maar in verband met een fout in de systemen van het college later, op 21 oktober 2021, verzonden. Het besluit van 29 juli 2021 vormt samen met het besluit van 21 oktober 2021 het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers met hun gemachtigde en de gemachtigden van het college. De derde-partij is niet verschenen. Totstandkoming van het besluit Eisers wonen aan [het adres F] in [plaats C] . Naast hun perceel is het grondverzetbedrijf gevestigd aan [het adres G] . Op het perceel van het grondverzetbedrijf geldt het Wijzigingsplan “ [het adres G] te [plaats C] ”. Het perceel heeft – voor zover relevant - een bedrijfsbestemming met een functieaanduiding “specifieke vorm van bedrijf – opslag grondverzetbedrijf” en voor het westelijke gedeelte van het perceel geldt daarbij de functieaanduiding “specifieke vorm van agrarisch – niet bedrijfsmatig”. Aan de achterzijde van het perceel, in de noordwestelijke hoek, ligt een strook met de functieaanduiding “specifieke vorm van bedrijf – stalling vrachtwagen.” Partijen verschillen van mening over de werkzaamheden en het gebruik dat mag plaatsvinden binnen deze bestemming. Op 25 juli 2019 hebben eisers het college verzocht om handhavend op te treden ten aanzien van het gebruik van het volledige perceel voor het grondverzetbedrijf. Het college heeft dit verzoek op 20 december 2019 afgewezen. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing. Het college heeft in het bestreden besluit alsnog handhavend opgetreden ten aanzien van het parkeren van een vrachtwagen buiten de daarvoor bestemde strook, en de afwijzing voor het overige in stand gelaten. Het handhavingsbesluit maakt deel uit van de beslissing op bezwaar, maar is later – op 21 oktober 2021 – verzonden. Het verzoek om handhavend optreden is gedeeltelijk afgewezen, omdat het college tijdens diverse controles niet heeft geconstateerd dat bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden op het deel van het perceel dat op grond van het bestemmingsplan niet bedrijfsmatig mag worden gebruikt. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar, omdat die naar hun mening niet ver genoeg gaat. Het college heeft later, op 9 en 26 augustus 2022, invorderingsbesluiten genomen, maar daartegen zijn geen gronden gericht. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank beoordeelt de (gedeeltelijke) afwijzing van het handhavingsverzoek. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers. De besluiten tot invordering maken geen deel uit van deze procedure, omdat eisers die niet hebben bestreden. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De rechtbank zal daarbij eerst ingaan op de vraag of het college het verzoek om handhaving heeft kunnen afwijzen voor zover het gaat om het vermeende bedrijfsmatige gebruik van het perceel. Daarna gaat de rechtbank in op de beroepsgronden die zijn gericht tegen de opgelegde last onder dwangsom ten aanzien van het parkeren van de vrachtwagen. Zorgvuldigheid: rapporten toezichthouder representatief? 1.1. Eisers stellen dat de rapporten van de toezichthouder niet representatief zijn, omdat de controles alleen in de ochtenden en winter hebben plaatsgevonden en het dan relatief rustig is bij het grondverzetbedrijf. Zij hebben dit eerder ook al in bezwaar naar voren gebracht. 1.2. In het advies van de commissie bezwaarschriften, waarvan de motivering is overgenomen in de beslissing op bezwaar, staat: “de commissie constateert dat er controlerapporten bij het dossier zijn gevoegd van 22 november 2019, 29 november 2019, 5 december 2019, 9 december 2019, 14 december 2020 en 4 mei 2021. (…) De commissie overweegt dat er in de periode van november 2019 tot en met mei 2021 zes maal een onaangekondigde controle heeft plaatsgevonden. Over een geruime periode zijn diverse controles uitgevoerd. Daarbij zijn feitelijk geen overtredingen vastgesteld. De commissie is van mening dat het aantal uitgevoerde controles, verspreid over verschillende jaren, voldoende informatie oplevert om een beeld te vormen wat ter plekke gebeurt en om hier een zorgvuldig gemotiveerd besluit op te kunnen baseren. De commissie volgt bezwaarmakers niet in hun standpunt dat meerdere controles zouden moeten worden uitgevoerd op verschillende tijdstippen, immers; tijdens de diverse controles zijn tot op heden feitelijk geen overtredingen vastgesteld.” 1.3. Hoewel niet in elke zaak van een bestuursorgaan wordt verwacht dat het naar aanleiding van een handhavingsverzoek elke dag controleert, is wel vereist dat het aantal controles representatief is en dat de wijze van toezichthouden die door een bestuursorgaan wordt gekozen, deugdelijk is. 1.4. Aan het handhavingsbesluit liggen de controles ten grondslag van 22 november 2019 (van 11.10-12.30 uur), 29 november 2019 (van 10-11.45 uur), 5 december 2019 (van 9.30-11.00 uur), 9 december 2019 (10.45-11.30 uur) en 4 mei 2021 (omstreeks 6.45 uur). 1.5. Uit deze gegevens blijkt dat er weliswaar meerdere controles op verschillende dagen hebben plaatsgevonden, maar ook dat al deze controles in de ochtenden waren. Eisers hebben zowel in bezwaar, als in beroep en op de zitting aangevoerd dat het bij het grondverzetbedrijf juist in de ochtenden rustig is, omdat de vrachtwagens meestal tegen de ochtend vertrekken en pas in de namiddag terugkeren. Het college heeft dit niet betwist. Het college heeft in het bestreden besluit niet onderbouwd waarom de controles niet op andere momenten hebben plaatsgevonden en op de zitting verklaard dat ook niet is overwogen om de controles op andere momenten te laten plaatsvinden. Dat in het kader van invordering later wel controles in de avonden hebben plaatsgevonden, is naar het oordeel van de rechtbank geen reden om te oordelen dat de controles wel representatief zijn. Deze zaak gaat namelijk niet over invordering, maar over de vraag of op het perceel gebruik in strijd met het bestemmingsplan plaatsvindt. Terzijde merkt de rechtbank op dat controles in het kader van invordering in de avonden wel tot constatering van overtredingen hebben geleid. Dat ondersteunt de stelling van eisers over de werktijden op het perceel. De rechtbank is daarom van oordeel dat de door het college verrichte controles niet representatief zijn geweest en dat het bestreden besluit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek heeft. 1.6. De beroepsgrond slaagt. Dat betekent dat eisers gelijk hebben. Nu deze beroepsgrond van eisers slaagt, hoeft de rechtbank de andere beroepsgronden van eisers, over of er wel of niet meer overtredingen zijn, niet te bespreken, omdat het college een nieuw besluit zal moeten nemen. De rechtbank gaat in de conclusie van deze uitspraak in op de gevolgen daarvan. Formulering last 2.1. Eisers stellen dat in de last had moeten worden geschreven dat er maximaal één vrachtwagen, en niet meer vrachtwagens, mogen worden gestald op de gronden waar dat in het bestemmingsplan is aangeduid. Ter zitting hebben eisers hun beroepsgrond over de onduidelijkheid van de last, over wanneer een dwangsom verbeurt, ingetrokken. 2.2. In het handhavingsbesluit staat “u moet het parkeren/stallen van de vrachtwagencombinatie (…) staken en gestaakt houden met uitzondering van de gronden die daarvoor specifiek bestemd zijn.” (…) “U moet de overtreding beëindigen door het (kort of lang) parkeren/stallen van de vrachtwagencombinatie op uw perceel te staken en gestaakt te houden met uitzondering van de gronden die daarvoor specifiek bestemd zijn.” 2.3. De rechtbank is van oordeel dat uit de last voldoende duidelijk volgt dat er geen vrachtwagencombinaties buiten de bestemde strook mogen worden geparkeerd/gestald. Het college heeft op de zitting ook bevestigd dat de last op die manier moet worden gelezen en dat het stallen van meerdere vrachtwagencombinaties op de daarvoor bestemde strook grond niet mogelijk is, omdat de strook daarvoor te klein is. De beroepsgrond slaagt niet. Hoogte dwangsom / Afwijking beleid 3.1. Eisers stellen dat de dwangsom te laag is en de praktijk uitwijst dat er een onvoldoende prikkel van uitgaat richting derde-partij om de overtreding te beëindigen. Bovendien heeft het college bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom afgeweken van het beleid en is die afwijking onvoldoende gemotiveerd. Het college bagatelliseert de (aard van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.