Rechtbank Gelderland – ECLI:NL:RBGEL:2024:1124
RECHTBANK GELDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: ARN 23/3029 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser en de burgemeester van de gemeente Wijchen (gemachtigden: mr. C. Keller en mr. L.S. van Gemert).
Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de inbeslagname van zijn hond [naam hond].
1.1.
Met het besluit van 22 november 2022 heeft het college besloten om [naam hond] in beslag te nemen. Bij het bestreden besluit van 11 april 2023 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de burgemeester.
Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de burgemeester [naam hond] definitief in beslag mocht nemen. Eerst beoordeelt de rechtbank of eiser bekwaam is om zelf in deze zaak op te treden (onder 3). Daarna beschrijft de rechtbank wat er is gebeurd (onder 4). Vervolgens beoordeelt de rechtbank of het college bevoegd was om het bestreden besluit te nemen (onder 5). Daarna beoordeelt de rechtbank of er een overtreding is (onder 7) en of [naam hond] definitief in beslag mocht worden genomen (onder 8).
2.1.
De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Dit betekent dat [naam hond] in beslag mocht worden genomen. Het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Bewindvoering 3. De eerste vraag die de rechtbank ambtshalve moet beantwoorden is of eiser bekwaam is om zelf in deze zaak op te treden. De rechtbank stelt namelijk vast dat uit de beschikking van 17 september 2020 van de kantonrechter blijkt dat eiser onder bewind staat voor alle goederen die hem toebehoren. Het geschil gaat over eisers hond [naam hond] en deze valt onder de onderbewindstelling. Eiser is daarom in beginsel in deze zaak onbekwaam om de beroepsprocedure te voeren.
3.1.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of eiser in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen. De rechtbank heeft de bewindvoerder verzocht om zijn visie te geven op de vraag of eiser zelf in deze zaak kan optreden. Deze vraag heeft de bewindvoerder bevestigend beantwoord. Gelet daarop gaat de rechtbank er vanuit dat eiser in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen. Dit betekent dat eiser zelf de beroepsprocedure mag voeren.
Wat is er gebeurd?
4.1.
Op 1 september 2022 is bij [naam hond] een risicoanalyse uitgevoerd door een gedragsdeskundige. De resultaten van deze analyse staan in het rapport van 9 september 2022. De gedragsdeskundige acht de kans zeer groot dat [naam hond] opnieuw een bijtincident veroorzaakt naar volwassenen, kinderen en honden. Dit gedrag is volgens de onderzoeker niet te trainen waardoor [naam hond] niet herplaatsbaar is in de samenleving. De onderzoeker adviseert daarom om [naam hond] te laten euthanaseren. Het college heeft vervolgens op 22 november 2022 besloten tot de definitieve inbeslagname van [naam hond]. Met het bestreden besluit van 11 april 2023 is het college bij dat besluit gebleven. Eiser is het hier niet mee eens.
Wat zijn de regels?
Was het college bevoegd om het bestreden besluit te nemen?
6.1.
De rechtbank kan aan dit gebrek voorbijgaan. Op de zitting is een brief overgelegd van de burgemeester waarin zij toelicht dat zij in de hoedanigheid van voorzitter van het college betrokken is geweest bij het onbevoegd genomen besluit van 22 november 2022 en achter dit besluit staat. Omdat het bestreden besluit gelijk is aan het besluit van 22 november 2022 en op de zitting is toegelicht dat de burgemeester achter het bestreden besluit staat, gaat de rechtbank ervan uit dat de overgelegde brief van de burgemeester ook ziet op het bestreden besluit. Verder is niet gebleken dat eiser door het gebrek is benadeeld. Daarom passeert de rechtbank het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat de rechtbank aan dit gebrek geen gevolgen zal verbinden en de zaak inhoudelijk zal beoordelen.
Is er sprake van een overtreding?
Mocht [naam hond] in beslag worden genomen?
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester [naam hond] in beslag mocht nemen. De rechtbank heeft geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de risicoanalyse. Het rapport van 9 september 2022 maakt inzichtelijk hoe de gedragsdeskundige tot haar conclusies en aanbevelingen is gekomen. Daarnaast heeft de burgemeester de gedragsdeskundige in beroep gevraagd om [naam hond] opnieuw te onderzoeken. De gedragsdeskundige heeft [naam hond] niet opnieuw kunnen onderzoeken omdat niet voor haar veiligheid en die van de opslaghouder kon worden ingestaan. De opslaghouder van [naam hond] heeft verder laten weten dat [naam hond] geen verbetering in zijn gedrag laat zien. Zodra [naam hond] de kans krijgt, probeert hij zowel mensen als andere honden te pakken. Uit de toelichtingen van de gedragsdeskundige en de opslaghouder blijkt dat het gedrag van [naam hond] niet is veranderd. De conclusies van de risicoanalyse komen dus ook overeen met de latere toelichtingen van de gedragsdeskundige en de opslaghouder.Eiser heeft op zitting gezegd dat het onzorgvuldig is dat dezelfde gedragsdeskundige is gevraagd om opnieuw een risicoanalyse uit te voeren. Dit volgt de rechtbank niet. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de gedragsdeskundige niet objectief is. Daarbij komt dat eiser ook geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een second opinion uit te laten voeren.
Wat gebeurt er nu met [naam hond]?
Conclusie en gevolgen 10. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Dit betekent dat [naam hond] in beslag mocht worden genomen. Het beroep is daarom ongegrond.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr.L. Janssen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op: griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Gelet op artikel 3:2a BW zijn dieren geen zaken, maar zijn de wettelijke bepalingen die op zaken zien ook van toepassing op dieren.
Artikel 8:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet.
Overeenkomstig artikel 5:29, derde lid, van de Awb.
Op grond van de artikelen 5:29 en 5:30 van de Awb.
ABRvS 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1389.
Op grond van artikel 125, derde lid, van de Gemeentewet.
Met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.