RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: 10355605 \ CV EXPL 23-1466 Vonnis van 6 maart 2024 in de zaak van 1 [eiser 1] , wonende te [woonplaats] ,2. [eiser 2], wonende te [woonplaats] ,3. [eiser 3], te [woonplaats] ,4. [eiser 4], wonende te [woonplaats] ,5. [eiser 5], wonende te [woonplaats] ,6. [eiser 6], wonende te [woonplaats] ,7. [eiser 7], wonende te [woonplaats] ,8. [eiser 8], wonende te [woonplaats] ,9. [eiser 9], wonende te [woonplaats] ,10. [eiser 10], wonende te [woonplaats] ,11. [eiser 11], wonende te [woonplaats] ,12. [eiser 12], wonende te [woonplaats] ,13. [eiser 13], wonende te [woonplaats] ,14. [eiser 14], wonende te [woonplaats] ,15. [eiser 15], wonende te [woonplaats] ,16. [eiser 16], wonende te [woonplaats] ,17. [eiser 17], wonende te [woonplaats] ,18. [eiser 18], wonende te [woonplaats] ,19. [eiser 19], wonende te [woonplaats] ,20. [eiser 20], wonende te [woonplaats] ,21. [eiser 21], wonende te [woonplaats] ,22. [eiser 22], wonende te [woonplaats] ,23. [eiser 23], wonende te [woonplaats] ,24. [eiser 24], wonende te [woonplaats] ,25. de besloten vennootschap LKV INSTALL B.V., gevestigd te Wadenoijen,26. [eiser 26], wonende te [woonplaats] ,27. [eiser 27], wonende te [woonplaats] ,28. [eiser 28], wonende te [woonplaats] ,29. [eiser 48], wonende te [woonplaats] ,30. [eiser 30], wonende te [woonplaats] , 31. [eiser 31] , wonende te [woonplaats] , 32. [eiser 32] , wonende te [woonplaats] , 33. [eiser 33] , wonende te [woonplaats] , 34. [eiser 34] , wonende te [woonplaats] , 35. [eiser 35] , wonende te [woonplaats] , 36. [eiser 36] , wonende te [woonplaats] , 37. [eiser 37] , wonende te [woonplaats] , 38. [eiser 38] , wonende te [woonplaats] , 39. [eiser 39] . wonende te [woonplaats] , 40. [eiser 40] , wonende te [woonplaats] , 41. [eiser 41] , wonende te [woonplaats] , 42. [eiser 42] , wonende te [woonplaats] , 43. [eiser 43] , wonende te [woonplaats] , 44. [eiser 44] , wonende te [woonplaats] , 45. [eiser 45] , wonende te [woonplaats] , 46. [eiser 46] , wonende te [woonplaats] , 47. [eiser 47] , wonende te [woonplaats] , 48. [eiser 48] , wonende te [woonplaats] , 49. [eiser 49] , wonende te [woonplaats] , 50. [eiser 50] , wonende te [woonplaats] , eisende partijen, hierna samen te noemen: Eisers, gemachtigde: mr. M.P.H. van Wezel, tegen [gedaagde] , te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 26 april 2023 - de akte overlegging productie 2 namens [gedaagde] van 28 augustus 2023. 1.2. Op 28 augustus 2023 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, waarbij beide gemachtigden gebruik hebben gemaakt van spreekaantekeningen, en vragen van de kantonrechter hebben beantwoord. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [gedaagde] is op 23 juni 2022 eigenaar geworden van recreatiepark De Lingebrug. De Lingebrug bestaat uit 72 kavels, die hoofdzakelijk verhuurd worden aan eigenaren van de op de kavels geplaatste recreatiewoningen. [gedaagde] is de verhuurder van de kavels. 2.2. Eisers huren een vaste staanplaats op De Lingebrug. Het merendeel van hen bewoont hun daarop geplaatste recreatiewoning permanent. 2.3. Eisers hebben op verschillende momenten in het verleden hun huurovereenkomsten voor de standplaats afgesloten. In deze overeenkomsten is aan Eisers het recht verleend om voor recreatieve doeleinden een kampeermiddel te plaatsen op een door (een rechtsvoorganger van) [gedaagde] aangewezen plaats. Daarnaast wordt in de overeenkomst het staangeld en, indien niet in het staangeld begrepen, de kosten voor het gebruik van onder meer water, gas en elektra bepaald. 2.4. Op de te onderscheiden huurovereenkomsten van Eisers zijn algemene voorwaarden van toepassing. Dat zijn de Lingebrug voorwaarden of de RECRON voorwaarden 2003 of 2008. In deze voorwaarden is, voor zover hier relevant, het volgende opgenomen: Lingebrug voorwaarden: Artikel 2. Inhoud overeenkomst 1.De ondernemer stelt voor recreatieve doeleinden, dus niet voor permanente bewoning, aan de recreant de overeengekomen plaats ter beschikking; laatstgenoemde krijgt daarmee het recht daarop een kampeermiddel van het overeengekomen type voor de aangegeven personen te plaatsen. Artikel 3: Duur en afloop van de overeenkomst 1. De overeenkomst wordt voor de eerste maal aangegaan voor de duur van één jaar. De overeenkomst die lopende het jaar wordt afgesloten wordt aangegaan voor het resterende deel van dat jaar en loopt tot het einde van het op het bedrijf gebruikelijke overeenkomstenjaar. Zij wordt na afloop daarvan telkens automatisch voor één jaar verlengd door de dan geldende voorwaarden. 2. Partijen kunnen bij het aangaan van de overeenkomst ook bepalen dat de overeenkomst op een bepaalde datum van rechtswege zal eindigen. Artikel 4: Prijs en prijswijziging 1. Het jaargeld wordt overeengekomen op basis van de op dat moment geldende tarieven, welke door de ondernemer zijn vastgesteld. (…) 4. De ondernemer maakt jaarlijks minimaal één maand voor het einde van het overeenkomstjaar aan de recreant schriftelijk bekend wat het jaargeld voor het komende jaar is. De ondernemer heeft eenmaal per jaar het recht het jaargeld te verhogen. Indien de basisprijs aanmerkelijk wordt verhoogd (meer dan 50%) geldt een aankondigtermijn van vierentwintig maanden en dient de ondernemer de aanmerkelijke verhoging globaal te motiveren. Artikel 10: Beëindiging overeenkomst 1. Indien de recreant geen verlenging van de overeenkomst wenst, moet hij uiterlijk een maand voor afloop van de lopende contractperiode schriftelijk opzeggen. RECRON voorwaarden 2003 en 2008: Artikel 2: Inhoud overeenkomst 1. De ondernemer stelt voor recreatieve doeleinden, dus niet voor permanente bewoning, aan de recreant de overeengekomen plaats ter beschikking, laatstgenoemde krijgt daarmee het recht om daarop een kampeermiddel van het overeengekomen type voor de aangegeven personen te plaatsen. Artikel 3: Duur en afloop van de overeenkomst 1. De overeenkomst wordt voor de eerste maal aangegaan voor de duur van één jaar. De overeenkomst die lopende het jaar wordt afgesloten wordt aangegaan voor het resterende deel van dat jaar en loopt tot het einde van het op het bedrijf gebruikelijke overeenkomstenjaar. Zij wordt na afloop daarvan telkens automatisch voor één jaar verlengd door de dan geldende voorwaarden. 2. Partijen kunnen bij het aangaan van de overeenkomst ook bepalen dat de overeenkomst op een bepaalde datum van rechtswege zal eindigen. Artikel 4: Prijs en prijswijziging 1. Het jaargeld wordt overeengekomen op basis van de op dat moment geldende tarieven, welke door de ondernemer zijn vastgesteld. (…) 5. De ondernemer maakt jaarlijks drie maanden voor het einde van het overeenkomstjaar aan de recreant schriftelijk bekend wat het jaargeld voor het komende jaar is. De ondernemer heeft eenmaal per jaar het recht het jaargeld te verhogen. Indien de basisprijs aanmerkelijk wordt verhoogd, geldt een aankondigingtermijn van vierentwintig maanden en dient de ondernemer de aanmerkelijke verhoging globaal te motiveren. Artikel 10: Beëindiging overeenkomst 1. Indien de recreant geen verlenging van de overeenkomst wenst, moet hij uiterlijk twee maanden voor afloop van de lopende contractperiode schriftelijk opzeggen. 2.5. Per e-mail van 8 oktober 2022 heeft [gedaagde] aangekondigd dat de huurprijs van de staanplaatsen vanaf 2023 op € 3.900,00 gesteld zou worden. De aangekondigde huurverhoging hield voor alle Eisers – behalve 3 en 47 – een stijging van het jaargeld in van € 3.055,00 naar € 3.900,00. Deze verhoging komt neer op een bedrag van € 70,42 per maand. [gedaagde] heeft in dat kader verwezen naar artikel 4 van de hiervoor weergegeven algemene voorwaarden. 2.6. Per brief van 11 november 2022 hebben Eisers, via hun gezamenlijke gemachtigde, het beding uit de in 2.4 geciteerde artikelen 4 van de Lingebrug voorwaarden en de RECRON voorwaarden 2003 en 2008 vernietigd op grond waarvan [gedaagde] het recht heeft het jaargeld eens per jaar te verhogen. 2.7. Per brief van 15 november 2022 heeft de gemachtigde van [gedaagde] gereageerd. Kort gezegd is aangegeven dat [gedaagde] het standpunt van Eisers niet deelt. [gedaagde] wijst hen op de verplichting om de huurprijs tijdig en volledig te betalen. 2.8. Onder protest hebben Eisers de huurprijs voldaan en op 7 februari 2023 hebben zij [gedaagde] gesommeerd het betaalde bedrag aan huurverhoging terug te betalen. 2.9. [gedaagde] heeft aan voornoemde sommatie geen gehoor gegeven, waarna Eisers deze procedure zijn gestart. 3Het geschil 3.1. Eisers vorderen dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, a. voor recht zal verklaren dat Eisers het huurprijswijzigingsbeding uit artikel 4 van De Lingebrug voorwaarden en de RECRON voorwaarden 2003 en 2008 rechtsgeldig hebben vernietigd, althans voormelde huurprijswijzigingsbedingen zal vernietigen, en (voor het geval het huurprijswijzigingsbeding uit artikel 4 RECRON voorwaarden 2003 en 2008 niet wordt c.q. is vernietigd) voor recht zal verklaren dat de huurprijswijziging aan eisers die huren op grond van de RECRON voorwaarden 2003 en 2008 niet rechtsgeldig is verricht omdat niet de termijn van vierentwintig maanden in acht is genomen; b. [gedaagde] zal veroordelen om te voldoen aan: - [eiser 50] , eiser sub 1, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 2] , eiser sub 2, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 3] , eiser sub 3, een bedrag van € 25,00 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 4] , eiser sub 4, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 5] en [eiser 6] , eisers sub 5 en 6, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 7] en [eiser 7] , eisers sub 7 en 8, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 9] , eiser sub 9, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 10] en [eiser 10] , eisers sub 10 en 11, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 12] en [eiser 13] , eisers sub 12 en 13, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 14] , eiser sub 14, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 15] , eiser sub 15, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 16] en [eiser 17] , eisers sub 16 en 17, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 18] , eiser sub 18, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 19] en [eiser 20] , eisers sub 19 en 20, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 21] , eiser sub 21, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 22] , eiser sub 22, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 23] , eiser sub 23, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 24] , eiser sub 24, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - LKV Install, eiser sub 25, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 26] en [eiser 27] , eisers sub 26 en 27, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 28] en [eiser 29] , eisers sub 28 en 29, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 30] en [eiser 31] , eisers sub 30 en 31, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 32] , eiser sub 32, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 33] en [eiser 34] , eisers sub 33 en 34, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 35] , eiser sub 35, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 36] en [eiser 37] , eisers sub 36 en 37, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 38] , eiser sub 38, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 39] , eiser sub 39, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 40] , eiser sub 40, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 41] , eiser sub 41, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 42] en [eiser 43] , eisers sub 42 en 43, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 44] , eiser sub 44, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 45] , eiser sub 45, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 50] , eiser sub 46, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 29] , eiser sub 48, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 49] , eiser sub 49, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, - [eiser 50] , eiser sub 50, een bedrag van € 70,42 per maand vanaf januari 2023 tot de datum van het vonnis, voormelde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectievelijke data van onverschuldigde betaling tot de dag van volledige voldoening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na het vonnis; c. [gedaagde] zal veroordelen tot voldoening van een bedrag van € 638,04 aan buitengerechtelijke incassokosten; d. [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, waarna te vermeerderen met de wettelijke rente tot het moment van volledige betaling. 3.2. Eisers leggen het volgende aan hun vorderingen ten grondslag. [gedaagde] heeft ten onrechte een huurverhoging doorgevoerd op grond van artikel 4 van de Lingebrug voorwaarden c.q. de RECRON voorwaarden 2003 en 2008. Deze bepalingen uit de gehanteerde algemene voorwaarden zijn onredelijk bezwarende bedingen als bedoeld in artikel 6:233 onder a BW, gelezen in samenhang met de bepalingen uit Richtlijn 93/13/EEG. Eisers betwisten dat aan hen in de overeenkomst een (reële) opzegmogelijkheid is verleend. Daarnaast stellen Eisers dat [gedaagde] zijn precontractuele informatieplicht heeft geschonden, door Eisers niet te wijzen op de wijzigingsmogelijkheid. Volgens Eisers zijn de bedingen ook op die grond vernietigbaar. Eisers vorderen voor recht te verklaren dat zij op goede gronden de vernietigbaarheid van de bedingen hebben ingeroepen. Eisers stellen dat de vernietiging van de bedingen terugwerkende kracht heeft, zodat er geen rechtsgrond is geweest voor de betaling (onder protest) van de jaargeldverhoging. De vanaf januari 2023 betaalde huurverhogingen zijn zodoende onverschuldigd betaald en dienen, vermeerderd met rente en kosten, aan Eisers te worden terugbetaald. Voor zover de bedingen niet vernietigd zijn of worden, geldt dat de Eisers hun huur op basis van RECRON voorwaarden 2003 en 2008 eveneens onverschuldigd hebben betaald omdat [gedaagde] niet 24 maanden voor de ingangsdatum de huurverhoging heeft aangekondigd, conform artikel 4 RECRON voorwaarden 2003 en 2008. Eisers vorderen daarnaast de buitengerechtelijke incassokosten, die zijn gebaseerd op de totale som van onverschuldigde betalingen. De buitengerechtelijke incassokosten daarover bedragen € 638,04. 3.3. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Eisers en veroordeling van Eisers in de kosten van de procedure en de wettelijke rente daarover. [gedaagde] legt daaraan het volgende ten grondslag. [gedaagde] beschouwt en beoordeelt bij de vaststelling van de huurprijsvoorwaarden de kosten van instandhouding van het park, de inflatiecijfers, het marktconforme huurprijsniveau van vergelijkbare kavels op andere parken en een redelijk rendementspercentage van de grondwaardes van de huurkavels. De weging door [gedaagde] van deze factoren heeft geleid tot de vaststelling van de jaarprijzen voor 2023. [gedaagde] vindt de verhoging vanwege de uitgevoerde weging stevig, maar marktconform en redelijk. [gedaagde] stelt dat van huur geen sprake is zonder dat een tegenprestatie is overeengekomen. Het overeengekomen zijn van een tegenprestatie in hiervoor bedoelde zin is een kernbeding van de huurovereenkomsten. Kern van de overeenkomsten is dat [gedaagde] jaarlijks de huur vaststelt. Kernbedingen zijn uitgezonderd van de rechterlijke controle op algemene voorwaarden in de derde afdeling van de vijfde titel van Boek 6 BW. Artikel 4 lid 2 van de Richtlijn zondert in gelijke zin bepalingen die het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst betreffen van een beoordeling op oneerlijkheid uit. Dat maakt dat ook de Bijlage bij die Richtlijn op dergelijke kernbedingen niet van toepassing is. Een beroep op vernietiging van de bedingen als algemene voorwaarden is bovendien verjaard voor de Eisers die hun huurovereenkomst meer dan drie jaar geleden hebben afgesloten. De bedingen hebben van meet af aan in de huurovereenkomst gestaan, een beroep op vernietiging van de bedingen is na drie jaar verjaard. [gedaagde] betwist dat de bedingen inhoudelijk als oneerlijk en onredelijk bezwarend zijn aan te merken. [gedaagde] voert aan dat Eisers op grond van de toepasselijke voorwaarden tot een maand voor het eind van het huurseizoen de overeenkomst kunnen opzeggen. Er zijn in Nederland ruim voldoende mogelijkheden om het opzeggingsrecht daadwerkelijk te benutten. [gedaagde] betwist dat Eisers niet zijn gewezen op de bedingen in de overeenkomsten. Deze maken immers deel van de – op dit punt veelvuldig in de recreatiebranche gehanteerde – overeenkomsten die partijen hebben ondertekend. In de praktijk heeft jaarlijkse vaststelling van de nieuwe huurprijzen voor het volgende recreatieseizoen steeds probleemloos en zonder bezwaren gewerkt. De huurprijs voor 2023 is mede gebaseerd op de kennis van huurprijzen van huurkavels op vergelijkbare parken. De huurprijsvaststelling is redelijk. Dat volgt ook uit het in de aanvullende akte overgelegde deskundigenbericht. Vernietiging van de bedingen zou bovendien leiden tot een situatie die onaanvaardbaar, onredelijk en onbillijk moet worden geoordeeld, omdat in dat geval de huur nooit meer zou kunnen worden aangepast. Ten aanzien van Verbeek, eiser genoemd onder 47, geldt dat er van een huurverhoging nog geen sprake is geweest. Omdat van het beding nog geen gebruik is gemaakt, kan de gevorderde verklaring van recht namens haar niet worden toegewezen. 3.4. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. De kern van deze zaak betreft de vraag of de bedingen die zijn opgenomen in artikel 4 van zowel de Lingebrug voorwaarden als de RECRON 2003 en 2008 voorwaarden en waarop de huurprijsverhoging van de staanplaatsen is gebaseerd, rechtsgeldig vernietigd zijn. Eisers hebben die vernietiging ingeroepen en in dat verband een beroep gedaan op artikel 6:233 aanhef en onder a BW. Dat artikel geeft een maatstaf voor de inhoudscontrole van algemene voorwaarden: een beding is vernietigbaar indien het onredelijk bezwarend is voor de wederpartij. In de beoordeling die in het kader van dat artikel wordt gevraagd, wordt gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden zijn tot stand gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval. 4.2. In het kader van de uit te voeren toets bij de inhoudscontrole hebben Eisers gewezen op bepalingen die zijn opgenomen in de Richtlijn. De Richtlijn is niet rechtstreeks van toepassing in de Nederlandse rechtsorde. Een richtlijnconforme uitleg van Nederlands recht brengt echter mee dat art. 6:233 BW in consumentenzaken in overeenstemming met de Richtlijn wordt uitgelegd. In de onderhavige kwestie is sprake van een dergelijke consumentenzaak. Eisers gelden allen als consumenten en [gedaagde] als hun professioneel handelende wederpartij. 4.3. [gedaagde] heeft primair betoogd dat aan de inhoudscontrole van de bedingen niet kan worden toegekomen. Hij heeft gesteld dat er geen sprake is van algemene voorwaarden, maar van kernbedingen. Daarnaast heeft hij gesteld dat het beroep op vernietiging van de bedingen als algemene voorwaarde bovendien is verjaard voor de Eisers die hun huurovereenkomst meer dan drie jaar geleden hebben afgesloten. Deze verweren van [gedaagde] komen hierna aan de orde. Kernbeding 4.4. [gedaagde] stelt dat de betreffende bedingen kernbedingen van de overeenkomsten vormen, als bedoeld in art. 6:231 onder a BW en artikel 4 lid 2 van de Richtlijn, zodat art. 6:233 BW in dit geval toepassing mist. [gedaagde] betoogt dat de tegenprestatie in de overeenkomst, te weten het betalen van huur, is vastgelegd in de in 2.4 geciteerde artikelen 4 van de voorwaarden. Die bepalingen bevatten de essentialia van de door Eisers afgesloten huurovereenkomsten. Partijen zijn overeengekomen dat verhuurder [gedaagde] jaarlijks de huurprijs vaststelt. [gedaagde] stelt dat het partijen vrij stond en staat om dat overeen te komen, nu het de huur van onbebouwde grond betreft. 4.5. Eisers betwisten dat sprake is van een kernbeding. De bedingen geven niet de kern van de prestaties aan. De essentialia van de overeenkomsten zijn volgens Eisers het beschikbaar stellen van de jaarplaats en het voldoen van de tegenprestatie, te weten het betalen van het jaargeld. De mogelijkheid tot een wijziging van dat jaargeld (de huur) valt niet onder de essentialia. Zonder deze bedingen zou de overeenkomst ook tot stand komen. De bedingen zijn bovendien opgenomen in de algemene voorwaarden en niet in de huurovereenkomst zelf, waaruit reeds volgt dat het geen kernbedingen betreffen. 4.6. Het begrip kernbeding dient zo beperkt mogelijk te worden opgevat. Het is niet bepalend of de bedingen een voor [gedaagde] (de gebruiker) of zelfs voor beide partijen belangrijk punt regelen, maar of de overeenkomsten zonder de bedingen niet tot stand zouden kunnen komen omdat de verbintenissen die partijen op zich hebben genomen in dat geval onvoldoende bepaalbaar zouden zijn. Daarbij moet het gaan om de essentialia van de overeenkomst, zoals de prijs van een product of dienst. De bedingen die zijn opgenomen in de in 2.4 geciteerde artikelen 4 van de overeenkomsten vormen geen essentieel onderdeel van de afgesloten overeenkomsten. De in de overeenkomsten (zie 2.3) opgenomen prijs van het staangeld is dat wel. Die prijs kan immers worden aangemerkt als de tegenprestatie voor het beschikbaar stellen van de staanplaats voor een jaar. De mogelijkheid dat staangeld te wijzigen vormt geen noodzakelijk onderdeel van de overeenkomsten. Het verweer van [gedaagde] faalt derhalve. De bedingen zijn algemene voorwaarden in de zin van art. 6:231 onder a BW, waarvan kan worden gecontroleerd of deze een onredelijk bezwarende inhoud hebben. Verjaring 4.7. [gedaagde] heeft voorts gesteld dat het beroep op vernietiging van de algemene voorwaarden verjaard is voor de Eisers die hun huurovereenkomst meer dan drie jaar geleden hebben afgesloten. De aanspraak om die vernietiging in te roepen verjaart volgens [gedaagde] na verloop van drie jaar nadat daartoe de bevoegdheid is ontstaan. Daarbij heeft [gedaagde] gewezen op de artikelen 6:233, 3:49 e.v. en 3:52 lid 1 BW. [gedaagde] kan in dit verjaringsverweer echter niet gevolgd worden. In dit geval betreft het individuele overeenkomsten met consumenten. Voor de vordering van deze consumenten, die erop neerkomt dat een bepaald beding onredelijk bezwarend is in de zin van art. 6:233 onder a BW, mist art. 3:52 lid 1 BW toepassing. Een consument moet de rechten die aan haar worden verleend in de Richtlijn, en waarop ook in het onderhavige geval een beroep wordt gedaan, te allen tijde kunnen aanvoeren om doeltreffend te kunnen worden beschermd. Het beroep op verjaring wordt daarom van de hand gewezen. Inhoudelijk beoordelingskader 4.8. Zoals hiervoor werd opgemerkt in overwegingen 4.2 en 4.7, betreft dit een consumentenzaak die onder het toepassingsbereik van de Richtlijn valt. In dergelijke gevallen dient afdeling 6.5.3. van het BW richtlijnconform te worden uitgelegd. Dat betekent dat de maatstaf ‘onredelijk bezwarend’ van art. 6:233 onder a BW wordt gelezen tegen de achtergrond van het begrip ‘oneerlijk’ dat in de Richtlijn wordt gebruikt. Voor de uitleg van die laatstgenoemde term is mede van belang hetgeen in de Richtlijn is bepaald en de uitleg die in rechtspraak is gegeven aan de bepalingen uit de Richtlijn. Uit artikel 3 lid 1 van de Richtlijn volgt dat een beding oneerlijk is, indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Art. 4 lid 1 van de Richtlijn bepaalt dat voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst in aanmerking worden genomen, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft. Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding moet dus worden uitgegaan van het moment waarop de betrokken overeenkomst is gesloten, rekening houdend met alle omstandigheden waarvan de wederpartij van de consument op dat moment kennis kon hebben en die gevolgen konden hebben voor de latere uitvoering van die overeenkomst, aangezien een contractueel beding een verstoring van het evenwicht tussen de contractspartijen in zich kan dragen die zich pas tijdens de uitvoering van de overeenkomst manifesteert. Daartoe dient te worden nagegaan of de bedingen vanaf de datum van de contractsluiting een verstoring van het contractuele evenwicht in zich droeg, ook al zou deze verstoring zich alleen onder bepaalde omstandigheden kunnen voordoen en ook al zou het beding in andere omstandigheden zelfs ten goede kunnen komen aan de consument. Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding moet worden nagegaan wat het cumulatieve effect is van alle bedingen van de betrokken overeenkomst. 4.9. Om te bepalen of een beding een ‘aanzienlijke verstoring’ van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen veroorzaakt, moet met name rekening worden gehouden met de toepasselijke regels van het nationale recht die zouden gelden wanneer partijen op dit punt geen regeling zouden hebben getroffen. Aan de hand daarvan kan worden bepaald of, en in welke mate, de overeenkomst de consument in een juridisch minder gunstige positie plaatst dan die welke uit het geldende nationale recht voortvloeit. Een aanzienlijke verstoring van het evenwicht kan al volgen uit het feit dat de rechtspositie waarin de consument als partij bij de betrokken overeenkomst verkeert krachtens de toepasselijke nationale bepalingen, in voldoende ernstige mate wordt aangetast doordat de inhoud van de rechten die de consumenten volgens die bepalingen aan die overeenkomst ontlenen, worden beperkt of de uitoefening van die rechten wordt belemmerd dan wel doordat aan de consument een extra verplichting wordt opgelegd waarin de nationale bepalingen niet voorzien. Met betrekking tot de vraag in welke omstandigheden een aanzienlijke verstoring van het evenwicht ‘in strijd met de goede trouw’ wordt veroorzaakt, dient de nationale rechter na te gaan of de verkoper er redelijkerwijs van kon uitgaan dat de consument een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover op eerlijke en billijke wijze afzonderlijk was onderhandeld. 4.10. Artikel 3 lid 3 van de Richtlijn bepaalt dat de bedingen die in de Bijlage bij de Richtlijn zijn opgenomen als oneerlijk kunnen worden aangemerkt. Opname van het beding in de Bijlage van de richtlijn maakt niet automatisch en uit zichzelf dat een beding daarmee oneerlijk is, maar het vormt wel een wezenlijk aspect waarop de beoordeling van het oneerlijke karakter van het beding kan worden gebaseerd. Voor zover hier relevant noemt de Bijlage in punt 1.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.