RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer: 05/720003-21 Datum uitspraak : 11 januari 2024 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1992 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] ( [postcode] ) [woonplaats] , Raadsman: mr. M. Bakhuis, advocaat in Apeldoorn. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 8 december 2019 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 1] - een of meerdere keren met een knuppel/schep, althans een hard en/of zwaar en/of scherp (puntig) voorwerp, op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen/gestompt, en/of - een of meerdere keren op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen/gestompt; althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt: hij op of omstreeks 8 december 2019 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] - een of meerdere keren met een knuppel/schep, althans een hard en/of zwaar en/of scherp (puntig) voorwerp, op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan/stompen, en/of - een of meerdere keren op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan/stompen; 2. hij op of omstreeks 9 december 2019 te Apeldoorn, openlijk, te weten op of aan de Sikkel, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging (te weten met [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] ) geweld heeft gepleegd tegen een of meerdere personen, te weten [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , door - die [slachtoffer 2] te duwen en/of - pepperspray, althans een met pepperspray vergelijkbare stof, in de ogen, althans het gezicht, van die [slachtoffer 2] te spuiten en/of - een of meerdere keren een pistool/revolver, althans een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 2] te richten en/of - met een pistool/revolver/afgezaagd jachtgeweer, althans een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, achter die [slachtoffer 2] aan te rennen en/of - achter die [slachtoffer 3] aan te rennen en/of die [slachtoffer 3] naar/op de grond te duwen/trekken en/of - met een bezemsteel/stok, althans een hard en/of zwaar voorwerp, achter die [slachtoffer 3] aan te rennen en/of - een afgezaagd jachtgeweer, althans een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op/tegen de buik en/of heup, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] te zetten/drukken en/of - zich niet te onttrekken aan de situatie en/of (daardoor) bij te dragen aan een gewelddadige en/of dreigende sfeer. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde onder feit 1 en feit 2. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en nader toegelicht. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het dossier geen aanwijzingen bevat dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Bovendien is naar mening van de officier van justitie het slaan met een knuppel of schep op het hoofd van [slachtoffer 1] niet proportioneel. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 primair op het standpunt gesteld dat verdachte het als zijn plicht voelde om zijn zusje te verdedigen. Door de aanhoudende dreiging van [slachtoffer 1] richting [betrokkene 1] (hierna [betrokkene 1] ) besloot verdachte op enig moment om tussenbeide te komen. Met in het achterhoofd dat [slachtoffer 1] vuurwapen gevaarlijk is, heeft verdachte een stok gepakt en [slachtoffer 1] hiermee geslagen. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat er sprake was van noodweerexces. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat niet alle gedachtestreepjes kunnen worden toegeschreven aan verdachte. Daarnaast heeft over sommige handelingen alleen [slachtoffer 2] [slachtoffer 1] verklaard. Beoordeling door de rechtbank Feit 1 [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 8 december 2019 samen met zijn vrouw [betrokkene 1] tegenkwam op de Hoge Dries in Apeldoorn. Hij heeft zijn auto naast de auto van [betrokkene 1] gezet. [betrokkene 1] kwam uit de auto en [slachtoffer 1] en zijn vrouw ook. Toen kwam er ineens een andere auto bij. Daar zat een jongen in die opeens tegen [slachtoffer 1] begon te schelden. Dit was [medeverdachte 4] (hierna [medeverdachte 4] ). [medeverdachte 4] balde zijn vuisten en kwam op [slachtoffer 1] af. [slachtoffer 1] liep ook op hem af. Hij zag dat [medeverdachte 4] aan het bellen was. Toen [slachtoffer 1] terugliep naar zijn auto hoorde hij ineens zijn dochter keihard roepen: ‘Pap’. Op dat moment keek hij om en zag een Peugeot op hem af komen rijden. Hij moest daardoor op de stoep springen. Hij zag dat [medeverdachte 4] weer op hem afkwam. Toen hij de klappen kreeg met de honkbalknuppel en op de grond viel, zag hij dat dit [medeverdachte 5] was. Hij is overeind geholpen door zijn dochter. Hij kreeg wederom een klap met de honkbalknuppel van [medeverdachte 5] . Deze kwam tegen zijn armen. In het ziekenhuis is hij gehecht aan zijn hoofd. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat bij de Aldi aan de Hoge Dries een conflict ontstond. Ineens stapte het broertje van [betrokkene 1] uit de Fiesta. Hij zei ‘pussy’ en sloeg direct haar man. Dit was [medeverdachte 4] . Het was weer even rustig en haar man liep weer naar de auto. Toen kwam ineens een blauwe Peugeot aanrijden. Er stapten twee personen uit de auto. Dat waren [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] . Eén van de jongens sloeg met een stuk hout in op haar man. In het dossier bevinden zich uitgeluisterde en uitgewerkte tapgesprekken. Deze tapgesprekken bevatten onder meer het volgende: Tapgesprek van 8 december 2019 om 20:08 uur, sessienummer 12581Dit betreft een telefoongesprek tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] (hierna [medeverdachte 6] ). ‘ [medeverdachte 5] zegt dat 'hij' (onbekend wie er bedoeld wordt) 2 x naar de grond is gegaan, die dikke. [medeverdachte 5] zegt dat het bloed uit zijn kop er gewoon uitspoot. NNm vraagt of hij ergens mee geslagen had. [medeverdachte 5] zegt dat hij zo'n schep had met een mes eraan en hij hem toen met de achterkant van de schep op het gezicht geslagen. [medeverdachte 5] zegt hem bijna te hebben aangereden, maar hij rende weg. Daarne stond 'hij' ineens bij het broertje van [medeverdachte 5] en toen had hij een mooi moment. [medeverdachte 5] zegt dat 'hij' naar de grond ging en zijn broertje sloeg hem nog. NNM zegt 'mooi'. Beiden zeggen dat 'hij' niet eens kan vechten. [naam 1] ging er voor staan zodat wij ( [medeverdachte 5] en onbekende anderen) er niet bij konden komen. [medeverdachte 5] zegt dat hij [naam 1] gewoon een beetje aan de kant duwde en toen ging [naam 1] naar de grond. Hierna sloeg [medeverdachte 5] [naam 1] nog een keer met dat ding.’ Verdachte heeft verklaard dat hij naar de Aldi is gereden. Hij heeft een bezemsteel gepakt en hiermee [slachtoffer 1] geslagen. Uit de bovengenoemde bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 4] samen [slachtoffer 1] hebben geslagen tegen het hoofd en het lichaam, waarbij in ieder geval één van hen met een hard voorwerp tegen het hoofd van [slachtoffer 1] heeft geslagen. Naar het oordeel van de rechtbank levert dit een poging tot zware mishandeling op. Door iemand met een hard voorwerp tegen het hoofd te slaan, aanvaardt de dader de aanmerkelijke kans dat hierdoor zwaar letsel ontstaat. De rechtbank is van oordeel dat uit de aangehaalde bewijsmiddelen, en met name de verklaring van [slachtoffer 1] , de eigen verklaring van verdachte en het tapgesprek tussen verdachte en [medeverdachte 6] , blijkt dat verdachte en [medeverdachte 4] allebei en in dezelfde situatie [slachtoffer 1] hebben geslagen, waaruit blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking. Hierdoor is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van medeplegen. Noodweer Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor aanranding. De enkele vrees/angst voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. Op basis van het dossier, en in het bijzonder gelet op de verklaring van [betrokkene 1] , kan de rechtbank niet vaststellen dat er op het moment van het tenlastegelegde sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding en dat verdachte zich niet aan die situatie kon onttrekken. Uit het dossier blijkt dat [betrokkene 1] met haar kinderen is weggereden uit de situatie, nadat verdachte en [medeverdachte 4] kwamen aanrijden. Ten slotte overweegt de rechtbank dat de enkele vrees dat iemand een vuurwapen voorhanden heeft, onvoldoende is voor een gerechtvaardigd beroep op noodweer. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom onvoldoende aannemelijk geworden dat op het moment van het tenlastegelegde sprake was van een noodweersituatie. Het beroep op noodweer wordt verworpen. Nu niet aannemelijk is dat verdachte zich in een noodweersituatie bevond, kan ook geen sprake zijn van noodweerexces. Feit 2 Aangever [slachtoffer 2] [slachtoffer 1] heeft aan de hand van de camerabeelden van 9 december 2019 van de Sikkel in Apeldoorn verklaard dat hij met de auto aan kwam rijden. Hij was de bestuurder van de auto. In deze auto zaten ook [slachtoffer 3] , zijn vader [naam 1] [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) en [getuige 2] . Aangever zag [medeverdachte 6] links naast de auto staan. Hij had een witte doek in zijn handen en daaronder zag aangever een geweer. Aangever rende op drie jongens af die buiten beeld stonden en [slachtoffer 3] liep ook in die richting weg. Aangever herkende van deze jongens alleen [medeverdachte 2] (hierna [medeverdachte 2] ). [medeverdachte 2] kwam op aangever aflopen. Hij zag dat [medeverdachte 2] een klein pistool bij zich had, waarmee hij op aangever richtte. Hierop heeft aangever [medeverdachte 2] gelijk geslagen. [medeverdachte 2] had een bril op en die heeft aangever van zijn gezicht geslagen toen [medeverdachte 2] het pistool op hem richtte. Toen aangever [medeverdachte 2] had geslagen, draaide hij zich om naar [medeverdachte 5] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 5] ). Hij zag en voelde dat [medeverdachte 5] pepperspray in zijn ogen spoot. Na een tijdje gingen zijn ogen branden en wreef hij in zijn ogen. Zijn vader stapte uit de auto en liep in de richting van [medeverdachte 6] . Aangever zag dat [medeverdachte 6] het witte doek in de richting van zijn vader richtte. Zijn vader deinsde terug. Aangever ziet op de camerabeelden dat [medeverdachte 6] het witte doek op [slachtoffer 3] richtte. [slachtoffer 3] wordt ook wel [slachtoffer 3] genoemd. Op de camerabeelden ziet aangever dat [medeverdachte 6] weer op [slachtoffer 3] richtte en op hem afliep. Aangever hoorde dat [medeverdachte 6] tegen [slachtoffer 3] zei: ‘Nou moet je opkankeren, anders schiet ik je dood.’. Op 00:31:03 ziet aangever [medeverdachte 2] in beeld komen. In zijn rechterhand had hij een klein vuurwapen. Dit was een zilvergrijs vuurwapen. Om 00:31:11 komt [medeverdachte 5] in beeld. In zijn rechterhand heeft hij een stok vast. Aangever ziet dat [medeverdachte 6] op [slachtoffer 3] afloopt en weer met het witte doek met daaronder het geweer op [slachtoffer 3] richt. Om 00:31:27 ziet aangever dat [medeverdachte 2] een vuurwapen op het hoofd van aangever richt. Om 00:31:45 ziet aangever dat [medeverdachte 6] het wapen met het witte doek eroverheen overgeeft aan [medeverdachte 1] (hierna [medeverdachte 1] ). Aangever zag [medeverdachte 1] met het wapen staan. Op een gegeven moment deinst aangever naar achteren en dat kwam omdat [medeverdachte 6] hem duwde. Om 00:31:54 heeft [medeverdachte 2] het witte doek met daaronder het geweer vast. Op 00:32:33 ziet aangever dat [medeverdachte 1] het geweer met het witte doek in de zij van zijn vader duwt. Aangever heeft dit ook gezien toen hij daar zelf stond. Op 00:32:10 ziet aangever [medeverdachte 5] met een stok achter [slachtoffer 3] aanrennen. Op 00:32:38 richt [medeverdachte 2] het kleine vuurwapen op aangever. [medeverdachte 6] staat achter [medeverdachte 2] met in zijn rechterhand het doek met daaronder het geweer. Aangever rent weg, terwijl dat zij beiden achter hem aan rennen en beiden het vuurwapen op hem richten. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij uit de auto kwam en op [medeverdachte 6] afliep. Hij zag dat [medeverdachte 6] iets onder een wit laken of onder een witte handdoek of witte doek had. Het was een jachtgeweer of een rit (de rechtbank begrijpt: riot). Hij ziet op de camerabeelden dat [medeverdachte 6] het jachtgeweer of de riot met het laken eroverheen richt in de richting van [slachtoffer 3] . Op de camerabeelden ziet hij dat [slachtoffer 3] door [medeverdachte 5] achterna wordt gezeten. [medeverdachte 5] heeft een stok in zijn rechterhand. Hij ziet dat de jongen met bontkraag met een pistool richt op [slachtoffer 2] [slachtoffer 1] zijn hoofd. Dit heeft [slachtoffer 1] toen zelf gezien. Hij ziet dat die andere jongen ook achter [slachtoffer 2] [slachtoffer 1] aan rent en dat hij richt met het witte doek met daaronder het vuurwapen. Dit heeft [slachtoffer 1] zelf gezien. Op het moment dat [slachtoffer 1] met [naam 2] (hierna: [naam 2] ) stond te praten, kreeg hij, [slachtoffer 1] , een vuurwapen in zijn zij. [slachtoffer 3] heeft aan de hand van de camerabeelden verklaard dat [medeverdachte 6] iets wits, een doek, in zijn handen heeft met daaronder iets wat lijkt op een geweer. Hij ziet dat [medeverdachte 6] met twee handen een voorwerp onder een doek richt. Hij richt eerst op [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) en dan richt hij op hemzelf. Hij ziet dat [medeverdachte 6] dat ding met het witte doek erover weer op hem, [slachtoffer 3] , richt en op hem af komt rennen. [slachtoffer 3] zag dat het een geweer was, maar zag niet wat voor soort. [slachtoffer 3] ziet op de beelden dat iemand een pistool op het hoofd van [slachtoffer 2] [slachtoffer 1] richt. Hij ziet dat [medeverdachte 6] dat ding met die doek erover aan iemand anders geeft en dat [slachtoffer 2] een duw krijgt. Die met de bontkraag heeft dat grote ding met het witte doek erover in zijn handen. [medeverdachte 5] heeft een stok in zijn hand en rent achter hem, [slachtoffer 3] , aan. Op de beelden ziet [slachtoffer 3] dat iemand bij [slachtoffer 1] komt staan en iets in zijn zij drukt. Hij weet niet of het een pistool of een geweer is. Hij ziet dat degene met de bontkraag een handvuurwapen op het hoofd van [slachtoffer 2] [slachtoffer 1] richt. De tweede persoon met een ding met daarover een witte doek richt ook op [slachtoffer 2] [slachtoffer 1] . Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij ineens [medeverdachte 6] zag lopen met een theedoek over een ding. Hij denkt dat het een riot gun was. Getuige zag dat [medeverdachte 6] naar [slachtoffer 3] toe liep. [medeverdachte 6] zette de riot gun op de kop van [slachtoffer 2] [slachtoffer 1] . Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat in april 2020 [medeverdachte 1] het een en ander heeft verteld over het incident. Hij vertelde getuige dat de vingerafdrukken van [medeverdachte 1] op een wapen zaten en dat [medeverdachte 2] in het rond had geschoten. [medeverdachte 1] vertelde dat iedereen had geschoten. Hiermee bedoelde hij [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ), [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Getuige weet dat [medeverdachte 1] een wapen had, [betrokkene 2] en [medeverdachte 2] ook. [medeverdachte 1] was vergeten om zijn handschoenen aan te trekken. Verbalisant heeft de camerabeelden 9 december 2019 van de woning De Sikkel 58 bekeken. Het camerasysteem had een afwijking van ongeveer twee minuten op de daadwerkelijke tijd. Op 9-12-2019 00:29:53 ziet verbalisant dat het voertuig ter hoogte van de vier personen rijdt, ziet dat de remlichten oplichten en het voertuig tot stilstand komt. Vrijwel direct ziet verbalisant de bestuurder en de bijrijder uitstappen. De bestuurder stap uit, rent direct naar voren en verdwijnt uit beeld. Verbalisant ziet dat de bijrijder vrijwel direct uitstapt en naar de achterzijde van de auto loopt. De derde persoon stapt uit de auto en verdwijnt uit beeld achter de bestuurder aan. Op 9-12-2019 00:30:05 ziet verbalisant dat de bijrijder en de man met het witte voorwerp, mogelijk een doek of een tas, contact maken waarna de bijrijder naar de man met het witte voorwerp toe loopt. De bestuurder komt terug in beeld lopen en verbalisant ziet dat hij meerdere keren met zijn handen aan zijn gezicht voelt. Op 9-12-2019 00:30:32 ziet verbalisant dat de man met het witte voorwerp zijn handen naar voren steekt alsof hij iemand aanwijst. Op 9-12-2019 00:30:46 ziet verbalisant dat de bijrijder terug in beeld loopt. Verbalisant ziet dat de man met het witte voorwerp deze richt op beide personen bij de auto. De bestuurder staat er schuin naast. Op 9-12-2019 00:30:51 ziet verbalisant dat de bijrijder en de bestuurder beiden naar de man met het witte voorwerp toe lopen. De man met het witte trainingsjack heeft een donker langwerpig voorwerp in zijn rechterhand langs zijn lichaam. Op 9-12-2019 00:31:13 ziet verbalisant twee mannen in beeld lopen. Hij ziet dat [persoon] een lang dun voorwerp in zijn hand houdt. Op 9-12-2019 00:31:52 ziet verbalisant dat het witte voorwerp in handen is van de [persoon] -man, de man met de opvallende bontkraag. Op 9-12-2019 00:32:38 is er ineens beweging en loopt de bestuurder ineens achteruit. De [persoon] -man met de bontkraag aan zijn jas lijkt iets te richten op de bestuurder en een tweede [persoon] -man is in het bezit van het witte voorwerp die de man op foto 3 en foto 6 in eerste instantie had. Op 9-12-2019 00:32:47 ziet verbalisant dat de bestuurder wegrent in de richting van de Haarhamer te Apeldoorn en niet meer in beeld komt. Hij ziet vervolgens dat de man met de opvallende bontkraag en de man met het witte voorwerp weer terugrennen en in de richting van de auto rennen. In het dossier bevinden zich uitgeluisterde en uitgewerkte tapgesprekken. Deze tapgesprekken bevatten onder meer het volgende: Tapgesprek van 9 december 2019 om 00:38 uur, sessienummer [nummer 1]Dit betreft een telefoongesprek tussen [betrokkene 1] en [medeverdachte 5] .n [betrokkene 1] ja ga weg. n er is geschoten overal[betrokkene 1] weet ik n en niemand is gewond[betrokkene 1] jullie moeten allemaal weg, er is allemaal politie onderweg. jullie moeten wegn ik kan niet bellen, iemand moet mij ophalen Tapgesprek op 9 december 2019 om 01.01 uur, sessienummer [nummer 2] Dit betreft een gesprek tussen [betrokkene 1] en [medeverdachte 5] . [betrokkene 1] [medeverdachte 5] hebben jullie papa al gevonden. [medeverdachte 5] nee zij zijn waarschijnlijk met de auto weg. [betrokkene 1] nee want [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en die andere kleine man, die zijn allemaal weg gereden, zij zitten in 1 auto. Jij en dinges zijn samen en die andere kleine is apart weggegaan. [medeverdachte 5] oh dan weet ik het niet. [betrokkene 1] nee ik ook niet, hij is spoorloos en omdat hier auto's reden, zijn telefoon is uit. Denk je niet dat hun papa hebben, denk je. [medeverdachte 5] nee want alleen [naam 1] die ... ntv de auto uit, maar verder niet en die [naam 1] die is net weg hier bij ons. [betrokkene 1] maar wat had die [naam 1] dan. [medeverdachte 5] ja nou hij kwam het bos uit springen en hij deed heel normaal, hij zei....ntv dit en dat. Hij wil nou wil die wapenstilstand Verdachte noemt [slachtoffer 2] [slachtoffer 1] ‘ [naam 1] ’, omdat zijn haren een rode kleur hebben. Tapgesprek op 9 december 20219 om 02.24 uur, sessienummer [nummer 3] Dit betreft een telefoongesprek tussen [naam 2] en [betrokkene 2] . [betrokkene 2] : Ik was als laatste gekomen... ik [betrokkene 2] dus laat gekomen... ik heb nummer 1 wat aangedaan... en dan nummer 2, en hij/zij rijdt met de auto... en toen pakte [medeverdachte 2] (fon)... [medeverdachte 2] (fon) deed nog 2 keer [naam 4] : Ja, ik zag het... ik zag hem/haar.., verdorie... ik zeg verdorie die persoon [betrokkene 2] : Ja, de eerste kreeg 2 keer... maar ik weet niet wie het getroffen had... vraag maar aan [medeverdachte 6] (fon). [medeverdachte 6] (fon) heeft met iemand gevochten bij watana (fon) ik heb die persoon wat aangedaan... [naam 4] : (fluisterend tegen iemand gezegd die bij hem
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.