← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2024:1925

RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer / rekestnummer: 10889597 \ HA VERZ 24-8 Beschikking van 21 februari 2024 in de zaak van [verzoeker] , te [verzoeker] , verzoekende partij, hierna te noemen: werknemer, gemachtigde: mr. J.A.P.M. van Dal, tegen VOLSTORA SERVICES B.V., te Arnhem, verwerende partij, hierna te noemen: werkgever, gemachtigde: Bleijerveld Juridisch Advies. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift, ingekomen op 17 januari 2024 - het aanvullende verzoek en inbreng productie, ingekomen op 7 februari 2024 - het verweerschrift, ingekomen op 7 februari 2024. 1.2. De gemachtigden van partijen hebben de kantonrechter op 16 februari 2024 te kennen gegeven dat zij een akkoord hebben bereikt en een vaststellingsovereenkomst hebben opgesteld. De reeds geplande mondelinge behandeling op 19 februari 2024 heeft daarom geen doorgang gevonden. 2Het verzoek en het verweer 2.1. Bij wijze van voorlopige voorziening ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft werknemer de kantonrechter kort gezegd verzocht a.

  1. a)werkgever te veroordelen om aan werknemer te voldoen het verschuldigde salaris vanaf 1 november 2023 van € 2.079,90 bruto, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, en werkgever te veroordelen de salarisbetalingen voort te zetten totdat in de bodemprocedure definitief is beslist. Na wijziging van zijn verzoek heeft werknemer de kantonrechter in de hoofdzaak verzocht:
  2. b)de opzegging c.q. het gegeven ontslag c.q. de eenzijdige beëindiging van het dienstverband omstreeks 11 december 2023 te vernietigen;
  3. c)primair: voor recht te verklaren dat tussen partijen mondeling een BBL overeenkomst is overeengekomen en/of een vervangende handtekening te plaatsen onder de BBL overeenkomst en/of te bevelen dat werkgever verplicht is tot door onderhandelen;subsidiair: aan werkgever een verplichting tot vergoeding van de schade op te leggen van € 2.079,90 bruto per maand, vanaf 1 september 2023 tot aan het moment dat werknemer een andere opleider heeft gevonden en aldaar en alsdan start met de nieuwe BBL overeenkomst;
  4. d)werkgever te veroordelen aan werknemer te voldoen zijn salaris van € 2.079,90 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, vanaf 1 december 2023 tot aan het einde van het dienstverband. In het incident en in de hoofdzaak heeft werknemer de kantonrechter, na aanvulling van zijn verzoek, verzocht om werkgever te veroordelen:
  5. e)tot afgifte van deugdelijke salarisspecificaties;
  6. f)tot betaling van de wettelijke verhoging van 50% wegens vertraging over het aan werknemer toekomende loon ex artikel 7:625 BW;
  7. g)tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten;
  8. h)tot betaling van de wettelijke rente over de verzochte bedragen vanaf het opeisbaar worden van die bedragen; i.
  9. i)tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de eventueel verschuldigde wettelijke rente;
  10. j)tot betaling van 11 onterecht ingehouden, niet uitbetaalde loondagen, ten bedrage van € 600,00 en € 720,00 bruto. 2.2. Werkgever heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken. 3De beoordeling 3.1. Partijen hebben overeenstemming bereikt. Zij hebben de kantonrechter verzocht de door hen opgestelde en ondertekende vaststellingsovereenkomst aan een beschikking te hechten of daarin op te nemen. Gelet hierop zal de kantonrechter deze beschikking geven in overeenstemming met de vaststellingsovereenkomst die tussen partijen is gesloten. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd met wederzijds goedvinden per 1 maart 2024. Daarnaast zal de kantonrechter werkgever veroordelen om uiterlijk 30 dagen na het einde van de arbeidsovereenkomst over te gaan tot betaling aan werknemer van hetgeen partijen onder punt 7. van de vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen. Door aanhechting van een gewaarmerkt exemplaar van de vaststellingsovereenkomst d.d. 15 februari 2024 aan deze beschikking wordt hetgeen hierin neergelegd is, voor executie vatbaar. 3.2. Gelet op de overeenstemming tussen partijen heeft werknemer geen belang meer bij de door hem verzochte voorlopige voorziening, zodat deze zal worden afgewezen. Het meer of anders (dan in de vaststellingsovereenkomst opgenomen) verzochte in de hoofdzaak zal ook worden afgewezen. 4De beslissing De kantonrechter, 4.1. stelt vast dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden eindigt per 1 maart 2024; 4.2. veroordeelt werkgever om uiterlijk 30 dagen na het einde van het dienstverband aan werknemer het volgende te betalen: - een beëindigingsvergoeding (inclusief transitievergoeding) van € 3.750,00 bruto; - het vakantiegeld berekend tot 1 maart 2024; - de kosten van rechtsbijstand van € 159,00; - het griffierecht van € 87,00; 4.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. 4.4. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. E.W. de Groot en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2024. 498 \ 41245

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.