RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/338591-22 Datum uitspraak : 30 april 2024 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1992 in [geboorteplaats] ingeschreven aan de [adres] [plaats] , en aldaar op dit moment gedetineerd in [verblijfplaats] Raadsvrouw: mr. S. Grilk, advocaat in Arnhem. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1 hij op of omstreeks 25 december 2022 te Arnhem, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Huissensestraat , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl hij verkeerde onder invloed van een hoeveelheid alcohol en/of een andere stof, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik de rijvaardigheid kon verminderen, rijdend over een recht rijbaandeel van de Huissensestraat zijn motorrijtuig niet, althans niet voldoende, onder controle te houden en/of (daarbij) met zijn motorrijtuig op/tegen een aan de rechterzijde gelegen trottoirband te rijden en/of (vervolgens) deels met zijn motorrijtuig door de rechterberm te rijden en/of (vervolgens) op/tegen een in de rechterberm staande boom te botsen en/of te rijden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 25 december 2022 te Arnhem als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, Huissensestraat , zijn motorrijtuig niet, althans niet voldoende, onder controle heeft gehouden en/of heeft kunnen houden en/of (daarbij) met zijn motorrijtuig op/tegen een aan de rechterzijde gelegen trottoirband is gereden en/of (vervolgens) deels met zijn motorrijtuig door de rechterberm is gereden en/of (vervolgens) op/tegen een in de rechterberm staande boom is gebotst en/of gereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; 2 hij op of omstreeks 25 december 2022 te Arnhem, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een Bedrijfsauto ( VW Caddy v.v.k. [kenteken] ) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend. 2a. Vrijspraak Ten aanzien van feit 1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Beoordeling door de rechtbank Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Gelet op de inhoud van het procesdossier, in combinatie met de verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, is de rechtbank van oordeel dat het heel wel mogelijk is dat het verkeersongeval is ontstaan doordat de bijrijder ( [slachtoffer] ) aan het stuur heeft getrokken. Dat het aan de schuld van verdachte te wijten is dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden (primair) of dat door het gedrag van verdachte gevaar en/of hinder op de weg werd veroorzaakt of kon worden veroorzaakt (subsidiair) kan derhalve niet worden bewezen. Gelet op het voorgaande, spreekt de rechtbank verdachte vrij van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. 2b. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Ten aanzien van feit 2 Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal rijden onder invloed, p. 48-49; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 april
- 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat: hij op of omstreeks 25 december 2022 te Arnhem, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een Bbedrijfsauto ( VW Caddy v.v.k. [kenteken] ) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet
- 5De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast dient aan verdachte een taakstraf voor de duur van 40 uur, subsidiair 20 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (hierna: OBM) voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar te worden opgelegd. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat aan verdachte enkel een taakstraf wordt opgelegd. Een OBM is niet passend, nu het rijbewijs van verdachte na onherroepelijke veroordeling van rechtswege de geldigheid verliest. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft, nadat tegen hem de verdenking was gerezen dat hij onder invloed van alcohol en/of drugs een personenauto had bestuurd, geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek. Op die manier heeft hij verhinderd dat objectief kon worden vastgesteld of en - zo ja - in welke mate hij de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht. Door zo te handelen heeft verdachte zijn verantwoordelijkheden als verkeersdeelnemer veronachtzaamd. De rechtbank heeft bij de strafoplegging gelet op de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie van 15 april 2024, waaruit in het nadeel van verdachte blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder een overtreding van de Wegenverkeerswet
- Daarnaast blijkt hieruit dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. De rechtbank heeft voorts bij de strafoplegging rekening gehouden met de omstandigheid dat het rijbewijs van verdachte na onherroepelijke veroordeling voor onderhavig feit van rechtswege de geldigheid zal verliezen op grond van het bepaalde in artikel 123b van de Wegenverkeerswet
- De rechtbank ziet hierin aanleiding geen onvoorwaardelijke OBM aan verdachte op te leggen van langere duur dan voor de tijd dat het rijbewijs van verdachte reeds ingevorderd is geweest. In plaats daarvan zal de rechtbank een forse voorwaardelijke OBM aan verdachte opleggen, als stok achter de deur op het moment dat verdachte weer over een geldig rijbewijs beschikt. Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en verdachtes documentatie acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf van 40 uren en een OBM voor de duur van 360 dagen, waarvan 340 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden. De rechtbank heeft hierbij tevens de LOVS oriëntatiepunten in aanmerking genomen. De rechtbank zal aan verdachte geen voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, zoals de officier van justitie heeft gevorderd, nu dit naar het oordeel van de rechtbank niet passend is bij de ernst van het feit. 8De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen: - 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en - 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet
- 9De beslissing De rechtbank: spreekt verdachte vrij van het onder 1 ten laste gelegde feit; verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; legt op een taakstraf van 40 (veertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen; ontzegt verdachte ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 360 (driehonderdzestig) dagen, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest; bepaalt dat een gedeelte van deze ontzegging, te weten 340 (driehonderdveertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Graat (voorzitter), mr. M.L. Braaksma en mr. S. Jansen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Draaijers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 april
- Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2022596715, gesloten op 24 januari 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.