RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/413336 / HA ZA 23-3 Vonnis van 17 januari 2024 in de zaak van 1 [eiser 1] , te [vestigingsplaats] ,2. [eiser 2], te [woonplaats] , eisende partijen, eisers hierna samen en in mannelijk enkelvoud te noemen [gezamenlijke eisers] . en afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2] advocaat: mr. M.N. Guntenaar te Utrecht, tegen 1 [gedaagde 1] , te [vestigingsplaats] , niet verschenen,2. [gedaagde 2], te [vestigingsplaats] , niet verschenen,3. [gedaagde 3], te [vestigingsplaats] , advocaat: mr. D. Engelen te Amersfoort,4. [gedaagde 4], te [woonplaats] , advocaat: mr. D. Engelen te Amersfoort,5. [gedaagde 5] B.V., te [vestigingsplaats] , advocaat: mr. D. Engelen te Amersfoort, gedaagde partijen, gedaagden 3 t/m 5 hierna samen en in mannelijk enkelvoud te noemen [gedaagden 3 t/m 5 gezamenlijk] en afzonderlijk [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [naam 1] van [gedaagde 5] . 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 26 april 2023; - de akte wijziging van eis en gronden tevens akte overleggen producties; - de akte uitlating producties en eiswijziging; - de mondelinge behandeling van 31 augustus 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waar de advocaten van partijen spreekaantekeningen hebben voorgedragen; - het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 31 augustus 2023, waarbij is bepaald dat de ter zitting ingebrachte producties 25 en 29 niet worden toegelaten en productie 30 wel wordt toegelaten. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 1.3. [gedaagde 1] (hierna: [gedaagde 1] ) en [gedaagde 2] (hierna: [gedaagde 2] ) zijn niet verschenen in de procedure. Tegen hen is verstek verleend. Gesteld noch gebleken is dat de akte wijziging van eis tijdig aan deze niet verschenen partijen kenbaar is gemaakt, zoals artikel 130 lid 3 Rv voorschrijft. De wijziging van eis tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is daarom uitgesloten. De vorderingen van [gezamenlijke eisers] . zijn hieronder opgenomen met inachtneming van het bepaalde in artikel 130 lid 3 Rv. 2De feiten 2.1. [gedaagde 1] is opgericht in 2006 en drijft een groothandel in machines voor de bouw en mechanisatie en houdt zich bezig met handel in en het verhuren van grondverzetmachines, kranen en landbouwmachines, het aannemen en uitvoeren van sloopwerken en transport en het leveren van materialen. 2.2. [gedaagde 2] is opgericht in 2019 middels akte van splitsing vanuit [gedaagde 1] en faciliteert ondernemingen op het gebied van agrarisch loonwerk, landbouwmechanisatie alsmede grond- en straatwerk, waaronder begrepen het ter beschikking stellen van materialen, alsmede de verhuur van grondverzetmachines, kranen, landbouwmachines en overige zaken, alsmede holdingactiviteiten. 2.3. [eiser 1] (hierna: [eiser 1] ) is de persoonlijke holding van [eiser 2] van Valkenhoef (hierna: [eiser 2] ). [eiser 1] is statutair bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . [eiser 1] houdt 50% van het volledig geplaatst aandelenkapitaal in [gedaagde 1] en 37,5% van het volledig geplaatst aandelenkapitaal in [gedaagde 2] . 2.4. M.J.M. [gedaagde 3] (hierna: [gedaagde 3] ) is de persoonlijke holding van [gedaagde 4] (hierna: [gedaagde 4] ). [gedaagde 3] is statutair bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . [gedaagde 3] houdt 50% van het volledig geplaatst aandelenkapitaal in [gedaagde 1] en 37,5% van het volledig geplaatst aandelenkapitaal in [gedaagde 2] . 2.5. [gedaagde 5] (hierna: [gedaagde 5] van [gedaagde 5] ) is de persoonlijke holding van [gedaagde 5] (hierna: [gedaagde 5] ). [gedaagde 5] van [gedaagde 5] is statutair bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde 2] . [gedaagde 5] van [gedaagde 5] houdt 25% van het volledig geplaatst aandelenkapitaal in [gedaagde 2] . 2.6. [eiser 2] en [gedaagde 4] zijn beiden vennoot in de middels opzegging van 17 december 2021 ontbonden maar nog niet afgewikkelde maatschap [naam 2] . 2.7. [eiser 2] en [gedaagde 4] zijn (onder meer) gezamenlijk eigenaar van onroerende zaken, gelegen aan (onder meer) de [adres] . Voor deze percelen bestaan herontwikkelingsplannen in samenwerking met de Gemeente Nijkerk. 2.8. [eiser 1] en [gedaagde 3] zijn tevens gezamenlijk eigenaar van de onroerende zaken gelegen aan de [adres] , waar de ondernemingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden uitgeoefend. Daartoe hebben de betrokken partijen huurovereenkomsten gesloten. 2.9. In de statuten van [gedaagde 2] staat het volgende: “HOOFDSTUK 5: BESTUUR Benoeming, schorsing en ontslag van bestuurders en taak bestuurders Artikel 5.1 (…) 3. De Algemene Vergadering stelt de beloning en de verdere (arbeids)voorwaarden van iedere bestuurder en van iedere in artikel 5.2 lid 3 bedoelde persoon vast. 4. Een bestuurder kan te allen tijde worden geschorst en ontslagen door de Algemene Vergadering. Ontslag van een bestuurder anders dan op eigen verzoek, vindt niet plaats voordat hij is gehoord of in de gelegenheid is gesteld gehoord te worden in een Algemene Vergadering en mits het besluit tot ontslag is genomen met een meerderheid van ten minste twee/derde van de uitgebrachte geldige stemmen, vertegenwoordigende meer dan de helft van het geplaatste kapitaal. (…) HOOFDSTUK 6: ALGEMENE VERGADERING (…) Bijeenroeping Artikel 6.2 1. Tot het bijwonen van de Algemene Vergadering dient iedere Vergadergerechtigde te worden opgeroepen. De oproeping dient niet later te geschieden dan op de achtste dag voor de dag waarop de vergadering wordt gehouden. 2. De oproeping geschiedt schriftelijk onder vermelding van de datum, de plaats van de vergadering, het aanvangstijdstip en de te behandelen onderwerpen. (…) 2.10. [gedaagde 2] is opgericht door [eiser 1] en [gedaagde 3] . Daarna is [gedaagde 5] van [gedaagde 5] toegetreden als bestuurder en aandeelhouder. In dat kader heeft [eiser 1] aan [gedaagde 5] van [gedaagde 5] een lening verstrekt van € 192.000,00. De leningsovereenkomst dateert van 7 februari 2020. 2.11. [eiser 2] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] zijn werkzaam als indirect bestuurders van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] op basis van een mondelinge management overeenkomst. Er is geen schriftelijke overeenkomst of directiereglement. De feitelijke werkverdeling van de indirect bestuurders was als volgt: [eiser 2] verrichtte 80% van zijn werkzaamheden voor [gedaagde 1] en 20% voor [gedaagde 2] . [gedaagde 4] verrichtte 80% van zijn werkzaamheden voor [gedaagde 2] en 20% voor [gedaagde 1] . [gedaagde 5] verrichtte 100% van zijn werkzaamheden voor [gedaagde 2] . De managementvergoeding werd conform deze werkverdeling respectievelijk door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betaald. 2.12. Op 4 september 2019 is [eiser 2] formeel ziekgemeld en vrijgesteld van werk wegens arbeidsongeschiktheid. Op 8 september 2019 heeft er een overleg plaatsgevonden tussen (onder andere) [eiser 2] en [gedaagde 4] en zijn er afspraken gemaakt over de werkzaamheden en de managementvergoeding van [eiser 1] gedurende de periode van arbeidsongeschiktheid. Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie van 9 en 10 september 2019 blijken deze afspraken, waaronder: “Gedurende het eerste jaar van zijn arbeidsongeschiktheid kan [eiser 1] voor [eiser 2] de afgesproken managementvergoeding in rekening brengen, echter onder aftrek van de door hem ontvangen bruto aov-uitkering. Indien de situatie onverhoopt, langer dan een jaar voortduurt, zal een maand voordat het jaar om is worden overlegd hoe en of deze regeling voor de periode daarna moet worden aangepast.” 2.13. Gedurende het eerste jaar van de arbeidsongeschiktheid is door [eiser 1] de afgesproken managementvergoeding in rekening gebracht. Nadien niet meer. 2.14. In de loop van de tijd is de samenwerking tussen [eiser 2] en [gedaagde 4] onder druk komen te staan. Op 19 februari 2020 heeft een overleg plaatsgevonden tussen (onder andere) [eiser 2] en [gedaagde 4] waarin zij hebben uitgesproken dat zij hun samenwerking willen beëindigen. Het verslag van dit overleg, opgesteld door de externe boekhouder [naam 3] vermeldt voor zover relevant: “ [gedaagde 2] Men komt overeen de aandelen [gedaagde 2] in het bezit van [eiser 2] over te dragen aan [gedaagde 4] . Uitgangspunt is de situatie per 31-12-2019. Met betrekking tot de overdrachtsprijs merkt [naam 3] op dat als hem gevraagd zou worden de waarde te bepalen, dit zou zijn de prijs die [gedaagde 5] een jaar eerder heeft betaald plus de winst na belastingen over 2019. [eiser 2] geeft aan de overdracht soepel te willen laten verlopen en zeker niet wil frustreren en genoegen te willen nemen met de ‘prijs [gedaagde 5] ’ zonder de winst 2019. [gedaagde 4] komt hier voor half maart op terug. (…) [gedaagde 1] Resultaat 2019 is negatief 146k. Dit baart zorgen. [gedaagde 4] stelt duidelijkheid te willen omtrent de bemoeienissen van [eiser 2] in [gedaagde 1] naar de toekomst toe. Dit omdat er wellicht bedrijfseconomische beslissingen moeten worden genomen. Hij schetst diverse mogelijkheden in de toekomst, o.a. doorstart door [eiser 2] . [eiser 2] geeft aan dat hij in zijn herstelproces nog niet zo ver is dat hij nu hierover een beslissing kan nemen. Besloten wordt dat mede aan de hand van de cijfers tm 30 juni 2020 er voor de bouwvak een beslissing zal worden genomen hoe nu verder. Een ruwe inschatting van het op te lopen verlies is 5000 euro per maand, wat als acceptabel wordt beschouwd. (…) Door [naam 3] is bijzondere aandacht besteed aan de doorbelasting van kosten door [gedaagde 1] aan werken etc. Hij constateert dat voor zover hij dit kan beoordelen dat dit secuur en redelijk is gedaan. M.b.t. de huurberekening (50K en 50K) ontstaat een uitgebreide uitwisseling van meningen, resulterende in de conclusie dat deze als juist kan worden beschouwd, zij het dat in de toekomst, na afronding van de transactie met de gemeente (zie daar) de huur opnieuw op commerciële basis moet worden bepaald. (…)” 2.15. In september 2020 is [eiser 2] kortdurend gestart met re-integratie bij een andere onderneming. 2.16. In de periode september – december 2021 is gesproken over re-integratie van [eiser 2] bij [gedaagde 1] . Bij e-mail van 4 oktober 2021 heeft [naam 4] namens [eiser 2] een concreet re-integratievoorstel gedaan teneinde, kort gezegd, gedurende 4 à 8 uur per week afgebakende taken te verrichten. Op 13 oktober 2021 is, na overleg met een verzuimcoach en de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar een nader re-integratievoorstel gevolgd van de zijde van [eiser 2] . Daarbij is de wens uitgesproken om re-integratie te combineren met een route terzake van splitsing van de bedrijven. Na correspondentie over en weer heeft [naam 4] op 29 oktober 2021 namens [eiser 2] aan [gedaagde 4] voorgesteld om de re-integratie op te schorten en met elkaar in gesprek te gaan over splitsing. [gedaagde 4] heeft hiermee ingestemd, waarna tussen partijen, in aanwezigheid van [naam 4] , overleg plaats heeft gevonden. 2.17. Het overleg heeft niet tot overeenstemming geleid. Partijen zijn het niet eens geworden over (onder meer) de wijze van splitsing, een peildatum en de waarde van het dealerschap binnen [gedaagde 1] . Op 26 november 2021 heeft [eiser 2] aangekondigd het gesprek over de beoogde splitsing, in afwachting van nadere informatie van de zijde van [gedaagde 4] , te staken en vanaf de daarop volgende week zijn taken als bestuurder van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te hervatten. 2.18. Op 29 november 2021 hebben [gedaagde 4] en [gedaagde 5] het voltallig personeel middels een Whatsappbericht bericht dat [eiser 2] zijn taken als directie oppakt en dat zij niet achter dit besluit staan omdat dit zonder overleg en vrijdagavond in het weekend pas aan hen is meegedeeld. 2.19. Op 6 december 2021 heeft [eiser 2] opnieuw een voorstel gedaan over de wijze waarop hij wenst te re-integreren. 2.20. Op 17 december 2021 heeft [eiser 2] namens [eiser 1] de maatschap opgezegd per 31 december 2021 met daarbij gevoegd een concept beëindigingsovereenkomst. Voorts heeft hij bij brief van die dag de algemene vergadering van [gedaagde 1] opgeroepen bijeen te komen op 5 januari 2022. Op de agenda stond een voorstel tot koop door [eiser 1] van de aandelen [gedaagde 1] van [gedaagde 3] , vergezeld van een financiële onderbouwing, alsmede twee alternatieve voorstellen, te weten het benoemen van deskundigen en ontbinding van [gedaagde 1] . 2.21. Bij brief van diezelfde datum heeft [eiser 2] namens [eiser 1] de door haar gehouden aandelen (37,5%) in [gedaagde 2] formeel aangeboden aan het bestuur van [gedaagde 2] , zulks vergezeld van een prijsvoorstel met een onderbouwing daarvan. 2.22. Op 21 december 2021 hebben [gedaagde 3] en [gedaagde 5] van [gedaagde 5] een buitengewone algemene vergadering van [gedaagde 2] bijeengeroepen op 30 december 2021. In deze oproeping staat, voor zover relevant, het volgende: “ Agenda punten: (…) 3. Ontslag bestuurder [eiser 1] 4. Indien de aandeelhouders geen geldig besluit nemen mbt punt 3: schorsing bestuurder [eiser 1] 5. Verhogen management fee bestuurders [gedaagde 3] en [gedaagde 5] – naar rato uren, in reële verhouding tot functie uurloon. (…) Wij nodigen je hierbij uit om in je hoedanigheid van bestuurder je raadgevende stem uit te brengen bij deze vergadering. In verband met het agendapunt “ontslag bestuurder” word je daarnaast hierbij uitgenodigd om te worden gehoord over het voorgenomen ontslag. De reden voor het ontslag is – kort gezegd – het al een aantal jaar niet vervullen van de bestuurstaak en de wens de vennootschap te willen verlaten.” 2.23. Op 30 december 2021 heeft de aandeelhoudersvergadering van [gedaagde 2] plaatsgevonden. Bij deze vergadering waren (onder meer) aanwezig [gedaagde 3] vertegenwoordigd door [gedaagde 4] en advocaat J. Anema, [gedaagde 5] van [gedaagde 5] vertegenwoordigd door [gedaagde 5] , en [naam 4] als gemachtigde van [eiser 1] . [naam 4] heeft tijdens de vergadering een verklaring van [eiser 2] voorgelezen waarin [eiser 2] zich verzet tegen ontslag, dan wel schorsing en aanvoert dat zijn re-integratie door het bestuur is gefrustreerd. 2.24. Op de vergadering van 30 december 2021 heeft de aandeelhoudersvergadering van [gedaagde 2] besloten: bestuurder [eiser 1] met onmiddellijke ingang te schorsen; de managementvergoeding van de bestuurders [gedaagde 3] en [gedaagde 5] van [gedaagde 5] te verhogen per 1 januari 2022 tot € 10.000,- per maand. 2.25. Bij email van 30 december 2021 heeft [gedaagde 3] bericht dat zij de aandelen in [gedaagde 2] over wenst te nemen, evenwel niet tegen de prijs waartegen deze zijn aangeboden door [eiser 1] . 2.26. Bij brief van 12 april 2022 heeft [eiser 1] de leningsovereenkomst met [gedaagde 5] van [gedaagde 5] opgezegd en is het openstaande saldo opgeëist met inachtneming van een termijn van zes weken. 2.27. Op 15 april 2022 heeft [gedaagde 4] (onder meer) het volgende aan [eiser 2] geschreven: “Bedankt voor de tip, ik heb diverse machines overgeschreven op mijn naam en ben daarbij uitgegaan van jou taxaties het resterende bedrag maak ik binnenkort over naar [gedaagde 1] bv.” 2.28. Partijen hebben vervolgens gecorrespondeerd over de wijze van beëindiging van hun samenwerking. Door [eiser 1] is een kort geding aanhangig gemaakt, onder meer tot opheffing van de schorsing van [eiser 2] als bestuurder, betaling van managementvergoeding en het ongedaan maken van de verhoging van de managementvergoeding van de andere twee bestuurders van [gedaagde 2] . 2.29. Op 24 februari 2023 heeft (de voortzetting van) de mondelinge behandeling in het kort geding plaatsgevonden in de zaak van [eiser 1] tegen [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 5] van [gedaagde 5] , alsmede in de zaak van [gedaagde 3] tegen [gedaagde 1] , [eiser 1] en [naam 5] (zoon van [eiser 2] ). Daarbij hebben partijen een schikking getroffen en (onder meer) afgesproken dat [eiser 1] van [gedaagde 2] managementvergoeding ontvangt en wordt vrijgesteld van werkzaamheden. Voorts is overeengekomen dat de voorgenomen statutenwijziging van [gedaagde 2] wordt opgeschort. 2.30. Tot slot bevindt zich bij de processtukken een taxatierapport van 19 januari 2023 van [naam 7] In opdracht van [eiser 2] en [gedaagde 4] zijn de onroerende zaken aan de [adres] getaxeerd. Uit het rapport volgt dat de doelstelling van de taxatie was om de marktwaarde van de onroerende zaken te bepalen per 20 september 2022 ten behoeve van de scheiding van de partners van de werkmaatschappij. 3Het geschil 3.1. Met inachtneming van hetgeen onder het procedureverloop is overwogen, vordert [gezamenlijke eisers] . na wijziging van eis: I. het besluit tot schorsing van [eiser 1] als bestuurder van [gedaagde 2] , zoals genomen door de Algemene Vergadering van [gedaagde 2] op 30 december 2021, nietig te verklaren dan wel te vernietigen; II. het besluit tot verhoging van de managementvergoeding voor [gedaagde 3] en [gedaagde 5] van [gedaagde 5] , zoals genomen door de Algemene Vergadering van [gedaagde 2] van 30 december 2021 nietig te verklaren dan wel te vernietigen; Prijsbepaling: primair III. [gedaagde 3] en [gedaagde 5] van [gedaagde 5] hoofdelijk te veroordelen om de door [eiser 1] gehouden aandelen in het kapitaal van [gedaagde 2] over te nemen, tegen een prijs, zoals hierna te bepalen; IV. [gedaagde 3] te veroordelen om de door [eiser 1] gehouden aandelen in het kapitaal van [gedaagde 1] over te nemen, tegen een prijs, zoals hierna te bepalen; V. één of meer deskundigen te benoemen die over de prijs van de door [eiser 1] gehouden aandelen in [gedaagde 2] schriftelijk bericht zal/zullen uitbrengen, zo mogelijk volgens de methodiek als tot op heden binnen [gedaagde 2] is toegepast (en zoals omschreven onder randnummer 79 van de dagvaarding), mede rekening houdend met de gedragingen van [gedaagde 4] en [gedaagde 5] (namens respectievelijk [gedaagde 3] en [gedaagde 5] van [gedaagde 5] ) waarvan aannemelijk is dat die tot een vermindering van de waarde van de over te dragen aandelen hebben geleid; VI. één of meer deskundigen te benoemen die over de prijs van de door [eiser 1] gehouden aandelen in [gedaagde 1] schriftelijk bericht zal/zullen uitbrengen, mede rekening houdend met de gedragingen van [gedaagde 4] (namens [gedaagde 3] ) waarvan aannemelijk is dat die tot een vermindering van de waarde van de over te dragen aandelen hebben geleid; en voorts, nadat de deskundigen hun bericht hebben uitgebracht: VII. de prijs van de aandelen van [gedaagde 2] vast te stellen, en daarbij een billijke verhoging toe te passen in verband met gedragingen van [gedaagde 4] en [gedaagde 5] (namens respectievelijk [gedaagde 3] en [gedaagde 5] van [gedaagde 5] ) waarvan aannemelijk is dat die tot een vermindering van de waarde van de over te dragen aandelen hebben geleid en voor zover hiermee niet reeds rekening is gehouden bij het uitbrengen van het bericht door de deskundige zoals genoemd onder V, en de aldus vastgestelde (verhoogde) koopprijs te vermeerderen met waardestijgingen in de periode gelegen tussen de gehanteerde peildatum voor de waardering en de datum van vaststelling van de (verhoogde) koopprijs; VIII. de prijs van de aandelen van [gedaagde 1] vast te stellen, en daarbij een billijke verhoging toe te passen in verband met gedragingen van [gedaagde 4] (namens [gedaagde 3] ) waarvan aannemelijk is dat die tot een vermindering van de waarde van de over te dragen aandelen hebben geleid en voor zover hiermee niet reeds rekening is gehouden bij het uitbrengen van het bericht door de deskundige zoals genoemd onder VI, en de aldus vastgestelde (verhoogde) koopprijs te vermeerderen met waardedalingen in de periode gelegen tussen de gehanteerde peildatum voor de waardering en de datum van vaststelling van de (verhoogde) koopprijs; IX. [gedaagde 3] en/of [gedaagde 4] en/of [gedaagde 5] van [gedaagde 5] – zo mogelijk hoofdelijk – te veroordelen om [eiser 1] te betalen het onder VII en/of VIII omschreven bedrag binnen twee weken na het te wijzen vonnis, te vermeerderen met wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag van volledige betaling; X. [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 5] van [gedaagde 5] – zo mogelijk hoofdelijk – te gebieden medewerking te verlenen bij de vaststelling van de prijs zoals omschreven onder V t/m VIII, waarmee in ieder geval wordt bedoeld dat zij onbeperkte toegang verlenen tot de gegevens die de deskundigen in de uitvoering van diens taak noodzakelijk achten, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat zij niet aan het voorgaande voldoen met een maximum van € 100.000,00; Prijsbepaling: subsidiair Als de vorderingen onder III tot en met IX niet kunnen leiden tot een overname van de aandelen van [eiser 1] in [gedaagde 1] en [gedaagde 2] : XI. A. te verklaren voor recht dat bij het bepalen van de overnamesom voor de aandelen van [eiser 1] in [gedaagde 2] en/of [gedaagde 1] goodwill verschuldigd is; B. te verklaren voor recht dat bij de te bepalen overnamesom voor de aandelen in [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] feitelijk geen correctie dient te worden toegepast vanwege de ziekte c.q. afwezigheid van [eiser 2] in de achterliggende periode; C. te verklaren voor recht dat bij het bepalen van de overnamesom voor de aandelen in [gedaagde 2] en/of [gedaagde 1] aan de zijde van [gedaagde 3] en [gedaagde 4] geen recht bestaat op verliescompensatie, aanvullende verrekeningen of compensaties over de periode vanaf 2014 en/of vanwege (het beheer van) vastgoed; D. te verklaren voor recht dat bij het bepalen van de overnamesom voor de aandelen van [eiser 1] in [gedaagde 2] als overnamedatum primair 1 januari 2023 heeft te gelden, subsidiair 1 januari 2022 en meer subsidiair 1 januari 2020, althans een in goede justitie te bepalen datum, met steeds daarbij een vermeerdering van de overnamesom met wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW dan wel wettelijke rente ex artikel 6:119 BW tot aan de datum van de effectieve overdracht; E. [gedaagde 3] en/of [gedaagde 5] van [gedaagde 5] te veroordelen tot het verlenen van medewerking bij het benoemen van de deskundigen op grond van de statutaire regeling omtrent prijsbepaling van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] , op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat hieraan niet wordt voldaan met een maximum van € 25.000,00; XII. [gedaagde 4] te gebieden medewerking te verlenen aan de afwikkeling van de ontbonden [naam 2] , door uitkering van 50% van het zichtbare eigen vermogen per 1 januari 2022 van € 54.497,00, oftewel € 27.249,00, door [gedaagde 4] aan [eiser 2] te voldoen vanaf de maatschapsrekening binnen twee weken na het vonnis, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente per laatstgenoemde datum tot de dag van betaling, en zo mogelijk op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat hij hieraan niet voldoet met een maximum van € 25.000,00; XIII. [gedaagde 3] en/of [gedaagde 4] te gebieden medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een marktconforme huurovereenkomst met [gedaagde 2] en [gedaagde 1] voor het gezamenlijk door [eiser 1] en [gedaagde 3] gehouden vastgoed, gelegen aan de [adres] , inhoudende dat een (totale) huurprijs wordt overeengekomen van € 125.000 excl. btw op jaarbasis, onder te verdelen in € 97.500 voor [gedaagde 2] en € 27.500 voor [gedaagde 1] , althans een in goede justitie te bepalen bedrag, zo mogelijk conform het (concept) taxatierapport van [naam 7] en een en ander zo mogelijk met terugwerkende kracht per de datum van het rapport (19 januari 2023), zo mogelijk op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat hieraan niet wordt voldaan met een maximum van € 25.000,00; XIV. [gedaagde 3] en/of [gedaagde 4] en/of [gedaagde 5] van [gedaagde 5] te gebieden medewerking te verlenen aan het onderzoek van Hoffmann Bedrijfsrecherche, onder meer maar niet uitsluitend door volledige inzage te geven inden en voor zover redelijkerwijze verzocht door onderzoekers van voornoemd bureau, voor zover mogelijk op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat hieraan niet wordt voldaan met een maximum van € 25.000,00; XV. [gedaagde 5] van [gedaagde 5] te veroordelen tot terugbetaling van de geldlening aan [eiser 1] binnen 2 weken na het vonnis ten bedrage van € 125.000,00, te vermeerderen met contractuele rente van 3,5% per jaar tot het moment dat het in totaal verschuldigde geheel is voldaan, voor zover de opzegging niet reeds tot een verplichting tot terugbetaling leidt, onder ontbinding van de betreffende overeenkomst van geldlening; XVI. [gedaagde 1] , [gedaagde 1] Materiaal en [gedaagden 3 t/m 5 gezamenlijk] – voor zover mogelijk hoofdelijk – te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten. 3.2. [gedaagden 3 t/m 5 gezamenlijk] voert verweer. [gedaagden 3 t/m 5 gezamenlijk] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gezamenlijke eisers] . in zijn vorderingen dan wel tot afwijzing daarvan, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gezamenlijke eisers] . in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Nu [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet zijn verschenen in de procedure en geen verweer hebben gevoerd en het jegens hen gevorderde de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de rechtbank de vorderingen jegens hen bij eindvonnis toewijzen. Nietigheid dan wel vernietigbaarheid van het schorsingsbesluit 4.2. Vordering I strekt tot nietigverklaring (ex artikel 2:14 BW) dan wel vernietiging (ex artikel 2:15 BW) van het aandeelhoudersbesluit van 30 december 2021 tot schorsing van [eiser 1] als bestuurder van [gedaagde 2] (hierna: het schorsingsbesluit). 4.3. [gezamenlijke eisers] . stelt dat het schorsingsbesluit in strijd met artikel 2:224 lid 1 BW en artikel 5.1 lid 4 van de statuten van [gedaagde 2] (hierna: de statuten) is genomen omdat hij zich op grond van de tekst in de oproepingsbrief niet voldoende heeft kunnen voorbereiden. Daarnaast stelt hij dat de gestelde arbeidsongeschiktheid en het aanbieden van aandelen ter overname geen zwaarwegende redenen voor schorsing opleveren en dat het schorsingsbesluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid (ingevolge artikel 2:15 lid 1 sub b jo. 2:8 BW). 4.4. [gedaagden 3 t/m 5 gezamenlijk] voert aan dat de oproeping voldeed aan de vereisten zoals bepaald in de artikelen 2:224 lid 1 en 2:225 BW en aan artikel 6.2. van de statuten. Dat [eiser 2] op de hoogte was van hetgeen in de vergadering aan de orde zou komen, blijkt uit het feit dat hij zijn verweer op voorhand op schrift had gesteld. De inhoudelijke gronden voor schorsing zijn voorts voldoende zwaarwegend. Sinds 2019 heeft [eiser 2] immers geen betrokkenheid getoond bij het besturen van [gedaagde 2] . [eiser 1] heeft haar aandelen in [gedaagde 2] aangeboden, waaruit blijkt dat zij feitelijk en juridisch geen belang meer wil hebben in [gedaagde 2] . De langdurige afwezigheid van [eiser 2] wegens ziekte, het niet dan wel slechts gedeeltelijke herstel, de re-integratieplannen bij (voornamelijk) [gedaagde 1] leidden volgens [gedaagden 3 t/m 5 gezamenlijk] tot de conclusie dat het niet in het belang was van [gedaagde 2] dat [eiser 1] als bestuurder in functie bleef. 4.5. De rechtbank stelt vast dat in de oproepingsbrief van 21 december 2021 het ontslag en de schorsing van [eiser 1] als bestuurder zijn geagendeerd (agendapunten 3 en 4). Daarnaast vermeldt de oproepingsbrief ook de reden hiervoor, namelijk “het al een aantal jaar niet vervullen van de bestuurstaak en de wens de vennootschap te willen verlaten”. Daarmee was het voor [eiser 2] voldoende duidelijk dat besluitvorming zou plaatsvinden over de positie van [eiser 1] als bestuurder. Dit blijkt ook uit de verklaring die ten tijde van de vergadering namens [eiser 2] is voorgedragen. De oproeping voldeed daarmee aan de gestelde eisen zoals bepaald in artikel 2:224 lid 1 BW. Nu er geen totstandkomingsgebrek is, is er geen grond voor vernietiging als bedoeld in artikel 2:15 lid 1 sub a BW. 4.6. Van strijd met artikel 5.1 lid 4 van de statuten is evenmin sprake, nu deze bepaling slechts voorschrijft dat een bestuurder te allen tijde kan worden geschorst door de algemene vergadering. [eiser 1] is tot slot voldoende in de gelegenheid gesteld om als bestuurder haar zienswijze op het voorgenomen besluit tot schorsing te geven en zich daartegen te verdedigen, waarmee ook het hoorrecht in acht is genomen. Van een grond voor vernietigbaarheid wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid, zoals bedoeld in artikel 2:15 lid 1 sub b BW is derhalve geen sprake. 4.7. De rechtbank komt daarmee toe aan de inhoudelijke beoordeling van de schorsing nu [gezamenlijke eisers] . stelt dat een zwaarwegende grond daartoe ontbreekt. Voorop staat dat schorsing een ingrijpende maatregel is die een vennootschappelijk belang moet dienen. Bij de beoordeling of zich een grond tot schorsing voordoet, komt de vergadering van aandeelhouders een zekere mate van vrijheid toe. Te lichtvaardige schorsing kan strijdig zijn met de redelijkheid en billijkheid (ex artikel 2:8 BW) en daarmee vernietigbaar op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW. De omstandigheid dat [eiser 1] als bestuurder al geruime tijd, in ieder geval sinds september 2019, haar functie van bestuurder niet vervulde en het gegeven dat [eiser 2] en [gedaagde 4] al geruime tijd (vruchteloos) onderhandelden over de uitdrukkelijke wens tot ontvlechting van de samenwerking en vennootschappen te komen, ten gevolge waarvan de verhouding tussen [eiser 2] en de andere twee bestuurders tevens aandeelhouders ernstig onder druk is komen staan, acht de rechtbank voldoende zwaarwegend om te concluderen dat de schorsing, hoezeer ook bezwarend voor [eiser 2] , in dit geval niet ongerechtvaardigd was. 4.8. De vorderingen tot nietigverklaring dan wel vernietiging van het schorsingsbesluit zullen derhalve worden afgewezen. Nietigheid dan wel vernietigbaarheid van het verhogingsbesluit 4.9. Vordering II strekt tot nietigverklaring dan wel vernietiging van het aandeelhoudersbesluit van 30 december 2021 tot verhoging van de managementvergoeding van [gedaagde 3] en [gedaagde 5] van [gedaagde 5] (hierna: het verhogingsbesluit). 4.10. Ook hier wordt gesteld dat het verhogingsbesluit in strijd met artikel 2:224 lid 1 BW en artikel 5.1 lid 4 van de statuten is genomen, nu de onderbouwing voor de verhoging van de managementvergoeding niet bij de oproeping is verstrekt en ook niet tijdens de vergadering is gegeven. [gezamenlijke eisers] . stelt dat het verhogingsbesluit onvoldoende is onderbouwd en dat het de financiële gezondheid van [gedaagde 2] raakt doordat de lasten nu vermoedelijk (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.