← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2024:4222

RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: 10789574 \ CV EXPL 23-8054 Vonnis van 12 juni 2024 in de zaak van ING BANK N.V., gevestigd in Amsterdam, eisende partij, hierna te noemen: ING, gemachtigde: Flanderijn Gerechtsdeurwaarders, tegen [gedaagde] , wonende in [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , niet verschenen. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 6 december 2023, - de akte van ING, - het exploot van 20 februari 2024 waarmee het tussenvonnis, de akte en de brief van de kantonrechter waarin uitstel was verleend voor het betekenen van de akte, aan [gedaagde] zijn betekend. 1.
  2. Bij tussenvonnis is ING bevolen om de stellingen in de dagvaarding nader toe te lichten, zodat de kantonrechter in staat is om te beoordelen of de vordering onrechtmatig of ongegrond is en daarbij te beslissen of er aanleiding is om het Europees consumentenrecht ambtshalve toe te passen. ING heeft vervolgens bij akte op het tussenvonnis gereageerd. Daarnaast heeft zij [gedaagde] bij exploot opgeroepen op woensdag 28 februari 2024 te verschijnen. 1.
  3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.
  4. Omdat de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, wordt tegen [gedaagde] verstek verleend. 2.
  5. Aan de hand van het gestelde in de dagvaarding en de akte van ING is de vordering getoetst aan de dwingende bepalingen van het Europees consumentenrecht. Daaromtrent wordt het volgende overwogen. 2.
  6. ING stelde bij dagvaarding dat tussen partijen een overeenkomst tot het openen en aanhouden van een bankrekening was gesloten (betaalrekening) en dat daarop art. 7:63 BW niet van toepassing was. Het betrof namelijk een betaalrekening zonder kredietruimte. Daarop was volgens ING een roodstand ontstaan, zonder dat ING daar toestemming voor had verleend (ongeoorloofde roodstand). Nadat de kantonrechter hier vragen over had gesteld heeft ING bij akte toegegeven dat wel sprake was van een kredietfaciliteit. [gedaagde] had een doorlopend krediet, met een limiet van € 1.000,
  7. Als gevolg van in rekening gebrachte rente en betaalpakketkosten was er een debetsaldo op de betaalrekening ontstaan dat hoger was dan de limiet. Omdat [gedaagde] niet over ging tot het aanzuiveren van het debetsaldo, werd de kredietfaciliteit beëindigd en kwalificeerde het volledige debetsaldo dat toen op de betaalrekening stond als een ongeoorloofde debetstand. ING stelt niet meer te beschikken over de kredietovereenkomst, maar wel te weten dat die omstreeks 17 december 2018 is gesloten. Ze heeft een brief die gaat over de aanvraag van een studentenbetaallimiet van die datum bijgevoegd. 2.
  8. Kredietovereenkomsten worden ambtshalve getoetst. Ambtshalve toetsing kan ertoe leiden dat de kredietovereenkomst moet worden vernietigd (bijvoorbeeld als geoordeeld wordt dat sprake is van schending van informatieverplichtingen en/of de kredietwaardigheidstoets). In geval van vernietiging moet [gedaagde] de gedane (krediet)bestedingen aan ING terugbetalen, maar is zij geen rente of kosten voor het krediet aan ING verschuldigd. Eventueel al door haar betaalde rente en kosten moeten dan in mindering worden gebracht op het terug te betalen krediet. 2.
  9. Omdat ING haar vordering heeft gewijzigd, kan in het midden blijven of de kredietovereenkomst moet worden vernietigd. Daartoe wordt het volgende overwogen. Bij dagvaarding had ING gesteld dat haar vordering € 1.046,41 bedroeg en had zij haar vordering vervolgens tot € 500,00 beperkt. Zij maakte aanspraak op hoofdsom en wettelijke rente. Bij akte heeft zij haar vordering vermeerderd, in de zin dat ze haar vordering niet langer beperkt, maar ook verminderd, in de zin dat ze zowel de contractuele rente als de tot de dagvaarding verschenen wettelijke rente uit de vordering heeft gehaald. ING betoogt dat in ieder geval een bedrag van € 720,56 aan bestedingen (hoofdsom) open staat, omdat tot dat bedrag wordt gekomen door € 19,80 en € 306,05 aan rente op het bedrag van € 1.046,41 in mindering te brengen. [gedaagde] moet die bestedingen ook terugbetalen als de kredietovereenkomst wordt vernietigd, aldus ING. De kantonrechter volgt ING in haar betoog. Daarom is het gevorderde bedrag van € 720,56 toewijsbaar aan (uitsluitend) hoofdsom - dus de gedane (krediet)bestedingen exclusief rente en kosten - ongeacht of de kredietovereenkomst moet worden vernietigd of niet. De vordering komt daarmee niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen. De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen vanaf veertien dagen na heden. 2.
  10. Gelet op de uitkomst van de procedure zal [gedaagde] worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief de nakosten). De proceskosten van ING worden vastgesteld op: - kosten dagvaarding € 130,49 - griffierecht € 322,00 - salaris gemachtigde € 82,00 (1 x 82,00) - nakosten € 41,00 (plus de betekeningskosten zoals in de beslissing zal worden vermeld) Totaal € 575,49 De akte van ING blijft voor haar eigen rekening. 3De beslissing De kantonrechter 3.
  11. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 720,56, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na heden, 3.
  12. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van ING vastgesteld op € 575,49, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.
  13. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, 3.
  14. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst en in het openbaar uitgesproken op 12 juni
  15. 676 \ 61512

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.