RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Zutphen Zaaknummer: 10885736 \ CV EXPL 24-197 Vonnis van 17 juli 2024 in de zaak van [eiser in conv] , te [woonplaats], eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser in conv], gemachtigde: mr. L.M. Bischof, tegen [gedaagde in conv] , te [vestigingsplaats], gedaagde partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde in conv], gemachtigde: mr. A. Arslan. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 20 maart 2024, - de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte wijziging van eis en aanvullende productie, - de voorafgaand aan de mondelinge behandeling door mr. Arslan overgelegde producties, - de mondelinge behandeling van 25 juni 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- ' [naam 1] is eigenaar van vakantiepark ‘[gedaagde in conv]’ te [vestigingsplaats] (hierna: het park). 2.
- Op 26 mei 2022 heeft [eiser in conv] een zomerhuisje op het park gekocht. Op dezelfde datum is tussen [eiser in conv] en [gedaagde in conv] een huurovereenkomst tot stand gekomen op grond waarvan [gedaagde in conv] een standplaats aan [eiser in conv] verhuurt voor een huurprijs van laatstelijk € 3.145,00 (inclusief toeristenbelasting, vastrecht en btw) per jaar. 2.
- Op de rechtsverhouding van partijen zijn de RECRON-voorwaarden van toepassing. Daarin is onder meer het volgende bepaald: “(…) Regels omtrent het verblijf De RECRON-voorwaarden zijn op alle bij RECRON aangesloten bedrijven hetzelfde. (…) De meeste RECRON-bedrijven hebben echter wel eigen regels omtrent het verblijf op het recreatiebedrijf en regels voor de koop of verkoop van kampeermiddelen. De ondernemer zal u hiervan vooraf in kennis stellen en deze schriftelijke voorwaarden overhandigen. (…) ● Verkoop: voor verkoop van uw kampeermiddel op dezelfde standplaats is toestemming nodig van de ondernemer. Het terrein is immers van de ondernemer en deze houdt zeggenschap over welke huurders op zijn standplaatsen komen. Aan de toestemming kunnen voorwaarden zijn verbonden. (…) (…) Artikel 9: Verkoop kampeermiddel
- Verkoop van het kampeermiddel is te allen tijde toegestaan. De verkoop van het kampeermiddel met behoud van plaats is slechts toegestaan na schriftelijke toestemming van de ondernemer.
- De ondernemer kan verkoopvoorwaarden hanteren welke recreant in acht dient te nemen.
- De recreant die het kampeermiddel verkoopt dient dit voorafgaand aan de verkoop aan de ondernemer bekend te maken. Bij levering van het kampeermiddel eindigt de overeenkomst van rechtswege met onmiddellijke ingang. Het staat de ondernemer vrij al dan niet met de koper een overeenkomst aan te gaan. (…)” Artikel 4 van de campingregels luidt als volgt: “ 4 Verkoop kampeermiddel met behoud van standplaats 4.1 Verkoop van het kampeermiddel met behoud van standplaats is niet mogelijk, tenzij [gedaagde in conv] hiervoor schriftelijk toestemming geeft. [gedaagde in conv] is geen onderbouwing verschuldigd voor het al dan niet verlenen van deze toestemming. (…)” 2.
- Op 30 december 2022 heeft [gedaagde in conv], vooruitlopend op een door haar georganiseerde bijeenkomst op 8 april 2023, een nieuwsbrief verspreid onder haar jaargasten. In deze nieuwsbrief heeft [gedaagde in conv] onder meer aangekondigd dat zij geen toestemming meer zal verlenen om tot verkoop van de kampeermiddelen met behoud van standplaats over te gaan. 2.
- Tijdens de door [gedaagde in conv] georganiseerde bijeenkomst op 8 april 2023 is bij diverse jaargasten van het park de vrees ontstaan dat de kampeermiddelen van het park verwijderd zullen worden. [gedaagde in conv] heeft na de bijeenkomst onder een aantal parkgasten een brief verspreid om duidelijkheid te geven over hetgeen tijdens de bijeenkomst is besproken. In die brief is vermeld dat het mogelijk is dat jaargasten hun kampeermiddel verkopen met behoud van standplaats, in overeenstemming met de geldende voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat het kampeermiddel bij verkoop niet ouder dient te zijn dan 20 jaar. 2.
- Bij factuur van 5 december 2023 heeft [gedaagde in conv] een bedrag van € 3.145,00 aan [eiser in conv] in rekening gebracht in verband met de huur van de standplaats, de toeristenbelasting en het vastrecht over de periode van 1 december 2023 tot 30 november
- [eiser in conv] is niet tot betaling overgegaan. 2.
- In maart 2024 heeft [gedaagde in conv] een document met nieuwe parkregels onder de jaargasten verspreid. In dat document is onder meer het volgende vermeld:“Parkreglement Jaarplaatsen (…) Ingangsdatum reglement: 01-04-2024 (…) Artikel 9: Verkoop van kampeermiddel 9.1 Het verkopen van het kampeermiddel ouder als 20 jaar met behoud van standplaats is niet toegestaan. (…) 9.3 Verkoop van het kampeermiddel met behoud van standplaats jonger als 20 jaar is niet mogelijk, tenzij ‘t [gedaagde in conv] hiervoor schriftelijk toestemming geeft. [gedaagde in conv] is geen onderbouwing verschuldigd voor het al dan niet verlenen van deze toestemming. (…)” 2.
- ' t Wieskamp heeft een op 14 juni 2024 gedateerde nieuwsbrief onder de jaargasten verspreid waarin onder meer is vermeld:“(…) Verkoop met behoud van standplaats Onze jaargasten zijn vrij om hun kampeermiddel te verkopen met behoud van standplaats. Dit betekent dat u uw kantoormiddel mag verkopen, en dat Wieskamp de standplaats aanbiedt aan de potentiële koper. De wijzigingen in de verkoopvoorwaarden Eerder hielden wij bij de beoordeling van toestemming voor verkoop met behoud van standplaats rekening met de staat van onderhoud en de leeftijd van het betreffende kampeermiddel. Na beraad hebben wij deze voorwaarde opgeheven. Procedures bij verkoop Bij de verkoop van het kampeermiddel: ● Dient u ons managementteam op de hoogte te stellen van dat u uw kampeermiddel wenst te verkopen ● Alvorens u overgaat tot verkoop van uw kampeermiddel met behoud van standplaats, dient een gesprek plaats te vinden tussen ons managementteam en de nieuwe huurder, zodat bekend is wie op het vakantiepark zal blijven en zodat de nieuwe huurder kennis kan maken met ons managementteam. De artikelen 9.4 tot en met 9.9 van het Parkreglement Jaarplaatsen (Versie 2024) blijven onverminderd van toepassing. (…)” 3Het geschil in conventie 3.
- [eiser in conv] vordert, na wijziging van eis, dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: primair:
- [gedaagde in conv] zal veroordelen tot betaling van € 66.000,00, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag, althans nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 januari 2024 tot aan de dag van volledige betaling, subsidiair:
- de verkoopbeperkingen, zoals onder meer in de nieuwsbrieven, de RECRON-voorwaarden en het parkreglement geformuleerd, betreffende de verkoop met behoud van staplaats zal vernietigen, althans als zijnde onredelijk bezwarend dan wel wegens strijdigheid met de redelijkheid en billijkheid zal vernietigen en/of buiten toepassing zal verklaren en zal verklaren dat [eiser in conv] het recht toekomt om met behoud van staplaats zijn zomerhuis te mogen verkopen,
- [gedaagde in conv] zal bevelen in te stemmen met een verkoop met behoud van staplaats en hiervoor aan [eiser in conv] vervangende toestemming zal verlenen om zijn zomerhuis met behoud van staplaats te kunnen verkopen, althans zal bepalen dat dit vonnis in de plaats komt van de noodzakelijke (rechts)handelingen ex artikel 3:300 jo. 3:301 BW, althans hieraan een dwangsom zal verbinden ter hoogte van € 2.500,00 voor elke dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde in conv] geen toestemming verleent om tot verkoop met behoud van staplaats over te gaan, met een maximum van € 200.000,00, primair en subsidiair:
- voor recht zal verklaren dat [gedaagde in conv] is tekortgeschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen alsmede/onderscheidenlijk onrechtmatig jegens [eiser in conv] heeft gehandeld en uit dien hoofde aansprakelijk is voor alle gevallen en nog te lijden schade,
- [gedaagde in conv] zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten te begroten op € 1.435,00, althans een door de kantonrechter nader te bepalen bedrag, alsmede [gedaagde in conv] zal veroordelen in de volledige proceskosten, althans een volgens het liquidatietarief vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de nakosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente. 3.
- [eiser in conv] legt aan zijn vordering ten grondslag dat sprake is van een tekortkoming ex artikel 6:74 BW omdat [gedaagde in conv], in strijd met de RECRON-voorwaarden als onderdeel van de overeenkomst, de verkoop van kampeermiddelen op het park feitelijk onmogelijk maakt door het onthouden van toestemming voor verkoop met behoud van standplaats en aan hem niet eens een schadevergoeding dan wel enige compensatie toekent. Ook handelt [gedaagde in conv] onrechtmatig ex artikel 6:162 BW alsmede in strijd met haar zorgplicht als professionele partij en verhuurder omdat zij onrechtmatig inbreuk maakt op het eigendomsrecht van [eiser in conv] en zij hem geen enkel alternatief of compensatie aanbiedt. [gedaagde in conv] dient de door [eiser in conv] geleden schade te vergoeden omdat het zomerhuisje bij verkoop niet meer vatbaar is voor verkoop en sprake is van dit waardeverlies. Deze schade is door [eiser in conv] begroot op € 66.000,00, zijnde de waarde van het zomerhuis en de door [eiser in conv] gedane investeringen. Subsidiair dienen de opgelegde verkoopbeperkingen als zijnde onredelijk bezwarend te worden vernietigd, alsmede dienen zij in de gegeven omstandigheden niet toepasselijk te worden geacht, dan wel dienen zij buiten toepassing te blijven wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid. Ook is sprake van dwaling zodat het beding voor vernietiging in aanmerking komt. 3.
- ' [gedaagde in conv] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser in conv], dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser in conv] in de kosten van deze procedure, inclusief nakosten. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in reconventie 3.
- ' [gedaagde in conv] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- [eiser in conv] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.854,50 (3.415,00 + 439,50), te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over € 3.415,00 vanaf 10 januari 2024, althans vanaf de dag van de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum tot aan de dag der algehele voldoening, en te vermeerderen met de wettelijke rente over € 439,50 vanaf de dag van de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum tot aan de dag der algehele voldoening,
- zal verklaren voor recht dat [eiser in conv] tekortschiet in de nakoming van zijn contractuele verplichtingen en [eiser in conv] zal bevelen om zijn voornoemde contractuele verplichtingen na te komen, alsmede [gedaagde in conv] zal veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten. 3.
- ' [gedaagde in conv] legt aan haar vordering ten grondslag dat [eiser in conv], ondanks herhaalde aanmaning, niet tot betaling van de huur over het jaar 2024 is overgegaan. [gedaagde in conv] verkeert in verzuim vanaf 10 januari 2024 zodat zij de wettelijke rente is verschuldigd. Ook moet zij de buitengerechtelijke incassokosten van € 439,50, dan wel € 235,86 conform artikel 6:96 lid 2 sub c BW betalen. [eiser in conv] schiet tevens tekort in de nakoming van zijn verplichtingen die voortvloeien uit de campingregels omdat het perceelonderhoud van [eiser in conv] niet voldoet aan de gestelde eisen. 3.
- [eiser in conv] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde in conv], dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde in conv] in de kosten van deze procedure. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling zowel in conventie als in reconventie 4.
- Vooropgesteld wordt dat deze procedure een internationaal karakter heeft omdat [eiser in conv] zijn woonplaats heeft in [woonplaats]. Daarom moet eerst ambtshalve worden beoordeeld of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht op het voorliggende geschil van toepassing is. 4.
- Op grond van het bepaalde in artikel 24 lid 1 van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, is de Nederlandse rechter bevoegd omdat het gehuurde perceel in Nederland gelegen is. 4.
- Ingevolge het bepaalde in artikel 4 lid 1 aanhef en sub c van de Verordening (EG) Nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I), is op deze zaak het Nederlands recht van toepassing. in conventie 4.
- [eiser in conv] vordert primair betaling van een schadevergoeding van € 66.000,
- Hij heeft aan die vordering ten grondslag gelegd dat verkoop van zijn zomerhuisje met behoud van standplaats niet meer mogelijk is, terwijl daar door [gedaagde in conv] geen legitieme reden voor hoeft te worden gegeven. Dit leidt er volgens [eiser in conv] toe dat het zomerhuisje feitelijk niet meer kan worden verkocht zodat het zijn gehele, althans een aanzienlijk deel van de markwaarde verliest. Daarmee is sprake van zowel een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst (artikel 6:74 BW), als een onrechtmatige daad (6:162 BW), aldus [eiser in conv]. 4.
- Voor een succesvol beroep op artikel 6:74 BW of artikel 6:162 BW is in beide gevallen (onder meer) vereist dat sprake is van schade. Daarvan is in dit geval evenwel geen sprake. Vast staat immers dat feitelijk geen verkoop van het zomerhuisje heeft plaatsgevonden. [eiser in conv] heeft [gedaagde in conv] nimmer verzocht om zijn vakantiehuisje te mogen verkopen met behoud van standplaats en hij heeft ook te kennen gegeven die intentie thans niet te hebben. Het enkele feit dat [gedaagde in conv] wellicht zijn zomerhuisje in de toekomst niet zou kunnen verkopen met behoud van standplaats omdat [gedaagde in conv] daarvoor geen toestemming gaat verlenen, betekent niet dat hij daarom thans in zijn vermogen is verarmd. Van concrete schade is derhalve niet gebleken. Reeds hierom zal de primaire vordering van [eiser in conv] worden afgewezen. 4.
- [eiser in conv] vordert subsidiair vernietiging van de verkoopbeperkingen zoals deze in onder meer de nieuwsbrieven, de RECRON-voorwaarden en het Parkreglement zijn geformuleerd omdat deze verkoopbeperkingen volgens [eiser in conv] onredelijk bezwarend zijn. 4.
- Vooropgesteld wordt dat nieuwsbrieven niet zijn aan te merken als algemene voorwaarden in de zin van artikel 6:231 BW, zodat eventuele daarin geformuleerde verkoopbeperkingen niet getoetst kunnen worden en niet voor vernietiging vatbaar zijn. 4.
- De kantonrechter begrijpt de stellingen van [eiser in conv] aldus dat artikel 9 van de RECRON-voorwaarden moet worden aangemerkt als onredelijk bezwarend. De vraag of dit beding onredelijk bezwarend is, dient beoordeeld te worden aan de hand van de open norm van artikel 6:233 sub a BW. Bij de toepassing van die open norm is de EG-richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn) van belang. Op grond van artikel 3 lid 1 van de Richtlijn wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. 4.
- In 9 lid 1 van de RECRON-voorwaarden is bepaald dat het een recreant te allen tijde is toegestaan het kampeermiddel te verkopen maar dat verkoop van het kampeermiddel met behoud van standplaats, slechts is toegestaan nadat de ondernemer (in dit geval [gedaagde in conv]) daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend. Hiermee wordt beoogd dat de ondernemer zelf de keuze kan maken of hij met de koper van het kampeermiddel een huurovereenkomst wenst aan te gaan. Het opnemen van een dergelijke clausule is niet ongebruikelijk bij vakantieparken. Het staat de ondernemer als verhuurder immers, gelet op het uitgangspunt van contractsvrijheid, in beginsel vrij om te bepalen met wie hij al dan niet een huurovereenkomst wenst aan te gaan. Dat [gedaagde in conv] bij het verlenen van toestemming zelf verkoopvoorwaarden kan hanteren en een eigen afweging kan maken, maakt nog niet dat het beding oneerlijk is. Van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen is geen sprake. Artikel 9 van de RECRON-voorwaarden kan in de gegeven omstandigheden dan ook niet worden aangemerkt als een oneerlijk beding en daarmee niet als onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233 BW. 4.
- Aan de vraag of artikel 9 lid 1 en lid 3 van het Parkreglement Jaarplaatsen d.d. 1 april 2024 (hierna: het Parkreglement) onredelijk bezwarend is, wordt – los van de vraag of dit reglement wel toepasselijk is – niet toegekomen omdat vast staat dat de regels die hierin zijn geformuleerd, door [gedaagde in conv] zijn opgeheven. Dit heeft zij vermeld in de nieuwsbrief van 14 juni 2024 en dit heeft zij ook toegezegd tijdens de mondelinge behandeling op 25 juni
- Uitgangspunt is dan ook dat [gedaagde in conv] zich niet meer kan beroepen op het bepaalde in artikel 9 lid 1 en 3 van het Parkreglement. [eiser in conv] heeft dan ook geen belang bij toetsing van deze bepalingen. Voor zover [eiser in conv] heeft beoogd te stellen dat artikel 9 lid 7 van het Parkreglement onredelijk bezwarend is, wordt als volgt overwogen. Dit artikellid luidt als volgt:“De aspirant-kopers moeten voor de huur van de standplaats een overeenkomst maken met [gedaagde in conv]. [gedaagde in conv] behoudt zich het recht voor aspirant kopers zonder opgaaf van redenen te weigeren.” Ook in dit artikellid is het uitgangspunt van contractsvrijheid tot uitdrukking gebracht. Het staat [gedaagde in conv] in beginsel vrij om zelf te bepalen met wie zij een huurovereenkomst wenst te sluiten en daarbij een eigen afweging te maken. Dit maakt niet dat dit beding in het Parkreglement oneerlijk is. Van een onredelijk bezwarend beding is geen sprake. 4.
- [eiser in conv] heeft zich verder, althans zo worden haar stellingen begrepen, beroepen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248 lid 2 BW. Hetgeen [eiser in conv] in dit verband naar voren heeft gebracht kan echter niet tot de conclusie leiden dat het bepaalde in artikel 9 van de RECRON-voorwaarden en/of artikel 9 lid 7 van het Parkreglement naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Zoals hiervoor reeds is overwogen, staat het [gedaagde in conv] als ondernemer vrij om zelf te bepalen met wie zij een huurovereenkomst wenst aan te gaan. Zonder verdere toelichting, die ontbreekt, kan niet gezegd worden dat dit uitgangspunt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. 4.
- [eiser in conv] heeft voorts nog gesteld dat hij heeft gedwaald bij het aangaan van de overeenkomst tussen partijen omdat [gedaagde in conv] cruciale informatie (alsmede rondom de nog komende herstructurering) niet heeft medegedeeld. De kantonrechter begrijpt niet wat [eiser in conv] met dit beroep op dwaling heeft beoogd. Tussen [eiser in conv] en [gedaagde in conv] is immers alleen een huurovereenkomst tot stand gekomen en uit de stellingen van [eiser in conv] blijkt niet dat hij die overeenkomst wil laten vernietigen op grond van dwaling. Aan de stellingen van [eiser in conv] op dit punt wordt daarom bij gebreke van een deugdelijke toelichting voorbijgegaan. 4.
- [eiser in conv] heeft ten slotte subsidiair gevorderd dat het [gedaagde in conv] wordt bevolen om aan [eiser in conv] toestemming te verlenen om zijn zomerhuisje met behoud van standplaats te verkopen. Deze vordering komt niet voor toewijzing in aanmerking omdat daarvoor geen grondslag is gesteld of gebleken. Er bestaat geen rechtsregel die [gedaagde in conv] ertoe kan verplichten om voor het gebruik van de standplaats waarop het zomerhuisje van [eiser in conv] is geplaatst, in de toekomst een huurovereenkomst te sluiten met een thans nog voor haar onbekende persoon. 4.
- De conclusie is dat de vorderingen van [eiser in conv] zullen worden afgewezen. [eiser in conv] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. De proceskosten van [gedaagde in conv] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 1.630,00 (2,00 punten × € 815,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.765,00 in reconventie 4.
- Niet in geschil is dat [eiser in conv] de huur (inclusief toeristenbelasting, vastrecht en btw) over de periode van 1 december 2023 tot 30 november 2024 ter hoogte van € 3.145,00 onbetaald heeft gelaten. In reconventie vordert [gedaagde in conv] betaling van dit bedrag. [eiser in conv] heeft de verschuldigdheid daarvan op zichzelf niet betwist, maar heeft zich beroepen op opschorting, dan wel verrekening met de vordering die hij in conventie heeft ingesteld. Dit beroep kan evenwel niet slagen omdat uit het hiervoor overwogene blijkt dat de vordering in conventie zal worden afgewezen. Niet gebleken is dat [eiser in conv] een opeisbare tegenvordering op [gedaagde in conv] heeft. [eiser in conv] dient derhalve de achterstallige huurpenningen te betalen. Volgens de factuur van 5 december 2023 (productie 12 van de zijde van [gedaagde in conv]) bedraagt het totale bedrag aan huur, toeristenbelasting, vastrecht en btw over voornoemde periode € 3.145,00 en niet € 3.415,00 zoals door [gedaagde in conv] is gevorderd. De hoofdsom zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 3.145,00 en voor het overige worden afgewezen. De niet betwiste wettelijke rente over de hoofdsom is als op de wet gegrond toewijsbaar. 4.
- De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen omdat [gedaagde in conv] niet, althans niet voldoende duidelijk, heeft gesteld op welke datum de aanmaning in de zin van artikel 6:96 lid 6 BW door [eiser in conv] op zijn laatst is ontvangen, dan wel op welke datum [gedaagde in conv] deze aanmaning aan [eiser in conv] heeft verzonden. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:
- 4.
- ' [gedaagde in conv] heeft gesteld dat [eiser in conv] tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen die voortvloeien uit de campingregels, meer specifiek artikel 3.3., 3.
- en
- Volgens [gedaagde in conv] voldoet het perceelonderhoud niet aan de in de campingregels gestelde eisen. Gelet op de gemotiveerde betwisting van deze stelling door [eiser in conv] had het op de weg van [gedaagde in conv] gelegen de stelling dat [eiser in conv] tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen nader te onderbouwen. Dit heeft zij echter nagelaten. Het enkel stellen dat het perceelonderhoud niet aan de regels voldoet, is daarvoor in elk geval onvoldoende. De door [gedaagde in conv] gevorderde verklaring voor recht zal daarom als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen. 4.
- [eiser in conv] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. Aan salaris gemachtigde wordt één punt toegekend gezien de samenhang van de vorderingen in conventie en reconventie. De proceskosten van [gedaagde in conv] worden vastgesteld op € 232,00 aan salaris gemachtigde. 5De beslissing De kantonrechter in conventie: 5.
- wijst de vorderingen van [eiser in conv] af, 5.
- veroordeelt [eiser in conv] in de proceskosten van € 1.765,00, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser in conv] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
- veroordeelt [eiser in conv] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in reconventie: 5.
- veroordeelt [eiser in conv] om aan [gedaagde in conv] te betalen een bedrag van € 3.145,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 10 januari 2024 tot aan de dag van volledige betaling, 5.
- veroordeelt [eiser in conv] in de proceskosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde in conv] gevallen en vastgesteld op € 232,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf zeven dagen na heden tot aan de dag van volledige betaling, 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. I.C.J.I.M. van Dorp en in het openbaar uitgesproken op 17 juli
- lt