vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/435910 / HA ZA 24-254 Vonnis van 12 juni 2024 in de zaak van de onderlinge waarborgmaatschappij met uitgesloten aansprakelijkheid ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ CZ GROEP U.A., statutair gevestigd te Tilburg, eiseres, advocaat mr. H.A. Bravenboer te Rotterdam, tegen [gedaagde] , ingeschreven op een [adres] , gedaagde, niet verschenen. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding; het tegen gedaagde verleende verstek. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De beoordeling 2.
- Het gevorderde komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens voor zover hierna anders wordt overwogen. Het gevorderde zal als volgt worden toegewezen. 2.
- Eiseres heeft onder meer wettelijke rente over de hoofdsom (€ 36.488,58) en de onderzoekskosten (€ 660,00) gevorderd, primair gerekend vanaf 6 april
- Omdat niet gesteld of gebleken is dat eiseres het bedrag van € 36.488,58 op 6 april 2023 aan gedaagde heeft betaald en evenmin dat eiseres de onderzoekskosten op die datum heeft gemaakt, is het gevorderde in zoverre niet toewijsbaar. Subsidiair heeft eiseres wettelijke rente gevorderd vanaf de datum van dagvaarding, zijnde 1 mei
- Deze subsidiaire vordering is toewijsbaar. 2.
- Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eiseres worden begroot op: - dagvaarding € 136,72 - griffierecht € 2.889,00 - salaris advocaat € 786,00 (1,0 punt × tarief € 786,00) Totaal € 3.811,
- 2.
- De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld. 3De beslissing De rechtbank 3.
- veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen een bedrag van € 36.488,58, vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag met ingang van 1 mei 2024 tot de dag van volledige betaling, 3.
- veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen een bedrag van € 660,00 aan onderzoekskosten, vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag met ingang van 1 mei 2024 tot de dag van volledige betaling, 3.
- veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen een bedrag van € 1.146,49 aan buitengerechtelijke incassokosten, 3.
- veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op € 3.811,72, 3.
- veroordeelt gedaagde in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 178,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat gedaagde niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 92,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, 3.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 3.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. G.F. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2024.