RECHTBANK GELDERLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Arnhem Zaaknummer: C/05/438033 / JE RK 24-687 Datum mondelinge uitspraak: 18 juli 2024 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling (met instemming) in de zaak van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland, gevestigd te Tiel, hierna te noemen de GI, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , hierna te noemen [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [naam moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] , [naam vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] . 1Het verloop van de procedure 1.
- De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in zijn beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 juni
- 1.
- De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft geen mening gegeven. 1.
- De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 juli
- Daarbij was geen van de betrokken partijen aanwezig. De ouders en de GI hebben een uitnodiging van de kinderrechter ontvangen, maar hebben zich vooraf afgemeld via de jeugdbeschermer. 2De feiten 2.
- De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 2.
- [de minderjarige] woont bij zijn moeder. 2.
- De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 juli 2023 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 3 augustus
- 3Het verzoek 3.
- De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. 4De standpunten 4.
- Uit het verzoekschrift blijkt dat de moeder en de vader akkoord gaan met de verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] . Er is sprake van een ondertoezichtstelling met instemming. 5De beoordeling 5.
- De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengen voor de duur van drie maanden en het verzoek voor het overige aanhouden (artikel 1:260, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW)). Op basis van de stukken is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de criteria genoemd in artikel 1:255 BW. 5.
- Er zijn nog steeds grote zorgen over [de minderjarige] . Hij gaat nog steeds niet naar school en komt nauwelijks buiten. Daarnaast heeft [de minderjarige] een verstoorde relatie met zijn moeder. Met zijn vader heeft [de minderjarige] überhaupt geen contact. Daardoor leeft hij geïsoleerd en stagneert zijn ontwikkeling op alle gebieden. De ingezette hulpverlening heeft tot nu toe niet tot verbetering geleid. Dit terwijl [de minderjarige] al sinds 2020 onder toezicht van de GI staat. De GI wil de komende tijd onderzoeken of een gezinsopname of een soortgelijk alternatief nog wel tot verbetering kan leiden. Hoewel het om een ondertoezichtstelling met instemming gaat, constateert de kinderrechter dat het in dit geval onvoldoende duidelijk is geworden wat er afgelopen jaar is geprobeerd en wat de effecten daarvan zijn. De kinderrechter wil daarom toch met de betrokken partijen (ouders, [de minderjarige] en GI) in gesprek om te bespreken wat er concreet voor nodig is om de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] af te wenden. Om die reden zal er een nieuwe mondelinge behandeling worden gepland gelegen voor 3 november
- 6De beslissing De kinderrechter: 6.
- verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 3 november 2024; 6.
- houdt de beslissing over het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling aan tot de mondelinge behandeling (bij voorkeur bij mr. van Arem) in de tweede helft van de maand oktober 2024 (of een nader te bepalen eerdere datum), zoals hiervoor in 5.
- is overwogen; 6.
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. F.G. van Arem, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2024, in aanwezigheid van mr. G. Vlemmings als griffier. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.