vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Nijmegen zaakgegevens 10958694 \ CV EXPL 24-665 \ 51588 \ 40140 uitspraak van vonnis van 28 juni 2024 in de zaak van De naamloze vennootschap CZ Zorgverzekeringen N.V. en de onderlinge waarborgmaatschappij Onderlinge Waarborgmaatschappij CZ groep U.A. gevestigd te [plaats] eisende partij gemachtigde Flanderijn Gerechtsdeurwaarders tegen [gedaagde] wonende te [plaats] gedaagde partij procederend in persoon Partijen worden hierna CZ en [gedaagde] genoemd. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 4 januari 2024 met producties - de conclusie van antwoord met producties - de aanvulling op de conclusie van antwoord met producties - de conclusie van repliek met producties - de conclusie van dupliek. 1.
- Vervolgens is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- Tussen partijen heeft een zorgverzekeringsovereenkomst bestaan. De polis is per 31 december 2022 beëindigd. Uit hoofde van deze zorgverzekeringsovereenkomst was [gedaagde] in 2022 maandelijks een premievergoeding aan CZ verschuldigd van € 134,
- 2.
- [gedaagde] heeft een achterstand in de premiebetalingen laten ontstaan. 3De vordering en het verweer 3.
- CZ vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 227,73 (bestaande uit: € 180,99 aan hoofdsom, € 6,74 aan rente tot 4 januari 2024 en € 40,00 aan buitengerechtelijke kosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 180,99 vanaf 4 januari 2024 en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 3.
- CZ baseert haar vordering op het volgende. [gedaagde] heeft de (restant)premies voor de maanden november (€ 46,49) en december 2022 (€ 134,50), ondanks daartoe te zijn aangemaand, niet (volledig) betaald. Hij is daarom ook de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd. 3.
- [gedaagde] voert verweer. Daarop wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
- [gedaagde] heeft de aanvulling op zijn conclusie van antwoord in de Engelse taal ingediend. Hoewel voor de Nederlandse rechter in principe in de Nederlandse taal dient te worden geprocedeerd, heeft de kantonrechter in dit geval expliciet toegestaan dat [gedaagde] zijn aanvulling in het Engels zou indienen. Aan het verzoek van CZ dat de aanvullende conclusie van antwoord [de kantonrechter veronderstelt dat CZ hier bedoelt te zeggen] buiten beschouwing te laten, wordt dan ook voorbij gegaan. 4.
- Beoordeeld dient te worden of [gedaagde] de premies over de maanden november en december 2022 aan CZ moet betalen. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij een klacht bij CZ heeft ingediend omdat CZ – volgens hem – ten onrechte een eigen risico in rekening heeft gebracht in verband met ambulancevervoer op 21 december
- Daarnaast heeft [gedaagde] documenten overgelegd in verband met de vermissing van zijn broer. De kantonrechter constateert dat [gedaagde] de verschuldigdheid van de premies over de maanden november en december 2022, waar de onderhavige vordering over gaat, niet (kenbaar) heeft betwist. De klacht die [gedaagde] bij CZ heeft ingediend gaat buiten deze zaak om, omdat de ambulancekosten geen onderwerp binnen dit geschil zijn. De ingediende klacht kan dan ook geen (gegronde) reden vormen om de premies over de maanden november en december 2022 niet te betalen. Ook de geschetste situatie waarin de broer van [gedaagde] zich thans bevindt kan, hoe schrijnend deze ook is, dat oordeel niet veranderen. De gevorderde hoofdsom wordt daarom toegewezen. 4.
- De gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten worden eveneens toegewezen omdat [gedaagde] de verschuldigdheid ervan niet (gemotiveerd) heeft betwist en hij deze op grond van de wet verschuldigd is. 4.
- [gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. 5De beslissing De kantonrechter 5.
- veroordeelt [gedaagde] aan CZ te betalen een bedrag van € 227,73, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 180,99 vanaf 4 januari 2024 tot de dag dat alles is betaald; 5.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van CZ vastgesteld op € 137,39 aan dagvaardingskosten, € 130,00 aan griffierecht en € 80,00 aan salaris voor de gemachtigde; 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.D.R. Joppe en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2024.