vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaakgegevens 10872021 \ CV EXPL 24-329 \ 43576 \ 40140 uitspraak van vonnis in de zaak van de stichting [eiser] gevestigd te [plaats] eisende partij gemachtigde B.W. van Tuijl tegen [gedaagde] wonende te [woonplaats] gedaagde partij procederend in persoon Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 2 januari 2024 met producties; - de conclusie van antwoord met producties; - de conclusie van repliek met producties; - de conclusie van dupliek met producties; - de akte uitlaten producties van [eiser] . 1.
- Vervolgens is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- [eiser] verhuurt sinds 4 juni 2018 aan [gedaagde] de woning aan de [adres] te [plaats] , tegen een maandelijkse huurprijs van (laatstelijk) € 857,
- 2.
- In de huurovereenkomst (artikel 4.4.) is bepaald dat [gedaagde] de maandelijkse huurprijs vóór de eerste dag van elke maand dient te betalen. [gedaagde] heeft hier niet steeds (stipt) aan voldaan. 3De vordering en het verweer 3.
- [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 1.975,77 aan achterstallige huurpenningen tot december 2023, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2023 en de buitengerechtelijke kosten van € 189,20, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 3.
- [eiser] baseert haar vordering op het volgende. [gedaagde] heeft, ondanks aanmaning, nagelaten het restant van de huur voor de maand september (€ 261,33) en de volledige huur voor de maanden oktober en november 2023 (€ 857,22 per maand) te betalen. Hij is daarom ook de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd. 3.
- [gedaagde] voert verweer. Daarop wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
- Beoordeeld moet worden of [gedaagde] de gevorderde huurachterstand moet betalen, hetgeen [eiser] stelt en [gedaagde] betwist. 4.
- [eiser] heeft in de inleidende dagvaarding betaling gevorderd van de (restant) huur over de maanden september tot en met december 2023, totaal € 1.975,
- [gedaagde] betwist de gestelde huurachterstand en stelt dat hij de huur voor die maanden al heeft betaald. Ter onderbouwing daarvan heeft [gedaagde] bij antwoord bankafschriften overgelegd. 4.
- [eiser] heeft bij repliek – kort samengevat – aangegeven dat zij alle betalingen uit de door [gedaagde] overlegde bankafschriften heeft ontvangen en verwerkt en verwijst daarbij naar de specificaties die zij bij repliek heeft overgelegd als producties 10 tot en met
- Vervolgens stelt [eiser] onder punt 9 van haar repliek dat de huurachterstand thans € 2.571,66 is (dus meer dan bij dagvaarding gevorderd) bestaande uit de maanden oktober, november 2023 en maart
- Uit de tweede bladzijde van de als productie 15 overgelegde specificatie blijkt echter dat laatstgenoemde huurachterstand is opgebouwd uit voor- en achterstanden over de jaren 2020 t/m
- Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, is onduidelijk waar de door [eiser] gevorderde huurachterstand nu daadwerkelijk op gebaseerd is. Daar komt bij dat, hoewel ze heeft gesteld dat zij betalingen van [gedaagde] heeft afgeboekt op de oudst openstaande vordering (voor zover [gedaagde] bij zijn betalingen geen vermelding van een specifieke maand heeft opgenomen), dit ook niet uit haar specificaties blijkt. Aangezien [eiser] geen duidelijk inzicht heeft gegeven in haar afboekingsvolgorde moet het ervoor worden gehouden dat zij betalingen van [gedaagde] niet heeft afgeboekt conform het bepaalde in artikel 6:43 BW. Als gevolg daarvan komt de (juistheid van de) gestelde huurachterstand niet vast te staan, wat betekent dat de gevorderde hoofdsom wordt afgewezen. 4.
- De gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten worden eveneens afgewezen, nu die daarmee samenhangen. 4.
- [eiser] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. 5De beslissing De kantonrechter 5.
- wijst de vordering af; 5.
- veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [gedaagde] vastgesteld op € 0,
- Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. R.M. Schoo en in het openbaar uitgesproken op