RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/439971 / KG ZA 24-282 Vonnis in kort geding van 22 augustus 2024 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. E.E. Tiebie, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. B. Anik. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 3 van 16 augustus 2024, - de brief met productie 1 namens de man van 20 augustus 2024, ingekomen op 21 augustus 2024, - de akte van eiswijziging met productie 4 namens de vrouw, ingekomen op 21 augustus 2024, - de mondelinge behandeling van 22 augustus 2024, - de pleitnota van de man. 1.2. In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 22 augustus 2024 vonnis bepaald. De feiten en de motivering waarop de in dat vonnis gegeven beslissing steunt, worden hierna vastgelegd. 2De feiten 2.1. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. De vrouw was aanvankelijk woonachtig in Den Helder. In augustus 2022 zijn partijen gaan samenwonen in de huurwoning van de man in Arnhem. De vrouw is met ingang van 1 december 2022 op dat adres ingeschreven. 2.2. Partijen zijn de ouders van de minderjarige [dochter] , geboren op [datum] 2024 te Arnhem. De man heeft [dochter] erkend en partijen hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over haar. 2.3. Kort na de geboorte van [dochter] heeft de vrouw de relatie met de man beëindigd. Op 3 mei 2024 is zij met [dochter] vertrokken naar Den Helder en heeft zij daar een huurwoning betrokken. 2.4. De man heeft naar aanleiding van het vertrek van de vrouw met [dochter] naar Den Helder een kort geding tegen haar aanhangig gemaakt om te bewerkstelligen dat zij met [dochter] terugkeert naar Arnhem. Bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 14 augustus 2024 (met kenmerk: C/15/353914 / KG ZA 24-348) zijn de vorderingen van de man toegewezen, in die zin dat de vrouw is bevolen om uiterlijk binnen één week na betekening van het vonnis met [dochter] terug te verhuizen naar Arnhem op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij daaraan niet voldoet tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt. Daarnaast is bij dat vonnis een zorg- en contactregeling bepaald, inhoudende dat de man de eerste drie maanden drie maal per week gedurende maximaal drie uur per keer in de woning van de vrouw omgang met [dochter] heeft, waarbij hij alle zorgtaken alleen uitvoert en de vrouw zich op de achtergrond houdt, en dat de daaropvolgende maanden [dochter] in ieder geval twee dagdelen per week (gedurende elke keer minimaal vier uren) waarvan één in het weekend bij de man verblijft en de man nog één keer per week gedurende drie uur in de woning van de vrouw komt om omgang met [dochter] te hebben zoals hiervoor genoemd. In het vonnis staat voor zover voor de beoordeling relevant het volgende: “Verhuisverbod gebod terugverhuizen 4.4 De voorzieningenrechter stelt op grond van het voorgaande vast dat de vrouw met [dochter] is verhuisd van Arnhem naar Den Helder zonder dat zij de daarvoor vereiste toestemming van de man had. Voorts is vast komen te staan dat partijen er bewust samen voor hebben gekozen om ouders te worden. Reeds om die reden wordt de verhuizing van de vrouw met [dochter] naar Den Helder niet geaccepteerd. Eigenrichting is immers simpelweg niet toegestaan. De vordering van de man is ook in kort geding toewijsbaar. De veroordeling is immers voorlopig, in die zin dat partijen alsnog in onderling overleg dienen te treden over de gevolgen van de beëindiging van hun samenleving, waaronder ook een verhuizing is begrepen. (…) De voorzieningenrechter is met de man van oordeel dat de door de vrouw aangevoerde argumenten voornamelijk zien op haar eigen wensen en geeft zij hiermee geen blijk in te zien wat een grote beslissing dit is in het leven van dit pasgeboren kind. De vrouw lijkt zich onvoldoende te realiseren wat het betekent voor het kind om haar vader niet in de buurt te hebben. Bovendien heeft de man aangeboden dat de vrouw met [dochter] zolang zij in of rond Arnhem geen andere woning heeft gevonden, in zijn woning met ingerichte babykamer (de voormalige gezamenlijke woning) kan verblijven. Hij zal zelf in dat geval elders verblijven. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de vrouw bevelen terug te verhuizen naar Arnhem. Daarbij zal de vrouw in afwijking van de vordering van de man, een week de tijd worden gegund om terug te verhuizen.” 2.5. Het vonnis is op 16 augustus 2024 aan de vrouw betekend. 2.6. De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 14 augustus 2024. 2.7. Tot aan de mondelinge behandeling van dit kort geding verbleef de vrouw nog altijd met [dochter] in Den Helder. 3Het geschil 3.1. De vrouw vordert na eiswijziging dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 14 augustus 2024 (met kenmerk: C/15/353914 / KG ZA 24-348) schorst voor zover is bepaald dat zij uiterlijk binnen één week na betekening van het vonnis met [dochter] dient terug te verhuizen naar Arnhem en daaraan een dwangsom is verbonden, II. bepaalt dat de zorg- en contactregeling vastgesteld in het onder I. vermelde vonnis wordt geschorst, III. een (tijdelijke) verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststelt, inhoudende dat [dochter] om de week van zaterdag 11:00 uur tot zondag 16:00 uur bij de man verblijft, waarbij de vrouw van zaterdag 11:00 uur tot 14:00 uur en van zondag 13:00 uur tot 16:00 uur aanwezig is en vanaf 1 januari 2025 de vrouw meer aanwezig zal zijn. 3.2. De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Het spoedeisend belang vloeit voldoende voort uit de aard van het gevorderde. 4.2. Het gaat hier om een executiegeschil ex artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Uitgangspunt daarbij is dat het vonnis, dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, moet worden nagekomen. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de vrouw bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door haar ingestelde hoger beroep is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van de man bij de tenuitvoerlegging van het vonnis. Bij deze belangenafweging moet, behalve als sprake is van een kennelijke feitelijke of juridische misslag, in beginsel worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing (vgl. HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). Aangezien het vonnis in dit geval betrekking heeft op een minderjarig kind, moet bij de belangenafweging ook uitdrukkelijk het belang van de minderjarige worden betrokken. 4.3. Bij het vonnis van 14 augustus 2024 heeft de voorzieningenrechter de vrouw bevolen om uiterlijk binnen één week na betekening van het vonnis met [dochter] terug te verhuizen naar Arnhem op straffe van een dwangsom. In het bestek van dat kort geding is door de voorzieningenrechter vastgesteld dat de vrouw met [dochter] is verhuisd van Arnhem naar Den Helder zonder dat zij de daarvoor vereiste toestemming van de man had. In die procedure zijn de belangen van partijen en hun minderjarig kind reeds afgewogen. De voorzieningenrechter heeft in dat vonnis overwogen dat de door de vrouw aangevoerde argumenten (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.