beschikking RECHTBANK GELDERLAND Familie- en jeugdrecht Zittingsplaats Arnhem Zaakgegevens: C/05/429880 / ES RK 23-563 en C/05/432501 / FA RK 24-679 Datum uitspraak: 24 september 2024 beschikking echtscheiding met nevenvoorzieningen in de zaak van [verzoekster] (nader te noemen: de vrouw), wonende te [woonplaats] , advocaat mr. A.M. Slootweg te Barneveld, tegen [verweerder] (nader te noemen: de man), wonende te [woonplaats] , advocaat mr. C.J.A. Snouckaert van Schauburg-Buchwaldt te Veenendaal. 1Het verloop van de procedure 1.1. De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen: het verzoekschrift, ingekomen op 18 december 2023; het exploot van betekening van 28 december 2023; het verweerschrift met zelfstandig verzoek, ingekomen op 29 januari 2024; het verweerschrift tegen zelfstandig verzoek, ingekomen op 22 februari 2024; de aanvullende verzoeken met producties namens de man van 11 juli 2024; het F9-formulier met brief en producties namens de vrouw van 15 juli 2024; een pleitnota met vermeerdering van eis en bijlagen namens de man van 24 juli 2024; het bezwaar namens de vrouw tegen het laatste ingediende stuk van de man van 24 juli 2024. 1.2. De zaak is besproken op de mondelinge behandeling van 25 juli 2024 met gesloten deuren. Daarbij waren de beide partijen aanwezig, bijgestaan door hun advocaten alsmede een zittingsvertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (nader te noemen: de Raad). 1.3. De minderjarige [kind] is gelet op zijn leeftijd in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. [kind] heeft gebruik gemaakt van de uitnodiging en hij heeft een gesprek met een andere kinderrechter gehad. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechter samengevat wat [kind] heeft verteld. 2De feiten 2.1. Partijen zijn op [datum] in de gemeente [plaats] met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen. 2.2. Zij hebben de Nederlandse nationaliteit. 2.3. Het minderjarige kind van partijen is: - [kind] , geboren op [geboortedatum] in [woonplaats] . 2.4. De man woont sinds 17 oktober 2020 beschermd bij een instelling voor psychiatrische problematiek, te weten [naam instelling] in [woonplaats] . 2.5. Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 1 februari 2024 is bepaald dat [kind] aan de vrouw wordt toevertrouwd en is er een zorgregeling vastgesteld waarbij [kind] bij de man verblijft de woensdagmiddag na schooltijd tot 19.00 uur en op zaterdag, zoals deze thans functioneert, zulks onder begeleiding van professionele derden. Het verzoek van de man om kinder- en partneralimentatie is afgewezen. 3De beoordeling 3.1. Deze rechtbank is bevoegd omdat de man in het rechtsgebied van de rechtbank Gelderland woont. 3.2. In de wet staat dat ouders pas een verzoek tot echtscheiding kunnen doen, als zij een ouderschapsplan hebben gemaakt waarin zij afspraken hebben gemaakt over hun kind(eren). In dit geval is er geen ouderschapsplan overgelegd. Toch zal de rechtbank het verzoek tot echtscheiding beoordelen. Het is namelijk voldoende aannemelijk dat er redelijkerwijs geen ouderschapsplan kan worden overgelegd, omdat de ouders geen afspraken kunnen maken over de verdeling van de zorg en de verdeling van de kosten van [kind] . Het verzoek om een ouderschapsplan aan te hechten aan de beschikking wordt afgewezen, omdat er geen ouderschapsplan is. 3.3. Partijen zijn het eens over, althans er is geen verweer gevoerd tegen: de duurzame ontwrichting van het huwelijk zodat tussen hen de echtscheiding kan worden uitgesproken op verzoek van beide partijen; de hoofdverblijfplaats van [kind] bij de vrouw; het voortgezet gebruik van de echtelijke woning door de vrouw. De rechtbank zal zo beslissen. 3.4. Partijen zijn het niet eens over: de regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (de zorgregeling); de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] (de kinderalimentatie); de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de man (de partneralimentatie); de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk. Deze onderwerpen komen hierna aan de orde. Vooraf 3.5. Mr. Snouckaert van Schauburg-Buchwaldt heeft op 24 juli 2024 een pleitnota met vermeerdering van eis met bijlagen ingediend. Hiertegen is bezwaar gemaakt door mr. Slootweg en zij verzoekt de verzoeken en bijlagen buiten beschouwing te laten. 3.6. De rechtbank overweegt dat een partij in beginsel zijn of haar verzoeken kan vermeerderen tot aan de mondelinge behandeling. Nadere stukken moeten in beginsel tien dagen voor de mondelinge behandeling zijn overgelegd. Stukken die na die termijn of op de mondelinge behandeling in het geding worden gebracht, worden door de rechter buiten beschouwing gelaten, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet. De rechtbank ziet geen aanleiding om de overgelegde stukken nog toe te laten, omdat de man alle gelegenheid had deze stukken eerder in het geding te brengen. De aanvullende verzoeken worden hierna per verzoek beoordeeld inclusief de vraag of het in strijd met de goede procesorde is om ze nog toe te laten. De zorgregeling en onderzoek door de Raad 3.7. De man verzoekt - bij gewijzigd verzoek - een zorgregeling vast te stellen, waarbij hij wekelijks contact heeft met [kind] op dinsdag uit school van 14.15 uur tot 17.30 uur en een keer per veertien dagen op zaterdag van 11.00 tot 18.00 uur bij de zus van de man, en tijdens de schoolvakanties een extra dag van 10.00 uur tot 18.00 uur, althans een zodanige regeling als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren. Ook verzoekt hij indien nodig voor onbegeleid contact de Raad onderzoek te laten doen wat de meest optimale zorgverdeling zal zijn voor [kind] in de situatie dat de man nog op [naam instelling] woont en wanneer hij zelfstandig woont met (indien nodig ambulante begeleiding), te bepalen dat de omgangsregeling vanaf het moment dat de man zelfstandig woont, nader zal worden bepaald zodra hiervan sprake is. 3.8. De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man. De vrouw stelt voor dat de voorlopige zorgregeling wordt omgezet in een definitieve zorgregeling, waarbij expliciet wordt vastgelegd dat de contactmomenten altijd zullen worden begeleid door een jeugdprofessional voor de volledige duur van de omgang en met continu toezicht. Met uitzondering van de omgang op de zaterdag, omdat dit niet haalbaar bleek en het advies van CJG en de kindercoach was om dit te stoppen. 3.9. De rechtbank zal een raadsonderzoek gelasten. De rechtbank acht het contact tussen de man en [kind] op dit moment erg weinig en ook niet op natuurlijke wijze verlopen. Hierin moet verandering komen. Het is belangrijk dat de omgang genormaliseerd wordt, rekening houdend met de bijzondere behoefte van [kind] en van de man. De begeleiding vanuit CJG en de kindercoach lijken vast te lopen. Er ontstaat weerstand bij [kind] , maar die weerstand komt mogelijk door een loyaliteitsconflict waarin hij lijkt te geraken. Partijen staan lijnrecht tegenover elkaar in hun visie over wat mogelijk is. Het komt er op neer dat de man beschermd woont, omdat het eerder niet goed met hem ging. Ondertussen is hij naar eigen zeggen al langere tijd hersteld en is het de bedoeling dat hij zelfstandig gaat wonen met ambulante begeleiding. Hij heeft eerder voor [kind] gezorgd en kan nu weer voor [kind] zorgen. Volgens de vrouw schetst de man een veel rooskleuriger beeld van de situatie dan feitelijk juist is. Er is nog altijd sprake van een ernstige psychische aandoening. De omgang kan daarom alleen onder professionele begeleiding plaatsvinden, waarbij de man ook niet met [kind] in de auto mag rijden, ondanks de overgelegde keuring van de man door bureau Rijbewijskeuringen. Daarnaast moet er volgens de vrouw rekening gehouden worden met de diagnose ASS bij [kind] . 3.10. De rechtbank merkt dat het voor beide partijen lastig is om objectief naar de situatie te kijken. De rechtbank heeft dan ook behoefte aan een neutrale visie en advies. Door een onderzoek van de Raad kan er zicht komen op de (on)mogelijkheden van omgang, de wijze van begeleiding en welke hulp nodig is. Hierbij benadrukt de rechtbank, zoals ook de Raad heeft gedaan, dat de rol van de zus van de man als serieuze optie onderzocht moet worden, ook om de omgang zoveel mogelijk te normaliseren. 3.11. De rechtbank verzoekt de Raad te adviseren en rapporteren over de volgende vragen: Welke mogelijkheden zijn er voor een zorgregeling van [kind] met de vader? Zijn er omstandigheden die een zorgregeling belemmeren? Zo ja, welke komen vanuit het kind en welke vanuit de ouder(s)? Hoe en op welke termijn zijn deze omstandigheden op te heffen? Hoe zou een zorgregeling (vorm en frequentie) er in het belang van [kind] uit moeten zien? Welke rol speelt professionele begeleiding op dit moment en is professionele begeleiding van de omgang noodzakelijk en welke rol kunnen familieleden zoals de zus van de man spelen? In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in voornoemde vragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de te nemen beslissing? Is een onderzoek gericht op een kinderbeschermingsmaatregel geïndiceerd? 3.12. De rechtbank zal in afwachting van de uitkomsten van het Raadsonderzoek, iedere verdere beslissing over de definitieve zorgregeling aanhouden tot een mondelinge behandeling in februari/maart 2025 van mr. B. Krijnen. De Raad wordt verzocht om de raadsrapportage uiterlijk twee weken voor de mondelinge behandeling aan de rechtbank en partijen beschikbaar te stellen, zodat partijen hierop nog kunnen reageren voor de mondelinge behandeling. 3.13. Voor de tussenliggende periode stelt de rechtbank een voorlopige zorgregeling vast, waarbij [kind] en de man omgang hebben elke woensdagmiddag na schooltijd onder begeleiding van professionele derden (te weten tot op heden op de praktijk van de kindercoach van [kind] ). Dit is hoe de omgang op dit moment loopt. De eerder vastgestelde omgang op zaterdag, is niet goed van de grond gekomen en zou teveel zijn voor [kind] . Het advies van CJG is geweest om dit omgangsmoment te laten vervallen. 3.14. De rechtbank volgt het advies van de Raad om de omgang nu niet uit te breiden, omdat het nu vooral belangrijk is om te zorgen dat de weerstand bij [kind] niet toeneemt. De ouders liggen ook niet op één lijn en de rechtbank maakt zich zorgen over het (onbewuste) effect daarvan op [kind] . Daarom zal de rechtbank nu geen verandering aanbrengen in de huidige situatie. Dit betekent overigens niet dat de omgang uitgebreid kan worden of op een andere plek kan plaatsvinden, op het moment dat dit volgens de betrokken hulpverlening mogelijk is. Zoals gezegd, acht de rechtbank de huidige omgang op dit moment weinig. 3.15. Tot slot heeft de man aangegeven dat de begeleiding van de kindercoach ook op dinsdag kan, wat voor hem en mogelijk ook voor [kind] beter uitkomt. Volgens de vrouw moet [kind] door haar gebracht worden en krijgt zij dit niet geregeld met haar werk op dinsdag. De rechtbank geeft partijen in overweging om samen met de kindercoach het juiste moment af te stemmen. Indien de dinsdag beter zou zijn voor [kind] en dit ook mogelijk is voor de kindercoach, is het aan de vrouw om dit mogelijk te maken zoals de man dit nu ook doet met zijn plannen op de woensdag. De kinderalimentatie 3.16. De man verzoekt om een door de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 100 per maand. 3.17. Dit verzoek is niet inhoudelijk besproken op de mondelinge behandeling. De man heeft voorgesteld de zaak op dit onderwerp aan te houden, in afwachting van de definitieve zorgregeling. De vrouw is hiermee akkoord. De rechtbank zal daarom iedere beslissing over de kinderalimentatie aanhouden. De partneralimentatie 3.18. De man verzoekt om een door de vrouw te betalen partneralimentatie van € 550 bruto per maand. De vrouw voert hiertegen verweer. 3.19. De rechtbank wijst het verzoek om partneralimentatie af en overweegt hiertoe als volgt. De huwelijksgerelateerde behoefte 3.20. Bij de berekening van de partneralimentatie stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de man nodig heeft om zijn kosten van te kunnen betalen. Dat wordt de ‘behoefte’ genoemd. Daarbij kijkt de rechtbank niet alleen naar de puur noodzakelijke kosten die de man moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd en naar wat de man daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’ genoemd. 3.21. De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad bij de bepaling van de hoogte van de behoefte rekening moet worden gehouden met alle relevante omstandigheden. De behoefte moet daarbij zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens over de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten - en gelet op de welstand redelijke - kosten van levensonderhoud worden bepaald. De zogenaamde hofnorm is een in de praktijk ontwikkelde vuistregel om de huwelijksgerelateerde behoefte te bepalen. Deze norm sluit aan bij het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen gedurende de laatste tijd van hun samenwoning en gaat uit van een daaraan gerelateerd uitgavenpatroon. Indien de behoefte in geschil is, kan het hanteren van de hofnorm als (enige) maatstaf voor die behoefte echter op gespannen voet komen te staan met het door de Hoge Raad verlangde maatwerk. 3.22. De man stelt zijn behoefte vast op € 2.581 netto per maand op basis van de hofnorm. Dit is het bedrag dat hij nodig heeft als hij op zichzelf gaat wonen. Daarnaast heeft hij een overzicht overgelegd van zijn vaste lasten op dit moment bij begeleid wonen, waaruit vaste lasten blijken van € 1.655,33 netto per maand waar nog aanvullingen op komen voor incidentele uitgaven en onverwachte kosten. De vrouw betwist dat de hofnorm van toepassing is, omdat de man al bijna vier jaar rond komt zonder enige bijdrage van de vrouw en omdat sprake is van bijzondere woonomstandigheden. De man betaalt voor zijn woonvoorziening in een GGZ-instelling een all-in bedrag (de eigen bijdrage) voor kost en inwoning en de begeleiding. Voor het overige heeft hij geen vaste kosten. 3.23. Naar het oordeel van de rechtbank is het voor de beoordeling van de behoefte van de man in dit geval niet passend om aan te sluiten bij de hofnorm. De man verblijft sinds oktober 2020 in een GGZ-instelling en hoewel het volgens de man de bedoeling is dat hij weer zelfstandig gaat wonen, is dat nu nog een onzekere toekomstige omstandigheid. De rechtbank sluit daarom aan bij de situatie hoe deze op dit moment is. Door het verblijf in de instelling heeft de man minder kosten dan tijdens het huwelijk. Hij betaalt voor kost en inwoning een bijdrage aan het CAK van momenteel € 555,03 per maand. Daarnaast blijkt ook uit zijn eigen overzicht dat zijn vaste lasten minder zijn dan volgens de hofnorm. De rechtbank zal de behoefte daarom vaststellen op basis van de werkelijke kosten van de man in plaats van op basis van de hofnorm. 3.24. De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de volgende opgevoerde kosten door de man in zijn overzicht: de kosten van paspoort van € 6,98 per maand, een volledig eigen risico, de inboedelverzekering van € 87,22 per maand, gemeentelijke belastingen van € 5,98 per maand, was en schoonmaak van € 20 per maand, afschrijving auto van € 200 per maand, onderhoud auto van € 25 per maand en wegenbelasting en autoverzekering als hij geen auto heeft, brandstofkosten ter hoogte van € 150 per maand, vakanties/uitjes/dagjes weg van € 62,50 per maand, kapperskosten van € 10 per maand, kleding ter hoogte van € 75 per maand, extra verzorging/eten van € 33,50 per maand en € 80 per maand en cadeautjes voor de kinderen van € 12,50 per maand. 3.25. De rechtbank schat de behoefte van de man in op afgerond € 1.300 netto per maand. Gelet op het overzicht van de man en het daarop gevoerde verweer houdt de rechtbank rekening met de volgende (globaal) geschatte en afgeronde kosten per maand: ziektekosten € 200 (incl. eigen risico) bankkosten € 5 eigen bijdrage CAK € 560 kosten auto € 210 (inclusief ANWB) mobiele telefoon € 10 vakanties/uitjes/dagjes weg/sporten € 100 kleding/schoenen/sportkleding € 75 persoonlijke verzorging € 50 extra voeding € 50 onvoorzien € 40 3.26. De rechtbank houdt dus geen rekening met kosten voor paspoort, was en schoonmaak en gemeentelijke belastingen, omdat hiertegen verweer is gevoerd en niet gebleken is dat de man deze kosten daadwerkelijk heeft. Een aantal andere kosten worden door de rechtbank iets lager ingeschat. Volgens de vrouw hoort de inboedelverzekering bij de woning en komen deze kosten voor haar rekening als zij de woning overneemt. Gelet op dit verweer van de vrouw houdt de rechtbank geen rekening met deze kosten. Dit betekent dan wel dat de kosten voortaan voor rekening van de vrouw komen. Een afschrijving van de auto met € 200 per maand acht de rechtbank geen kostenpost waarmee rekening moet worden gehouden in kader van de behoefte. Hetzelfde geldt voor een reservering van € 20 per maand voor de vervanging van de mobiele telefoon. Voor de overige kosten heeft de rechtbank een redelijke schatting gemaakt, waarbij gebruik gemaakt is van de kosten zoals de man die heeft aangegeven. Een aantal samenhangende posten zijn samengenomen. Naar het oordeel van de rechtbank zit hierin ook meteen een mate van welstand verdisconteerd Behoeftigheid 3.27. Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de man redelijkerwijs in staat is om zelf dat in deze behoefte te voorzien. Als hij daar niet toe in staat is, dan is hij ‘behoeftig’. 3.28. De man ontvangt een WIA-uitkering van € 1.544,90 bruto per maand te vermeerderen met vakantietoeslag. Hiervan houdt de man € 1.332 netto per maand over. Dat inkomen is meer dan de behoefte, dus is er geen behoefte aan een bijdrage van de vrouw. De rechtbank wijst daarom het verzoek om partneralimentatie af. De vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk Echtscheidingsconvenant 3.29. Het primaire verzoek om het echtscheidingsconvenant aan te hechten aan de beschikking wordt afgewezen, omdat er geen echtscheidingsconvenant is. 3.30. Beide partijen hebben daarnaast verzoeken ingediend over de verdeling. Daarbij heeft de man ook om een vergoedingsrecht verzocht. 3.31. De rechtbank oordeelt als volgt. Huwelijksregime 3.32. Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen en zij zijn vóór 1 januari 2018 getrouwd. Dat betekent dat door het huwelijk van partijen een wettelijke gemeenschap van goederen is ontstaan. 3.33. Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op 18 december 2023 ontbonden. Dat betekent in beginsel dat de goederen die partijen op die datum (de zogenoemde ‘peildatum’) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd). Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van de feitelijke verdeling. 3.34. Partijen zijn het erover eens dat de volgende goederen en schulden tot de gemeenschap behoren: de voormalige echtelijke woning staande en gelegen te [adres] (de woning) en de daarop rustende hypothecaire geldleningen; de inboedel; een auto van het merk Mini Cooper; een auto van het merk Toyota; de bankrekeningen; een kapitaalverzekering; een niet opeisbare vordering; belastingteruggaven 2023. De woning 3.35. De vrouw verzoekt de woning aan haar toe te delen, onder de verplichting om de hypothecaire geldlening bij Obvion als haar eigen schuld te voldoen en de man terzake van deze schuld te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en onder de verplichting om aan de man te voldoen een bedrag van € 41.455, te verminderen met de helft van de notariskosten ten gevolge van de overdracht van de woning aan de vrouw. 3.36. De man is akkoord met de toedeling van de woning aan de vrouw en heeft een uitgebreid verzoek ingediend over de toedeling van de woning aan de vrouw, dan wel de verkoop van de woning aan een derde als de vrouw de woning niet wil of kan overnemen. 3.37. De rechtbank zal onder de beslissing de wijze van verdeling van de woning gelasten volgens een zogenaamd spoorboekje. Hierbij wordt onder andere het volgende in aanmerking genomen. 3.38. De man wil de waarde van de woning laten taxeren. De vrouw is hiermee akkoord. Gelet op de discussie over de aanwezigheid bij de taxatie, bepaalt de rechtbank dat geen van partijen bij de taxatie aanwezig is, tenzij de makelaar dit wel noodzakelijk acht. In dat geval geldt dat de taxatie plaatsvindt in aanwezigheid van beide partijen. De rechtbank neemt het voorstel van de man over hoe de makelaar voor de taxatie gekozen moet worden. Daarbij bepaalt de rechtbank dat de makelaar die de taxatie uitvoert, ook de makelaar is bij een eventuele verkoop van de woning. De rechtbank ziet geen aanleiding om de taxatiekosten volledig voor rekening van de vrouw te laten komen. De taxatie is voor beide partijen van belang om de waarde van de woning te bepalen. De kosten zijn daarom voor rekening van beide partijen voor de helft. 3.39. De vrouw krijgt een termijn van drie maanden na datum inschrijving echtscheiding om te onderzoeken of zij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen. Dit is een gebruikelijke termijn en de rechtbank ziet geen aanleiding om een langere termijn toe te wijzen. Als de vrouw de woning kan overnemen, moet de woning vervolgens binnen een maand geleverd worden aan de vrouw. De notariskosten die daarmee gemoeid zijn, zijn voor rekening van de vrouw als overnemende partij. Deze kosten zouden bij verkoop aan een derde ook voor rekening van de derde komen. 3.40. Als de vrouw de woning niet kan overnemen, moet de woning te koop worden gezet. De kosten van de makelaar en notaris en overige kosten in verband met de verkoop komen voor rekening van beide partijen voor de helft. De rechtbank neemt bij verkoop van de woning de voorgestelde maximale oplevertermijn van vier maanden van de man over. De vrouw wil bij verkoop van de woning dat de opleverdatum niet eerder is dan de zomer 2025, zodat [kind] school kan afmaken. Partijen hebben hier geen overeenstemming over en voor de rechtbank is dit onvoldoende grond om af te wijken van een gangbare opleverdatum. 3.41. De vrouw moet de helft van de overwaarde aan de man vergoeden of de overwaarde moet bij helfte gedeeld worden bij verkoop van de woning. De rechtbank acht het redelijk dat bij de berekening van de overwaarde rekening wordt gehouden met de hypotheekstand per peildatum (van € 192.089,12), omdat de vrouw vanaf die datum alle hypotheekaflossingen alleen heeft betaald. De inboedel 3.42. De vrouw verzoekt aan ieder van partijen toe te delen de thans feitelijk in zijn of haar bezit zijnde inboedelgoederen, zonder verdere verrekening. De man stelt dat hij nauwelijks inboedelgoederen heeft gekregen en ook niet zijn eigen persoonlijke spullen. De man wil een lijst van de inboedelgoederen. Hij schat de inboedel op € 7.000, zodat de vrouw hem € 3.000 moet voldoen. 3.43. Gelet op de toelichting op de mondelinge behandeling heeft er naar het oordeel van de rechtbank nog geen evenredige verdeling van de inboedelgoederen plaatsgevonden. Dit moet dus nog gebeuren. De rechtbank weet niet wat er aan inboedelgoederen is en ook de man heeft gevraagd om een lijst. De rechtbank bepaalt daarom dat de vrouw een lijst van de inboedelgoederen moet maken zodat de man concreet kan aanwijzen welke (persoonlijke) inboedelgoederen hij nog wenst te ontvangen. Partijen moeten vervolgens in onderling overleg tot een evenredige verdeling komen en de vrouw moet tot afgifte van de inboedelgoederen overgaan. Een optie is ook dat partijen een afspraak maken in de woning en dan meteen tot verdeling overgaan. De verdeling gaat met gesloten beurzen, omdat tweedehands inboedel in het algemeen maar een beperkte waarde vertegenwoordigt en niet gesteld of gebleken is van waardevolle inboedelgoederen. Om deze reden stelt de rechtbank dan ook geen vergoeding door de vrouw aan de man vast. Vergoedingsrecht erfenis oma van de man 3.44. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek eerst te behandelen, gezien de samenhang met de verdelingsverzoeken (spaargeld man en Mini Cooper). 3.45. De man verzoekt te bepalen dat hij een vergoedingsvordering heeft op de gemeenschap op grond van de met uitsluitingsclausule verkregen nalatenschap van zijn grootmoeder tot een bedrag van € 25.822,68, en een vordering (reprise) heeft op de gemeenschap voor de Mini Cooper, die is voldaan vanuit het privé vermogen van de man en daarmee privé vermogen is van de man, althans van € 32.222,68, te voldoen binnen vijf werkdagen na afgifte van de beschikking tot echtscheiding, althans een zodanige beslissing en zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren. De man heeft op de erfenis moeten interen, omdat de vrouw hem geen aanvullende middelen ter beschikking wilde stellen voor zijn kosten van levensonderhoud. Toen de man naar [naam instelling] (instelling) ging, kon hij de Toyota niet meenemen en moest hij eigen vervoer aanschaffen. Hij heeft toen de Mini Cooper aangeschaft. De man had op de peildatum nog een saldo over van de nalatenschap van € 3.100 en € 0,11. De man stelt voor zover nodig dat het geërfde geld is gebruikt om schulden van de gemeenschap te voldoen. 3.46. De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing. Zij voert aan dat de omvang en daadwerkelijk uitbetaling van de erfenis niet is bewezen, dat de gezamenlijk rekening feitelijk alleen door de man werd gebruikt, het geld door de man is uitgegeven aan luxe/onnodige uitgaven, de man de verplichting had dit geld uit te geven aan de kosten van de huishouding met een beroep op de uitspraak van de Hoge Raad van 27 januari 2023 ECLI:NL:HR:2023:96 en meer subsidiair dat niet bewezen is dat het geld op is. Het kan ook contant opgenomen zijn. Het is niet duidelijk wat er met het geld is gebeurd en de vrouw heeft hier nooit enige beschikking over gehad. De bewijslast ligt bij de man om aan te tonen dat ten laste van zijn privévermogen gemeenschapsschulden zijn voldaan. 3.47. De rechtbank oordeelt als volgt. De man heeft een verklaring van erfrecht overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van een erfenis onder uitsluitingsclausule. Partijen zijn het er over eens dat deze erfenis niet in de gemeenschap valt en privévermogen van de man vormt. Daarnaast heeft de man bankafschriften overgelegd van de gezamenlijke rekening van partijen waaruit blijkt dat op 31 augustus 2020 een bedrag van € 25.000 is overgemaakt als voorschot, op 20 november 2020 een bedrag van € 5.410 als voorschot, op 18 december 2020 een bedrag van € 1.750 als voorschot en op 27 december 2021 een bedrag van € 62,68 als slotbetaling erfenis. Deze bedragen zijn overgemaakt op de gezamenlijke rekening van partijen. Gelet op deze bankafschriften gaat de rechtbank uit van een ontvangen erfenis van in totaal € 32.222,68. Hoewel de eerste bedragen zijn overgeschreven met de omschrijving “voorschot”, is de laatste betaling met de omschrijving “slotbetaling”. Mede gelet hierop acht de rechtbank de stelling van de vrouw dat de omvang en daadwerkelijke uitbetaling van de erfenis niet is bewezen, onvoldoende onderbouwd. 3.48. De erfenis is dus in delen gestort op de gezamenlijke rekening van partijen ( [nummer 1] ) en na de stortingen grotendeels direct doorgeboekt naar de spaarrekening ( [nummer 2] ) gekoppeld aan de gezamenlijke rekening. De gezamenlijke rekening en de daaraan gekoppelde spaarrekening behoren toe tot de gemeenschap. Dat alleen de man feitelijk gebruik maakte van de gezamenlijke rekening en alleen zijn uitkering op deze bankrekening werd gestort, maakt dit niet anders. Met de storting van de erfenis onder uitsluitingsclausule op de gezamenlijke rekening is het privévermogen van de man verschoven naar het vermogen de gemeenschap en heeft de man in beginsel een vergoedingsrecht op de gemeenschap. 3.49. Uit het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:504, volgt dat wanneer onder uitsluiting verkregen geld op een gemeenschappelijke rekening is terechtgekomen en vervolgens is besteed aan gemeenschapsschulden, de vordering van de verkrijger in beginsel in stand blijft. Hieruit volgt dat het in dit geval aan de vrouw is om te stellen en onderbouwen dat het geld is besteed aan zaken die niet als gemeenschapsschulden kunnen worden beschouwd. Dit is voor rechtbank niet komen vast te staan. 3.50. De vrouw stelt dat de man het geld aan zichzelf heeft uitgegeven aan luxe en onnodige uitgaven, dan wel de kosten van zijn huishouding. Het begrip “gemeenschapsschulden” is echter ruim: hieronder vallen onder meer consumptieve uitgaven, vakanties en de kosten van huishouding. En blijkens de parlementaire geschiedenis heeft het begrip huishouding betrekking op ‘het gemeenschappelijk belang’ (TM, Parl. Gesch. BW Boek 1, p. 242). Aangenomen wordt dat alle uitgaven die dienen tot het lichamelijke en geestelijke welzijn van de echtgenoten als kosten van de huishouding kunnen worden aangemerkt. Ook de kosten voor scholing, medische verzorging, vakanties, hobby’s en ontspanning zullen (in beginsel) tot de kosten van de huishouding behoren. De kosten van de huishouding zijn dus niet beperkt tot dat wat puur binnenshuis wordt besteed, maar ook de gelden die buitenshuis aan ontspanning en vrijetijdsbesteding. De consumptieve uitgaven zoals kleding, vis van de markt of eten van de Macdonalds waarnaar de vrouw verwijst, vallen dan ook aan te merken als gemeenschapsschulden. 3.51. Bovendien is de rechtbank onvoldoende gebleken dat de man zijn privévermogen op grond van artikel 1:84 BW had moeten aanwenden voor de kosten van de huishouding en daarmee gehouden was de schulden van de gemeenschap te betalen en hij om die reden geen vergoedingsrecht heeft. De zogenoemde fourneerplicht van artikel 1:84 BW komt erop neer dat wanneer het gezamenlijke inkomen en het gezamenlijke vermogen van partijen onvoldoende is om in de kosten van de huishouding te voorzien, partijen uit hun privévermogen daaraan moeten bijdragen. Het is dan ook de vraag of het vergoedingsrecht van de man teniet is gegaan door het betalen van gemeenschapsschulden omdat er op het moment van betaling niet voldoende gezamenlijk inkomen en gezamenlijk vermogen van partijen was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw, op wie de stelplicht rust omdat zij een beroep doet op artikel 1:84 lid 1 BW, onvoldoende gesteld om tot het oordeel te kunnen komen dat er destijds een tekort was aan gezamenlijke inkomen of vermogen van partijen. Sterker nog, onderdeel van het partijdebat is dat de vrouw tijdens het huwelijk een wezenlijk bedrag heeft kunnen sparen (op de gezamenlijke rekening en haar eigen rekening), zoals ook onder meer blijkt uit de banksaldi op de peildatum. Dit spaargeld had dan ook eerst aangesproken moeten worden, voordat toegekomen wordt aan het aanspreken van privévermogen van – in dit geval – de man. In zoverre wijkt deze zaak ook af van de Hoge Raad van 27 januari 2023 ECLI:NL:HR:2023:96, waarin er geen gemeenschappelijk vermogen was. 3.52. De rechtbank is ook niet gebleken dat uitdrukkelijk of stilzwijgende is afgesproken dat de man met betrekking tot bepaalde uitgaven ter zake van gemeenschapsschulden geen aanspraak op vergoeding heeft, ook al zijn die uitgaven geheel of ten dele gefinancierd uit aan hem toekomend vermogen. 3.53. De man heeft kortom een vergoedingsrecht tegenover de gemeenschap ter hoogte van de door hem met zijn privévermogen betaalde gemeenschapsschulden. Dat betekent dat het resterende bedrag van de erfenis op zijn spaarrekening (€ 3.100,11) aan hem toekomt zonder nadere vergoeding. Ook de (betaling van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.