beschikking RECHTBANK GELDERLAND Familie- en jeugdrecht Zittingsplaats Zutphen Zaakgegevens: C/05/428179 / FZ RK 23-3456 en C/05/434002 / FZ RK 24-812 Datum uitspraak: 30 september 2024 beschikking echtscheiding met nevenvoorzieningen in de zaak van [verzoeker] , hierna de man, wonende te [woonplaats] , advocaat mr. C.W.J. de Bont te Doetinchem tegen [verweerster] , hierna de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. A.J.M. van Haaren te Doetinchem. 1Het verloop van de procedure 1.1. Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken: - het verzoekschrift van de man, ingekomen op 23 november 2023, - het betekeningsexploot van 24 november 2023, - het verweerschrift van de vrouw met zelfstandige verzoeken, ingekomen op 5 februari 2024, - het verweerschrift van de man ten aanzien van de zelfstandige verzoeken van de vrouw, ingekomen op 27 maart 2024, - het F9-formulier van de vrouw van 11 juni 2024 met brief en productie X t/m XIII, - het F9-formulier van de man van 11 juni 2024 met productie 6 en 7. 1.2. Tijdens de mondelinge behandeling van 21 juni 2024 zijn gehoord: - de man, bijgestaan door mr. C.W.J. de Bont, - de vrouw, bijgestaan door mr. A.J.M. van Haaren. 2De feiten 2.1. Partijen zijn op [datum] in [woonplaats] met elkaar getrouwd in wettelijke beperkte gemeenschap van goederen. Zij hebben de Nederlandse nationaliteit. 3Het verzoek en het verweer 3.1. De man verzoekt: tussen partijen de echtscheiding uit te spreken, partijen te veroordelen over te gaan tot scheiding en deling van de tussen hen bestaande goederengemeenschap, de beschikking, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. De vrouw verzoekt het echtscheidingsverzoek van de man toe te wijzen en de man voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn verzoeken af te wijzen. Zij verzoekt zelfstandig: de man te veroordelen tot betaling van € 700 per maand aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, subsidiair minimaal € 353 per maand, meer subsidiair een bedrag als de rechtbank juist acht, de wijze van verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen vast te stellen, inhoudende dat: a. de woning van partijen verkocht zal worden en partijen daartoe binnen twee weken na het wijzen van de beschikking in deze opdracht zullen geven aan [naam makelaar] te [woonplaats] , waarbij partijen vervolgens zullen voldoen aan de door de makelaar te bepalen noodzakelijke maatregelen om de woning te koop te kunnen aanbieden en de makelaar bevoegd is in redelijkheid de vraag- en uiteindelijke verkoopprijs vast te stellen wanneer partijen daarover geen overeenstemming mochten bereiken, alsmede partijen na verkoop hun volledige medewerking aan levering van de woning aan de kopers dienen te verlenen, en - indien de man daaraan zijn medewerking niet of niet volledig mocht verlenen- te bepalen dat de man alsdan een dwangsom van € 1.000 aan de vrouw dient te voldoen voor iedere dag dat hij daarmee in gebreke blijft, terzake van de bankrekening als genoemd onder b van het verweerschrift te bepalen dat de saldi daarvan bij helfte aan ieder der partijen toekomen, terzake de auto’s de Citroën C1 aan de man en de Peugeot aan de vrouw wordt toebedeeld, de thans nog in de echtelijke woning bevindende inboedelgoederen aan de man worden toebedeeld tegen betaling van € 2.600 door de man aan de vrouw wegens overbedeling, de vrouw terzake van voorhuwelijks (privé)vermogen een aanspraak van primair € 30.608,82, subsidiair € 17.085,12, meer subsidiair een door de rechtbank vast te stellen bedrag heeft, en zij zich tot die bedragen op de gemeenschap dan wel de gemeenschapsgelden mag verhalen en zulks voor recht te verklaren, de man terzake van zijn voorhuwelijkse (privé)schulden een bedrag van € 4.680 uit geldlening aan de vrouw dient te betalen, alsmede aan de vrouw een bedrag van € 1.622 dient te betalen zijnde de helft van zijn door de gemeenschap betaalde belastingschulden tot een bedrag van € 3.244, althans -subsidiair- hij een bedrag van € 3.244 aan de gemeenschap dient te vergoeden vanwege zijn door de gemeenschap betaalde belastingschulden, waarvan aan de vrouw vervolgens toekomt een bedrag van € 1.622 en zulks voor recht te verklaren, resumerend ten aanzien van het hiervoor onder b t/m f genoemde bedragen vast te stellen en te bepalen, alsmede voor recht te verklaren, dat de man wegens overbedeling en terugbetaling wegens de vorderingen uit voorhuwelijks vermogen en betaling van voorhuwelijkse schulden aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van in totaal (€ 2.600 + € 25.001 + € 3.050,74 + € 1.050,69 + € 1.506,39 + € 4.680 + € 1.622 =) € 39.510,82 althans subsidiair een bedrag als door de rechtbank in goede justitie te bepalen, kosten rechtens. 3.3. De man voert verweer en verzoekt de verzoeken van de vrouw af te wijzen. 4De beoordeling Echtscheiding 4.1. De rechtbank zal op verzoek van de man de echtscheiding uitspreken. De vrouw heeft ingestemd met dit verzoek. In de wet staat dat je mag scheiden als je huwelijk duurzaam is ontwricht. Daarvan is sprake als het niet meer mogelijk is om met elkaar samen te leven en dat het er niet naar uitziet dat het beter wordt. De vrouw en de man zijn het erover eens dat dit zo is. Partneralimentatie 4.2. Partijen zijn het niet eens over de partneralimentatie. Dat betekent dat de rechtbank een beslissing zal nemen. Conclusie 4.3. De rechtbank zal bepalen dat de man met € 548 per maand moet bijdragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s. Ingangsdatum 4.4. De partneralimentatie kan volgens de wet niet eerder ingaan dan het moment dat de echtscheiding definitief is. Dat is het geval als de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (bij de gemeente). Dat is de ingangsdatum. Huwelijksgerelateerde behoefte 4.5. Bij de berekening van de partneralimentatie stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de vrouw nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen. Dat wordt de ‘behoefte’ genoemd. Daarbij kijkt de rechtbank niet alleen naar de puur noodzakelijke kosten die de vrouw moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd en naar wat de vrouw daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’ genoemd. 4.6. Voor de vaststelling van die huwelijksgerelateerde behoefte is een vuistregel ontwikkeld, de ‘hofnorm’. Die hofnorm neemt het gezinsinkomen van toen partijen nog bij elkaar waren als uitgangspunt. De gedachte is dat partijen gewend waren om daar met zijn tweeën van te leven. Dat betekent dat ieder van hen de helft van dat inkomen nodig heeft om de uitgaven te blijven doen, zoals diegene gewend was tijdens het huwelijk. Maar beide partijen hebben na de scheiding meer geld nodig, omdat het leven voor alleenstaanden nu eenmaal duurder is dan voor gehuwden. Zij kunnen kosten niet meer met een ander delen en daarom gaat de hofnorm ervan uit dat de behoefte 60% van het gezinsinkomen is. 4.7. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat partijen te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. De vrouw stelt dat moet worden uitgegaan van de inkomens van partijen uit juni 2023, omdat partijen op dat moment uit elkaar gingen. De man stelt dat de huwelijksgerelateerde behoefte gebaseerd moet worden op de inkomens van partijen in 2022. De man is in 2023 meer uren gaan werken vanwege de relatiebreuk en de behoefte om vaker weg te zijn van huis. Hij stelt dat de vrouw nooit gewend is geraakt aan dit hogere inkomen. De vrouw stelt dat partijen de eerste helft 2023 nog een relatie hadden en heeft ter onderbouwing van haar standpunt app-berichten en een vakantieboeking overgelegd. 4.8. De rechtbank volgt het standpunt van de vrouw. De rechtbank is van oordeel dat uit de inhoud van de app-berichten volgt dat partijen begin 2023 nog een relatie hadden. Bovendien hebben zij nog met elkaar samengewoond tot medio juni 2023. De vrouw stelt dat het netto gezinsinkomen in 2023 € 5.135 per maand bedroeg (€ 2.378 van de vrouw en € 2.757 van de man). De man heeft deze inkomensgegevens niet betwist, zodat de rechtbank hier vanuit zal gaan. 4.9. Van dat inkomen heeft de vrouw volgens de hofnorm dus 60% nodig. Dat was € 3.081 netto per maand in 2023. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat nu € 3.272 netto per maand. Behoeftigheid 4.10. Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de vrouw redelijkerwijs in staat is om zelf dat bedrag (€ 3.272) te verdienen. Als zij daar niet toe in staat is, dan is zij ‘behoeftig’. 4.11. De man stelt dat de vrouw zelf kan voorzien in haar behoefte, omdat zij beschikt over verdiencapaciteit doordat zij meer kan werken of omdat zij kan interen op het vermogen dat zij overhoudt na verkoop van de echtelijke woning. De vrouw heeft dit betwist. 4.12. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw geen verdiencapaciteit kan worden toegekend. Zij is sinds 22 februari 2023 ziek gemeld. Ze heeft psychische en lichamelijke klachten en staat onder behandeling bij GGNet. Er staan haar nog meerdere behandeltrajecten te wachten. Uit de overgelegde arbeidsdeskundige rapportage blijkt dat zij wegens haar beperkte belastbaarheid niet kan terugkeren in haar oude functie. Momenteel is het 2e spoor traject ingezet waarbij zij wordt ondersteund in de zoektocht naar ander passend werk, naar waarschijnlijkheid bij een andere werkgever. Uit het Rapport Alimentatienormen volgt dat ‘onder omstandigheden’ het interen op vermogen niet is uitgesloten. De man heeft onvoldoende gesteld dat in het geval van de vrouw sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan zij dient in te teren op vermogen. De rechtbank weegt verder mee dat het nog onduidelijk is of er overwaarde in de woning zit en zo ja, om welk bedrag het gaat, zodat de rechtbank niet kan beoordelen of de vrouw hiermee in haar aanvullende behoefte kan voorzien. Bovendien moet het verkoopproces van de woning nog worden opgestart. Het is duidelijk dat de vrouw op dit moment niet beschikt over vermogen waarop zij zou kunnen interen. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het standpunt van de man dat de vrouw kan interen op haar vermogen. 4.13. Voor het inkomen van de vrouw gaat de rechtbank uit van haar loonstrook over de periode van 22 april 2024 tot en met 19 mei 2024. Hieruit blijkt een salaris van € 280 en een salaris uit ziekte-uren van € 2.277 verminderd met € 228 in verband met ziekte. De rechtbank rekent met 8% vakantiegeld, houdt rekening met € 249 pensioenpremie en € 17 premie WGA. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting komt haar netto besteedbaar inkomen (NBI) op € 2.223 per maand. 4.14. Als dit inkomen in mindering wordt gebracht op voormelde huwelijksgerelateerde behoefte van € 3.272 netto per maand, resteert een aanvullende behoefte van € 1.049 netto per maand. 4.15. Als de man partneralimentatie betaalt, dan moet de vrouw daarover nog belasting afdragen. Daarom bruteert de rechtbank voormeld netto bedrag tot € 2.054 per maand. Draagkracht man 4.16. Vervolgens onderzoekt de rechtbank in hoeverre de man die bijdrage kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ genoemd. 4.17. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) is daarbij het uitgangspunt. Verder rekent de rechtbank met een forfaitair bedrag aan vaste lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. Ook rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het NBI blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie. 4.18. Partijen zijn het erover eens dat de rechtbank dient te rekenen met de jaaropgave 2023. Hieruit blijkt een belastbaar loon van € 41.308. Zijn NBI is dan € 2.813. 4.19. De man verzoekt rekening te houden met een maandelijkse aflossing van € 150. Hij moet in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap een bedrag vergoeden aan de vrouw en dat bedrag kan hij niet in één keer voldoen. De vrouw voert verweer en stelt dat het gaat om een vordering uit hoofde van de nog vast te stellen verdeling en niet om een gemeenschapsschuld, zodat dit niet voor gaat op de onderhoudsverplichting van de man. 4.20. De rechtbank houdt geen rekening met een maandelijkse aflossing. De man heeft gesteld dat er mogelijk overwaarde zit in de echtelijke woning. De man zou deze overwaarde kunnen aanwenden voor het aflossen van zijn schuld aan de vrouw. De rechtbank kan daarom op dit moment niet vaststellen dat de schuld een niet vermijdbare schuld betreft. 4.21. De draagkracht van de man komt daarmee op € 419 per maand. Als de man partneralimentatie betaalt, dan mag hij de betaalde partneralimentatie als aftrekpost opvoeren in de belastingaangifte. Daardoor betaalt hij minder belasting. Door dat belastingvoordeel kan de man meer partneralimentatie betalen. De rechtbank telt daarom dat belastingvoordeel op bij de draagkracht. Daarmee komt de draagkracht van de man dan op een bedrag van € 664 bruto per maand. Vergelijking van de financiële situaties 4.22. Hiervoor heeft de rechtbank berekend dat de man een bedrag van € 664 per maand kan betalen en dat de vrouw ook behoefte heeft aan dit bedrag. Het ligt dan voor de hand dat de man dit bedrag aan partneralimentatie moet betalen. Maar er is ook aangevoerd dat het onredelijk zou zijn als door de betaling van dat bedrag de man minder overhoudt dan de vrouw. Anders gezegd, de vrouw mag niet beter af zijn dan de man na betaling van de partneralimentatie. Om te kunnen vaststellen of die situatie zich hier voordoet, moet de rechtbank de financiële situatie van de man vergelijken met die van de vrouw. 4.23. Na vergelijking van de situaties van partijen, stelt de rechtbank vast dat de vrouw beter af is dan de man als de man het bedrag van € 664 aan partneralimentatie betaalt. De rechtbank legt daarom een lager bedrag aan partneralimentatie op, namelijk € 548 bruto per maand. Bij dat bedrag aan partneralimentatie houden de vrouw en de man namelijk evenveel over. Termijn alimentatieverplichting 4.24. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de wettelijke termijn uit artikel 1:157 BW van toepassing is op de duur van de alimentatieverplichting. Alimentatie vooruitbetalen 4.25. De man moet de partneralimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in de maand wordt betaald. Verdeling beperkte gemeenschap van goederen 4.26. Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen en zijn na 1 januari 2018 getrouwd. Dat betekent dat voor hen de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen geldt. 4.27. Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op 23 november 2023 ontbonden. Tot de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen behoren alle goederen die al vóór het huwelijk samen van partijen waren en alle goederen die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de hiervoor genoemde datum van ontbinding hebben verkregen. Daarvan zijn (onder meer) uitgezonderd erfenissen en giften, maar ook pensioenrechten die al op basis van de wet moeten worden verevend. Wat de schulden betreft, behoren tot de gemeenschap die schulden waarvan partijen al samen schuldenaar waren vóór het huwelijk en alle schulden die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de hiervoor voornoemde datum van ontbinding zijn aangegaan. Daarvan zijn uitgezonderd (onder meer) de schulden die betrekking hebben op goederen die niet tot de gemeenschap behoren. 4.28. Partijen hebben inhoudelijke standpunten ingenomen over de (wijze van) verdeling. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man om partijen te veroordelen over te gaan tot scheiding en deling van de tussen hen bestaande goederengemeenschap, afwijzen. 4.29. De rechtbank zal eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van de feitelijke verdeling. 4.30. Partijen zijn het erover eens dat de volgende goederen en schulden tot de gemeenschap behoren: de woning aan de [adres] en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening; de inboedel van de hiervoor genoemde woning; het saldo op de bankrekeningen; e auto van het merk Citroën C1 en de auto van het merk Peugeot. 4.31. Daarnaast zijn er enkele vergoedingsvorderingen ingediend ten aanzien van het voorhuwelijkse (privé)vermogen en de voorhuwelijkse (privé)schulden en een vorderingsrecht wegens een lening. De woning en de hypothecaire geldlening 4.32. Partijen zijn het erover eens dat de woning moet worden verkocht aan een derde(n). De vrouw heeft verzocht te bepalen dat partijen daartoe binnen twee weken na het geven van de beschikking opdracht zullen geven aan [naam makelaar] te [woonplaats] , waarbij partijen vervolgens zullen voldoen aan de door de makelaar te bepalen noodzakelijke maatregelen om de woning te koop te kunnen aanbieden en de makelaar bevoegd is in redelijkheid de vraag- en uiteindelijke verkoopprijs vast te stellen wanneer partijen daarover geen overeenstemming mochten bereiken, alsmede dat partijen na verkoop hun volledige medewerking aan levering van de woning aan de koper(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.