beschikking RECHTBANK GELDERLAND Familie- en jeugdrecht Zittingsplaats Arnhem Zaakgegevens: C/05/426058 / ES RK 23-424 (echtscheiding) C/05/440528 / FA RK 24-2871 (huwelijksvermogensrecht) Datum uitspraak: 3 oktober 2024 beschikking echtscheiding met nevenvoorzieningen in de zaak van [verzoekster] (hierna te noemen: de vrouw), wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. C.A.H. Boom te Utrecht, tegen [verweerder] (hierna te noemen: de man), wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. M.M.H. Ceelen te Doetinchem. 1Het verloop van de procedure 1.1. De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen: het verzoekschrift, ingekomen op 4 oktober 2023; het exploot van betekening van 12 december 2023; het verweerschrift met zelfstandig verzoek, ingekomen op 21 februari 2024; het verweerschrift tegen zelfstandig verzoek, ingekomen op 23 april 2024; het F9-formulier met aanvullend verzoekschrift van de man, ingekomen op 16 mei 2024; het F9-formulier met bijlagen van de man, ingekomen op 23 augustus 2024; het F9-formulier met bijlagen van de man, ingekomen op 4 september 2024. 1.2. De zaak is besproken op de mondelinge behandeling van 5 september 2024 met gesloten deuren. Daarbij waren de beide partijen aanwezig, bijgestaan door hun advocaten. Ook was er een zittingsvertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) aanwezig. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man spreekaantekeningen overgelegd. 1.3. Na de mondelinge behandeling heeft de rechtbank op 10 september 2024 nog een F9-formulier met een aanvullende productie van de man ontvangen. 2De feiten 2.1. Partijen zijn op [datum] te [plaats] met elkaar getrouwd. 2.2. Zij hebben beiden de Nederlandse nationaliteit. 2.3. De man en de vrouw zijn de ouders van: - [kind], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] . 2.4. De man en de vrouw hebben op 26 juli 2017 huwelijkse voorwaarden laten opmaken. 2.5. Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 19 september 2023 is bepaald dat voor de duur van het geding: de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] , met bevel aan de man deze woning niet verder te betreden; [kind] aan de vrouw wordt toevertrouwd; als verdeling van de zorg- en opvoedingstaken geldt dat [kind] iedere zaterdag bij de man verblijft, waarbij: de man [kind] om 09.00 uur ophaalt bij de vrouw en de vrouw [kind] om 17.00 uur bij de man ophaalt; de man ervoor zorgt dat [kind] al heeft gegeten als de vrouw hem ophaalt; de man ervoor zorgt dat zijn vader of stiefmoeder in beginsel grotendeels tijdens het contactmoment aanwezig is; de man, met ingang van 1 juli 2023, als voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] een bedrag van € 1.366 per maand maandelijks bij vooruitbetaling betaalt als het verzoek tot echtscheiding nog niet is ingediend en € 747 per maand voor de periode dat het echtscheidingsverzoek is ingediend, maar de echtelijke woning nog niet is toebedeeld aan de vrouw of de man of in eigendom is overgedragen aan een derde en de man nog gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, maandelijks bij vooruitbetaling op de eerstvolgende dag van de maand volgend op indiening van het echtscheidingsverzoek; de man, met ingang van 1 juli 2023, als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 109 per maand maandelijks bij vooruitbetaling betaalt als het verzoek tot echtscheiding nog niet is ingediend en € 419 per maand voor de periode dat het echtscheidingsverzoek is ingediend, maar de echtelijke woning nog niet is toebedeeld aan de vrouw of de man of in eigendom is overgedragen aan een derde en de man nog gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, maandelijks bij vooruitbetaling op de eerstvolgende dag van de maand volgend op indiening van het echtscheidingsverzoek. 3De beoordeling 3.1. Deze rechtbank is bevoegd omdat partijen in het rechtsgebied van de rechtbank Gelderland wonen. 3.2. In de wet staat dat ouders pas een verzoek tot echtscheiding kunnen doen, als zij een ouderschapsplan hebben gemaakt waarin zij afspraken hebben gemaakt over hun kind(eren). In dit geval is er geen ouderschapsplan overgelegd. Toch zal de rechtbank het verzoek tot echtscheiding van zowel de vrouw als de man beoordelen. Het is namelijk voldoende aannemelijk dat er redelijkerwijs geen ouderschapsplan kan worden overgelegd, omdat de ouders niet tot een overeenstemming kunnen komen over regelingen voor [kind] . 3.3. Partijen zijn het eens over, althans er is geen verweer gevoerd tegen: de duurzame ontwrichting van het huwelijk zodat tussen hen de echtscheiding kan worden uitgesproken; het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de vrouw gerechtigd is tot voortzetting van de bewoning van de echtelijke woning aan de [adres] en het gebruik van de bij deze woning behorende inboedel gedurende zes maanden na inschrijving van de beschikking; het verzoek van de vrouw om te bepalen dat [kind] zijn hoofdverblijfplaats bij haar zal hebben. De rechtbank zal zo beslissen. 3.4. Partijen zijn het niet eens over: de regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (de zorgregeling); de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] (de kinderalimentatie); de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw (de partneralimentatie); de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk; de gebruiksvergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning door de vrouw. Deze onderwerpen komen hierna aan de orde. De zorgregeling 3.5. De man verzoekt de rechtbank om een zorgregeling vast te leggen waarbij [kind] bij de man verblijft: een weekend per veertien dagen van vrijdag na school tot zondag 16.00 uur, waarbij de vrouw [kind] op zondag ophaalt bij de man; alsmede iedere week van dinsdag 18.00 uur tot woensdag 18.00 uur, waarbij de vrouw [kind] op dinsdag na het avondeten naar de man brengt en de man [kind] op woensdagavond na het eten naar de vrouw brengt; de helft van de vakanties en feestdagen waarbij de verdeling jaarlijks wisselt. Totdat de man een eigen woonruimte heeft in [woonplaats] verzoekt de man om een zorgregeling vast te leggen waarbij [kind] bij de man verblijft een weekend per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de vrouw [kind] op vrijdag naar de man brengt en de man [kind] op zondag naar de vrouw brengt. 3.6. De vrouw vindt dat de Raad eerst een onderzoek moet doen naar de mogelijkheden voor een uitbreiding van de zorgregeling. In de tussentijd kan de tijdelijke zorgregeling worden voortgezet. Geen raadsonderzoek 3.7. De rechtbank zal geen raadsonderzoek gelasten. De rechtbank moet beoordelen welke zorgregeling het meest in het belang van [kind] is. Voor deze beoordeling acht de rechtbank zich voldoende geïnformeerd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor een raadsonderzoek. Hulpverlening 3.8. De vrouw heeft zorgen over de (mentale) gezondheid en de woonsituatie van de man. Zoals tijdens de mondelinge behandeling besproken, kan hulpverlening helpen om deze zorgen tussen partijen bespreekbaar te maken en het wantrouwen tussen partijen weg te nemen. Net als de Raad adviseert de rechtbank partijen om zich (via het wijkteam) aan te melden voor Ouderschap Blijft of een soortgelijk hulpverleningstraject. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling ook toegezegd hiervoor open te staan. Op die manier kunnen partijen werken aan hun onderlinge verstandhouding en communicatie, zodat zij in de toekomst zelf afspraken kunnen maken over [kind] . Partijen hebben als ouders van [kind] nog veel stappen te zetten. Voor het welslagen van een zorgregeling - in welke vorm dan ook - is het van groot belang dat partijen in staat zijn om in ieder geval op een basaal niveau met elkaar te communiceren. Zorgregeling 3.9. Uit hetgeen partijen tijdens de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht blijkt dat het goed gaat met [kind] en dat de tijdelijke zorgregeling goed verloopt. Daarom oordeelt de rechtbank, in lijn met het advies van de Raad, dat de begeleiding bij de omgang moet worden afgebouwd en de omgang binnen zes maanden moet worden opgebouwd naar de weekendregeling zoals de man die verzoekt. Zodra de woonsituatie van de man het toelaat dient [kind] ook een doordeweekse dag bij de man te verblijven. Partijen moeten dit in onderling overleg afspreken. Verder dienen de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte tussen partijen te worden verdeeld. Wat betreft de zomervakantie is het aan partijen om in te schatten welke verdeling (3-3 dan wel 2-2-1-1) het meest in het belang van [kind] is, gelet op zijn jonge leeftijd. Opbouwfase 3.10. Om [kind] (en partijen) aan de uitbreiding van de zorgregeling te laten wennen, dient er een opbouwfase te zijn. De opbouwfase ziet er als volgt uit: met ingang van de datum van deze beschikking verblijft [kind] ieder weekend bij de man van zaterdag 9.00 uur tot zondag 10.00 uur; de volgende stap is dat [kind] om de week van zaterdag 9.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man verblijft; daarna wordt de omgang verder uitgebreid naar om de week van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur; tijdens de Kerstvakantie verblijft [kind] een van de twee Kerstdagen bij de man en daarnaast nog drie á vier extra dagen, door partijen in onderling overleg te bepalen. Het precieze tempo van de afbouw in begeleiding en de opbouw in omgang dienen partijen in onderling overleg te bepalen en met behulp van de hulpverlening die zij inschakelen. De kinderalimentatie 3.11. De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat de man aan haar een bedrag van € 1.588 per maand betaalt als kinderalimentatie. De man voert een behoefte- en draagkrachtverweer. 3.12. Voor de beoordeling van de behoefte en de draagkracht wordt het rapport alimentatienormen van de Expertgroep alimentatienormen tot uitgangspunt genomen. De bedragen zullen worden afgerond op hele getallen. Conclusie 3.13. De rechtbank beslist dat de man een bedrag van € 323 per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf de datum van deze beschikking. Dit betekent dat zij een deel van het verzoek van de vrouw afwijst. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s. Ingangsdatum 3.14. Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden. 3.15. De rechtbank bepaalt de ingangsdatum op de datum van deze beschikking. Voor de duur van deze echtscheidingsprocedure zijn voorlopige voorzieningen getroffen. Indien en voor zover de man stelt dat de voorlopige voorzieningen voor de alimentatie gewijzigd moeten worden, ligt het op zijn weg om hiertoe een verzoek in te dienen. Behoefte 3.16. Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het gezinsinkomen. Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij uitgeven aan hun kinderen. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat de ouders te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. De vrouw stelt dat voor de behoefte moet worden uitgegaan van de inkomensgegevens van 2022, de man van 2023. De rechtbank overweegt dat uit hetgeen partijen hebben verklaard blijkt dat zij in oktober 2022 uit elkaar zijn gegaan. Daarna hebben partijen zich weer een korte periode verzoend met elkaar, waarna zij in april/mei 2023 definitief uit elkaar zijn gegaan. Verder blijkt uit de stukken van de man dat hij vanaf 1 februari 2023 eigen woonruimte huurde. Omdat partijen in 2023 slechts één maand een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, zijn de inkomensgegevens van 2023 niet representatief voor de behoefte van [kind] . Daarom zal de rechtbank voor de bepaling van de behoefte uitgaan van de inkomensgegevens van 2022. Dat is immers het laatste volledige jaar dat partijen bij elkaar waren. 3.17. De man is in loondienst bij [werkgever man] Uit de overgelegde IB-aangifte 2022 blijkt een jaarinkomen van de man van € 118.812. De rechtbank houdt verder rekening met de inkomensheffing, de aanspraak van de man op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting op basis van de fiscale tarieven 2022-2. Dit komt neer op een netto besteedbaar inkomen van € 5.719 per maand. 3.18. De vrouw was in 2022 in loondienst bij [werkgever vrouw] Uit de overgelegde jaaropgave 2022 blijkt een jaarinkomen van € 42.800. De rechtbank houdt verder rekening met de inkomensheffing, de aanspraak van de vrouw op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting op basis van de fiscale tarieven 2022-2. Dit komt neer op een netto besteedbaar inkomen van € 2.914 per maand. 3.19. Door de hoogte van het inkomen van partijen hadden zij geen aanspraak op kindgebonden budget. 3.20. Nu de rechtbank weet wat de ouders te besteden hadden, kan de rechtbank berekenen welk gedeelte daarvan ongeveer aan [kind] werd uitgegeven en wat dus de behoefte van [kind] is. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Uit die tabellen volgt dat ouders bij een gezinsinkomen van (€ 5.719 + € 2.914 =) € 8.633, gemiddeld € 830 per maand uitgaven voor hun kind in 2022. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat nu € 911 per maand. 3.21. Partijen verschillen van mening of er rekening moet worden gehouden met de netto opvangkosten voor [kind] . Toen partijen uit elkaar gingen, was [kind] drie jaar oud en ging hij vier dagen per week naar het kinderdagverblijf. Inmiddels is [kind] vier jaar oud en gaat hij naar school. Daarnaast gaat [kind] drie dagen per week naar de buitenschoolse opvang. Partijen zijn het (inmiddels) eens dat bij de bepaling van de behoefte van [kind] uitgegaan moet worden van de huidige netto opvangkosten. Deze bedragen € 98,66 per maand. De vrouw vindt dat deze kosten bij de behoefte van [kind] moeten worden opgeteld. De man vindt van niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze resterende kosten van € 98,66 dermate hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten. De kosten voor de opvang telt de rechtbank daarom niet bij de behoefte op. De rechtbank stelt de behoefte van [kind] vast op € 911 per maand. Draagkracht ouders 3.22. Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt ook wel de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien. 3.23. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Verder rekent de rechtbank met een forfaitair bedrag aan vaste lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. Ook rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het NBI blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. In dit geval ziet die berekening er als volgt uit: 70% [NBI – (NBI X 0,3 + 1.270)]. Draagkracht man 3.24. Voor het bepalen van de draagkracht van de man rekent de rechtbank op basis van de overlegde loonstrook van augustus 2024. Hoewel de man stelt dat zijn dienstverband op korte termijn door zijn werkgever zal worden beëindigd, heeft de man die stelling op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank houdt geen rekening met een onzekere, toekomstige gebeurtenis. Uit de overgelegde loonstrook blijkt een bruto maandsalaris van € 9.755,94 en een vakantietoeslag van 8%. Dit komt neer op een inkomen van € 126.438 per jaar. 3.25. Verder houdt de rechtbank rekening met de inkomensheffing en de aanspraak van de man op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting met toepassing van de fiscale tarieven van 2024-2. Op grond van het voorgaande bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de man voor de kinderalimentatie € 6.110 per maand. 3.26. Bij de bepaling van het draagkrachtloos inkomen gaat de rechtbank uit van de bijstandsnorm voor een alleenstaande van € 1.270 per maand en een woonbudget van € 1.833. 3.27. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de door de man opgevoerde reiskosten van € 359,90 per maand. De rechtbank stelt vast dat de man deze kosten maakt ter verwerving van inkomen. Daarmee zijn deze kosten naar het oordeel van de rechtbank niet vermijdbaar en niet verwijtbaar. Daarom dienen deze kosten bij het draagkrachtloos inkomen te worden opgeteld. 3.28. De man stelt dat ook rekening gehouden dient te worden met een reservering voor zijn pensioen, omdat hij niet via zijn werkgever in een pensioenfonds zit. De vrouw heeft in 2024 een pensioenopbouw van 27%. De man acht het redelijk om ook bij hem rekening te houden met een reservering voor 27% van zijn inkomen. 3.29. De rechtbank houdt geen rekening met deze opgevoerde last, omdat niet is gebleken dat de man op dit moment feitelijk maandelijkse lasten voor zijn pensioen heeft. De rechtbank houdt geen rekening met onzekere, toekomstige factoren. 3.30. Vorenstaande resulteert in een draagkrachtloos inkomen van € 3.459 per maand. De man heeft dan ook een draagkrachtruimte van € 2.651. Hiervan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie, wat neerkomt op een draagkracht van € 1.856 per maand. Draagkracht vrouw 3.31. Uit de door de vrouw overgelegde loonstroken van januari en februari 2024 blijkt een brutosalaris van € 4.921,33 per maand en een Individueel Keuze Budget van 16,3 %. Dit komt neer op een bruto inkomen van € 68.678 per jaar. De rechtbank houdt verder rekening met een pensioenpremie van € 372 per maand en een premie AOP van € 7 per maand. Dit komt neer op een inkomen van € 64.130 per jaar. 3.32. Verder houdt de rechtbank rekening met de inkomensheffing, de aanspraak van de vrouw op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting, met toepassing van de fiscale tarieven van 2024-2. Ook houdt de rechtbank rekening met de aanspraak van de vrouw op kindgebonden budget (inclusief alleenstaande ouderkop) van in totaal € 3.398 per jaar. Op grond van het voorgaande bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de vrouw voor kinderalimentatie € 4.290 per maand. 3.33. Bij de bepaling van het draagkrachtloos inkomen gaat de rechtbank uit van de bijstandsnorm voor een alleenstaande van € 1.270 per maand en een woonbudget van € 1.287. 3.34. Vorenstaande resulteert in een draagkrachtloos inkomen van € 2.557 per maand. De vrouw heeft dan ook een draagkrachtruimte van € 1.733. Hiervan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie, wat neerkomt op een draagkracht van € 1.213 per maand. Verdeling kosten 3.35. Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd. 3.36. De man en de vrouw hebben samen een draagkracht van (€ 1.856 + € 1.213 =) € 3.069 per maand. Dit is genoeg om alle kosten van te betalen, want die zijn € 911 per maand. Dit betekent dat de man een deel van (1.856/3.069 x 911 =) € 551 per maand moet dragen en de vrouw een deel van (1.213/3.069 x 924 =) € 360 per maand. Zorgkorting 3.37. De man maakt op de dagen dat [kind] bij hem verblijft kosten voor eten en drinken, energielasten en dergelijke: de verblijfskosten. Daarmee voldoet de man – deels – aan zijn onderhoudsverplichting. Voor zover daartegenover een besparing in die kosten van de vrouw staat, verlaagt de rechtbank in beginsel de bijdrage van de man met een percentage van de behoefte van [kind] : de ‘zorgkorting’. 3.38. Conform de hiervoor besproken zorgregeling verblijft [kind] (na de opbouwfase) gemiddeld dagen twee dagen per week bij de man. Daarbij past een zorgkorting van 25 % van de behoefte, dus € 228 per maand. Dat betekent dat de man een bedrag van (€ 551 – € 228=) € 323 per maand moet betalen. Alimentatie vooruitbetalen 3.39. De man moet de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald. De partneralimentatie 3.40. De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat de man aan haar een bedrag van € 1.780 per maand betaalt als partneralimentatie. De man voert een behoefte- en draagkrachtverweer. 3.41. Omdat nu duidelijk is hoeveel de man voor [kind] moet betalen, kan de rechtbank berekenen of hij nog ruimte heeft om partneralimentatie te betalen. Conclusie 3.42. De rechtbank bepaalt dat de man met ingang van de datum waarop de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand € 1.074 per maand aan partneralimentatie aan de vrouw moet betalen. Ingangsdatum 3.43. De partneralimentatie kan volgens de wet niet eerder ingaan dan het moment dat de echtscheiding definitief is. Dat is het geval als de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (bij de gemeente). De huwelijksgerelateerde behoefte 3.44. Bij de berekening van de partneralimentatie stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de vrouw nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen. Dat wordt de ‘behoefte’ genoemd. Daarbij kijkt de rechtbank niet alleen naar de puur noodzakelijke kosten die de vrouw moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd en naar wat de vrouw daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’ genoemd. 3.45. Voor de vaststelling van die huwelijksgerelateerde behoefte is een vuistregel ontwikkeld, de ‘hofnorm’. Die hofnorm neemt het gezinsinkomen van toen partijen nog bij elkaar waren als uitgangspunt. De gedachte is dat partijen gewend waren om daar met zijn tweeën van te leven. Dat betekent dat ieder van hen de helft van dat inkomen nodig heeft om de uitgaven te blijven doen, zoals diegene gewend was tijdens het huwelijk. Maar beide partijen hebben na de scheiding meer geld nodig, omdat het leven voor alleenstaanden nu eenmaal duurder is dan voor gehuwden. Zij kunnen kosten niet meer met een ander delen en daarom gaat de hofnorm ervan uit dat de behoefte 60% van het gezinsinkomen is. 3.46. De man heeft gezegd dat in dit geval de hofnorm niet kan worden gebruikt om de huwelijksgerelateerde behoefte vast te stellen. De man heeft het idee dat hij degene was die het grootste deel van de kosten van de huishouding heeft voldaan en dat de vrouw minder dan naar rato van haar inkomen heeft bijgedragen. De vrouw heeft hierdoor kunnen sparen. De rechtbank overweegt dat de man zijn stellingen op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Gelet op de betwisting door de vrouw, had dit wel op de weg van de man gelegen. De rechtbank zal daarom voorbij gaan aan de stellingen van de man en de behoefte vaststellen aan de hand van de hofnorm. 3.47. Verder stelt de man dat het inkomen van partijen van 2022 niet bepalend kan zijn voor de behoefte van de vrouw, omdat partijen een wisselend inkomen hadden. Hij acht het redelijk om uit te gaan van het gemiddelde gezinsinkomen over 2018 tot en met 2022. In de stellingen van de man ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat het inkomen ten tijde van het feitelijk uiteen gaan van partijen bepalend is voor de behoefte. 3.48. Zoals hiervoor bij de kinderalimentatie besproken bedroeg het gezinsinkomen (€ 5.719 + € 2.914 =) € 8.633. Hiervan dienen de kosten van [kind] te worden afgetrokken. Dit komt neer op een bedrag van € 830. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de opvangkosten van [kind] . De totale opvangkosten bedroegen in 2022 € 16.311,24 en de kinderopvangtoeslag € 4.924. De netto opvangkosten bedroeg in 2022 dus (€ 16.311,24 – € 4.924 =) € 11,387,24 wat neerkomt op (afgerond) € 949 per maand. Partijen hadden dus per saldo ( € 8.633 - € 830 - € 949 =) € 6.854 per maand te besteden. 3.49. Van dat inkomen heeft de vrouw volgens de hofnorm dus 60% nodig. Dat was € 4.112 netto per maand in 2022. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat nu € 4.515 netto per maand. Behoeftigheid 3.50. Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de vrouw redelijkerwijs in staat is om zelf dat bedrag (€ 4.509) te verdienen. Als de vrouw daar niet toe in staat is, dan is zij ‘behoeftig’. 3.51. Uit de hiervoor genoemde berekeningen blijkt dat de vrouw voor de berekening van de partneralimentatie een netto besteedbaar inkomen heeft van € 4.007. Als de bijdrage van de vrouw in de kosten van [kind] die zij uit eigen inkomen moet voldoen (en dus niet kan dekken met het door haar te ontvangen kindgebonden budget van € 283 per maand) hiervan worden afgetrokken heeft de vrouw een netto inkomen van (€ 4.007 – (€ 360 - € 283) = ) € 3.930 beschikbaar om in haar eigen behoefte te voorzien. 3.52. Als dit inkomen in mindering wordt gebracht op voormelde huwelijksgerelateerde behoefte van € 4.515 netto per maand, resteert een aanvullende behoefte van (€ 4.515 – € 3.930 =) € 585 netto per maand. Als de man partneralimentatie betaalt, dan moet de vrouw daarover nog belasting afdragen. Daarom bruteert de rechtbank voormeld netto bedrag tot € 1.074 per maand. Draagkracht 3.53. Vervolgens onderzoekt de rechtbank in hoeverre de man die bijdrage kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ genoemd. 3.54. Daarvoor hanteert de rechtbank dezelfde methode en dezelfde gegevens als bij de kinderalimentatie, alleen wordt een draagkrachtpercentage van 60% gebruikt in plaats van 70%. De formule wordt dan dus: 60% [NBI – (NBI X 0,3 + 1.270)]. 3.55. Er is dan een bedrag beschikbaar van € 1.591 per maand. Omdat kinderalimentatie voorgaat op partneralimentatie, komt het hiervoor berekende aandeel van de man in de kosten van [kind] € 551 per maand hierop nog in mindering. Er blijft dan een draagkracht voor partneralimentatie over van € 1.040 per maand. 3.56. Als de man partneralimentatie betaalt, dan mag hij de betaalde partneralimentatie als aftrekpost opvoeren in de belastingaangifte. Daardoor betaalt de man minder belasting. Door dat belastingvoordeel kan de man meer partneralimentatie betalen. De rechtbank telt daarom dat belastingvoordeel op de draagkracht. Daarmee komt de draagkracht van de man dan op een bedrag van € 1.650 bruto per maand. Omdat de vrouw ook behoefte heeft aan een bijdrage van € 1.074 en de man draagkracht heeft om dat bedrag te voldoen, stelt de rechtbank de partneralimentatie vast op € 1.074 per maand. Alimentatie vooruitbetalen 3.57. De man moet de partneralimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in de maand wordt betaald. De afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden 3.58. In artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden (hierna: HV) zijn partijen overeengekomen dat door het huwelijk geen gemeenschap van goederen ontstaat. Wel hebben zij in artikel 15 lid 1 HV afgesproken dat zij bij een echtscheiding zullen verrekenen. Dat wil zeggen dat geen daadwerkelijke verdeling van goederen moet plaatsvinden, maar dat in kaart moet worden gebracht wat ieder van de echtgenoten aan vermogen heeft. Dit geldt zowel voor goederen als schulden. Vervolgens moet de echtgenoot met het meeste vermogen een zodanig bedrag aan de andere echtgenoot betalen zodat ieder van hen daarna evenveel vermogen heeft. Beide partijen hebben verzoeken ingediend over het te verrekenen vermogen. 3.59. Bij de bepaling van het vermogen dat de echtgenoten met elkaar moeten verrekenen, blijven een aantal vermogensbestanddelen buiten beschouwing. In artikel 15 lid 4 HV hebben partijen namelijk bepaald dat kort gezegd erfenissen en schenkingen niet verrekend moeten worden. 3.60. In artikel 15 lid 2 HV hebben partijen afspraken gemaakt over de peildatum voor het te verrekenen vermogen, namelijk het tijdstip van indiening van het echtscheidingsverzoek. Dat is in dit geval 4 oktober 2023. Dit betekent dat de rechtbank moet beoordelen wat partijen op 4 oktober 2023 aan vermogen hadden en in hoeverre dit niet is uitgesloten van de verrekening. 3.61. Partijen zijn het erover eens dat de volgende bestanddelen behoren tot het te verrekenen vermogen: Aan de zijde van de man de auto van het merk Saab met kenteken [kenteken 1] ; de saldi op de bankrekeningen van de man; de (opties
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.