RECHTBANK GELDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/7223 uitspraak van de voorzieningenrechter van in de zaak tussen [verzoeker], uit [plaats], verzoeker (gemachtigde: [gemachtigde]), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Putten. Inleiding
- In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de beslissing van het college om aan verzoeker een last onder dwangsom op te leggen. 1.
- Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. 1.
- Verzoeker woont aan de [locatie] te [plaats]. Het college heeft op de bijbehorende percelen meerdere vergunningplichtige bouwwerken aangetroffen, namelijk een overkapping, kippenhok, mestopslag en lichtmasten. Het college heeft met het besluit van 16 augustus 2023 een last onder dwangsom opgelegd aan verzoeker vanwege het ontbreken van een vergunning voor de bouwwerken en handelen in strijd met het bestemmingsplan. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het bestreden besluit van 29 augustus 2024 op het bezwaar van verzoeker is het college bij dit besluit gebleven behalve voor de last onder dwangsom met betrekking tot het kippenhok, want deze is herroepen. Beoordeling door de voorzieningenrechter
- Voor een verzoek om een voorlopige voorziening is het op grond van artikel 8:81 van de Awb vereist dat het verzoek gedaan wordt gedurende een bezwaar- of beroepsprocedure. 2.
- Het verzoek om voorlopige voorziening gaat over de beslissing op bezwaar van 29 augustus
- De griffier van de rechtbank heeft verzoeker op 16 oktober 2024 gevraagd een kopie van het beroepschrift tegen het bestreden besluit toe te sturen. Op 21 oktober 2024 heeft verzoeker aan de rechtbank meerdere stukken toegestuurd behorend bij het bestreden besluit, maar geen kopie van een beroepschrift. Op 24 oktober 2024 heeft de griffier van de rechtbank verzoeker nogmaals verzocht om uiterlijk 28 oktober 2024 een kopie van het beroepschrift toe te sturen dan wel te reageren als er geen beroep is ingesteld. Verzoeker heeft hier niet op gereageerd. 2.
- Bij de rechtbank is er geen beroep bekend van verzoeker tegen het besluit van 29 augustus
- Verzoeker heeft niet kenbaar gemaakt dat hij wel (tijdig) beroep heeft ingesteld. Nu er geen sprake is van een beroep tegen het bestreden besluit wordt niet voldaan aan het vereiste van artikel 8:81 van de Awb. Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Conclusie en gevolgen
- Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.A.J. van Egmond, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.