← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2024:7606

RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Zutphen Zaaknummer: C/05/410329 / HZ ZA 22-312 Vonnis van 23 oktober 2024 in de zaak van BAM BOUW EN TECHNIEK B.V., te Bunnik, eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: BAM, advocaat: mr. J.A.M. Smeekens en mr. F. Sanders, te Breda, tegen STICHTING PALEIS HET LOO, NATIONAAL MUSEUM, te Apeldoorn, gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: PHL, advocaat: mr. B.M.H.C. le Haen-de Croon en mr. E.P.H.S. Verdult te Den Haag. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 3 juli 2024- het bij e-mailbericht van 20 augustus 2024 van de zijde van BAM ingekomen verzoek om hoger beroep in te stellen tegen het tussenvonnis van 3 juli 2024- de op 10 september 2024 ingekomen schriftelijke reactie van PHL op het verzoek van BAM, - conclusie uitlating deskundigenbericht van PHL - conclusie na tussenvonnis – uitlaten deskundige(nbericht) van BAM. 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De beoordeling in conventie en in reconventie 2.
  3. Het verzoek van BAM strekt ertoe om een uitzondering te maken op de in artikel 337 lid 2 Rv neergelegde hoofdregel dat hoger beroep van een tussenvonnis slechts is toegestaan tegelijk met hoger beroep tegen het eindvonnis. 2.
  4. BAM voert ter onderbouwing van haar verzoek aan dat zij zich niet kan verenigen met de beslissingen van de rechtbank in het tussenvonnis met betrekking tot de toerekening van het gebrek aan de lateien en van de scheurvorming in de vloeren en wanden van de Ondergrondse Uitbreiding. De uitkomst van het in te stellen hoger beroep tegen deze beslissingen van de rechtbank kan van invloed zijn op de bewijsopdracht die in het tussenvonnis van 3 juli 2024 is gegeven en op eventuele latere bewijsopdrachten. Om te voorkomen dat nodeloos tijd en kosten worden gemaakt is het van belang dat tussentijds hoger beroep wordt toegestaan, aldus BAM. PHL maakt hiertegen bezwaar. Volgens PHL leidt dit tot een onevenredige vertraging van de procedure. 2.
  5. De rechtbank oordeelt als volgt. Om redenen van proceseconomische aard zal de rechtbank tussentijds hoger beroep tegen het vonnis van 3 juli 2024 toestaan. Het openstellen van tussentijds hoger beroep leidt weliswaar tot een vertraging van de procedure, maar in deze zaak weegt zwaarder dat in het tussenvonnis is beslist over een belangrijk deel van het geschil dat zijn weerslag heeft op het vervolg van de procedure. Anders dan PHL in haar reactie betoogt, zal in de beoordeling van de vertraging op het kritieke pad naast de lateienproblematiek en de scheurvorming ook (onder meer) het aanleveren van de Uitvoeringsontwerpen moeten worden betrokken. Voor de beoordeling van de vraag of een tekortkoming heeft geleid tot een zekere vertraging op het kritieke pad bestaat belang bij een beslissing in hoger beroep, mede ter voorkoming van onnodige, niet doelmatige bewijsopdracht(en) in deze procedure. 2.
  6. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank tussentijds hoger beroep toestaan. 2.
  7. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 3De beslissing De rechtbank in conventie en in reconventie 3.
  8. bepaalt dat van het tussenvonnis van 3 juli 2024 hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen, 3.
  9. verwijst de zaak in afwachting van de procedure in hoger beroep naar de parkeerrol van 2 april 2025, 3.
  10. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms, mr. K.H.A. Heenk en mr. F.M.C. Boesberg en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober
  11. sa

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.