RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer / rekestnummer: C/05/435601 / HA RK 24-69 / 592 / 650 Beschikking van 24 september 2024 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [plaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , advocaat: mr. D. Hekel te Den Haag, tegen 1de stichting STICHTING ELKERLIEK ZIEKENHUIS, gevestigd te Helmond ,2. de onderlinge waarborgmaatschappij ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ VOOR INSTELLINGEN IN DE GEZONDHEIDSZORG MEDIRISK B.A., gevestigd te Utrecht, verwerende partijen, hierna te noemen: afzonderlijk Elkerliek en Medirisk en gezamenlijk Elkerliek c.s. , advocaat: mr. A. Mulder te Utrecht. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met producties 1 tot en met 9, - het e-mailbericht van 27 maart 2024 van [verzoeker] met een toelichting op de schadeomvang, - de verwijzingsbeschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 1 mei 2024, - het verweerschrift met producties 1 tot en met 18, ingekomen op 26 juni 2024, - de mondelinge behandeling van 2 juli 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Daarbij zijn verschenen enerzijds [verzoeker] en mr. Hekel en anderzijds [betrokkene 1] , hoofd cliëntenbelangen van Elkerliek , M. van der Graaf , jurist bij Medirisk , en mr. Mulder. Door [verzoeker] zijn daarbij spreekaantekeningen overgelegd. 2De feiten 2.1. [verzoeker] is op 2 december 2013 door zijn huisarts verwezen naar Elkerliek . Medirisk is de aansprakelijkheidsverzekeraar van Elkerliek . 2.2. In de doorverwijzingsbrief van de huisarts zijn als redenen voor de doorverwijzing vermeld: “Twee redenen: Eerstens COPD maar patient stamt uit een familie met Rendu-Osler-Weber en de vraag rijst of hij dat zelf ook heeft. En zo ja in hoeverre dat dan weer klinisch van belang is.” 2.3. De ziekte van Rendu-Osler-Weber (hierna: ROW) is een erfelijke aandoening en wordt ook wel met HHT aangeduid. 2.4. [verzoeker] is op 4 december 2013 op consult geweest bij [betrokkene 2] , longarts bij Elkerliek (hierna: [betrokkene 2] ). 2.5. [betrokkene 2] heeft [verzoeker] vervolgens voor onderzoek naar genetische factoren voor ROW doorverwezen naar het UMC Utrecht (hierna: UMCU). In de uitslagbrief van 31 december 2013 van het UMCU staat, voor zover hier van belang, het volgende: “(…) [verzoeker] toont geen afwijkingen in de exonen 1 t/m 14 van het ENG gen. (…) Deze methoden detecteren samen ruim 95% van de mutaties in dit gen. Door dit resultaat wordt de verdenkingen op een verandering in het ENG gen als oorzaak van de klinische verschijnselen, hoewel niet volledig uitgesloten, NIET ondersteund. Er zijn nog andere kandidaatgenen voor Rendu-Osler-Weber. Hiervoor kunt u een nieuwe aanvraag doen.” 2.6. [betrokkene 2] heeft [verzoeker] bij brief van 10 januari 2014 terugverwezen naar zijn huisarts. In die brief staat – samengevat – dat bij [verzoeker] sprake is van COPD GOLD II en dat uit het onderzoek van het UMCU blijkt dat geen erfelijke factoren aanwezig waren voor ROW. 2.7. In de daaropvolgende jaren kreeg [verzoeker] te maken met diverse gezondheidsproblemen (een oorontsteking, dotteren in de lies wegens slechte bloeddoorstroming en een hersenabces). Ook overleed in die periode zijn moeder aan een myocardinfarct en kreeg zijn broer ook een myocardinfarct, waarna bij de broer ROW werd gediagnosticeerd. 2.8. In april 2019 werd bij [verzoeker] door internist [betrokkene 3] van het Zaans Medisch Centrum de diagnose ROW gesteld. 2.9. Bij brief van 5 november 2019 heeft ARAG rechtsbijstand (hierna: ARAG) Elkerliek namens [verzoeker] aansprakelijk gesteld omdat [betrokkene 2] volgens hem medisch verwijtbaar heeft gehandeld door in 2014 en daaropvolgend geen nadere diagnostiek te verrichten naar het bekende HHT in de familieanamnese. Bij brief van 19 november 2019 heeft Medirisk namens Elkerliek c.s. aansprakelijkheid afgewezen. 2.10. Nadien hebben partijen overlegd om op gezamenlijk verzoek een deskundigenonderzoek te laten verrichten, waarbij iedere partij de helft van de kosten draagt. Op 30 maart 2022 heeft MediRisk per e-mailbericht, met in de bijlage een concept aanbiedingsbrief voor de te benaderen deskundige, enkele voorstellen gedaan en, voor zover hier van belang, het volgende geschreven: “Mee te sturen stukken Uw cliënt is bij de betrokken longarts (dr. [betrokkene 2] ) onder behandeling geweest in de periode van 4 december 2013 t/m 10 januari 2014, na verwijzing van zijn huisarts op 2 december 2013. Derhalve stel ik voor de volgende stukken mee te sturen: Verwijzing huisarts d.d. 2 december 2013; Uitslag UMCU d.d. 31 december 2013; Brief van dr. [betrokkene 2] d.d. 10 januari 2014. (…)” 2.11. Bij e-mailbericht van 13 mei 2022 heeft ARAG namens [verzoeker] ingestemd met de voorgestelde vraagstelling en de aan de deskundige te sturen stukken. 2.12. Vervolgens zijn partijen overeengekomen om gezamenlijk deskundige [betrokkene 4] , longarts (hierna: [betrokkene 4] ), te benaderen om het deskundigenonderzoek uit te voeren. In de aanbiedingsbrief aan [betrokkene 4] van 20 juli 2022 schrijft Medirisk namens partijen, voor zover hier van belang, het volgende: “Het verzoek Partijen verschillen van mening of sprake is geweest van medisch onzorgvuldig handelen in de periode van 4 december 2013 t/m 10 januari 2014. Volgens patiënt is er in die periode onterecht voor gekozen geen aanvullend onderzoek te doen. Volgens het ziekenhuis c.q. MediRisk is er op basis van de anamnese, het lichamelijk onderzoek en een meer dan 95% betrouwbaar onderzoek uit het UMCU, de mogelijkheid van ROW vrijwel geheel en op goede gronden verworpen. Er waren begin 2014 onvoldoende argumenten om de ziekte van ROW te heroverwegen en het was een juiste keuze om naar aanleiding van de uitslag van 31 december 2013 geen nader onderzoek te laten doen door het UMCU. Partijen verzoeken u derhalve aan de hand van de volgende vragen te adviseren. Kopieën van het medisch dossier van de betreffende periode treft u bijgaand aan. Partijen zijn het erover eens dat patiënt en betrokken arts niet dienen te worden opgeroepen, omdat het een papieren expertise betreft. (…) Vraagstelling 1. Voelt u zich vrij om in deze casus te rapporteren? 2. Beschikt u over voldoende feitelijke informatie om een definitief en stellig oordeel te kunnen vormen over de hierna te stellen vragen? Indien u vragen hebt naar aanleiding van het medisch dossier, wordt u verzocht deze vragen aan beide partijen voor te leggen. 3. Indien het antwoord op vraag 2 ontkennend luidt, kunt u dan aangeven welke gegevens u (in overleg met partijen) hebt opgevraagd? 4. Wilt u de onderstaande vragen zo uitgebreid en gemotiveerd mogelijk beantwoorden naar de stand van wetenschap van 2013/2014? Kunt u de vragen beantwoorden vanuit het perspectief van een longarts in een perifeer ziekenhuis? a. Heeft de betrokken specialist naar uw oordeel bij de beoordeling of er bij patiënt mogelijk sprake kon zijn van de ziekte van Rendu Osler-Weber in de periode van 4 december 2013 t/m 10 januari 2014 onzorgvuldig gehandeld in die zin dat hij niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam vakgenoot onder dezelfde omstandigheden verwacht had mogen worden? b. Indien er over het onderwerp van de expertise medisch-wetenschappelijk uiteenlopende opvattingen bestaan, kunt u dan in hoofdlijnen uiteenzetten in welk opzicht de meningen uiteenlopen? Kunt u dan aangeven welke uw eigen opvatting is? c. Indien u meent dat van onzorgvuldig handelen sprake is, wilt u dan zo uitvoerig en gemotiveerd mogelijk aangeven waaruit dit onzorgvuldig handelen bestaat en hoe wel gehandeld had moeten worden? Wilt u bij uw antwoord zo mogelijk relevante literatuur vermelden? U wordt verzocht eerst een concept van uw rapportage toe te zenden aan (…) advocaat van patiënt, en mijzelf alvorens een definitieve rapportage op te stellen. (…) Ik verzoek u de commentaren die naar aanleiding van het conceptrapport worden verstrekt in uw definitieve rapportage te verwerken. (…) Bijlage: kopie medisch dossier periode 4 december 2013 t/m 10 januari 2014” 2.13. [betrokkene 4] heeft op 27 juli 2022 zijn conceptrapport uitgebracht. Elkerliek c.s. heeft hierop meegedeeld geen vragen of opmerkingen te hebben op het conceptrapport. 2.14. [verzoeker] heeft bij brief van 19 augustus 2022 gereageerd op het conceptrapport. In die reactie wordt verwezen naar de visie van de medisch adviseur van [verzoeker] , [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5] ) en naar een (bijgevoegde) reactie van 17 augustus 2022 [verzoeker] zelf. De brief van 19 augustus 2022 luidt – voor zover hier van belang – als volgt: “In de brief van 31 december 2013 van UMC Utrecht (…) heeft [betrokkene 6] dat de verdenking op een verandering in het ENG gen als oorzaak van de klinische verschijnselen niet volledig wordt uitgesloten. Daar wordt aan toegevoegd dat er nog andere kandidaatgenen voor ROW zijn, waarvoor dr. [betrokkene 2] een nieuwe aanvraag kan doen. Dit laatste is niet gebeurd, zonder dat dit met dient besproken is. In plaats daarvan sluit dr. [betrokkene 2] in zijn brief d.d. 10 januari 2014 ROW volledig uit. Onze medisch adviseur ( [betrokkene 5] ) heeft in zijn medisch advies over deze brief het volgende gesteld: Uit de brief van 10 januari 2014 van longarts [betrokkene 2] kan ik niet opmaken dat hij naar aanleiding van de melding over HHT bij moeder specifiek lichamelijk onderzoek heeft gedaan om te bepalen of bij betrokkene wellicht teleangiëctastieën bestonden die daarop zouden kunnen wijzen. Evenmin werd bloedonderzoek gedaan om te beoordelen of mogelijk sprake was van een ferriprieve anemie, een zeer veel voorkomend symptoom op het moment dat de diagnose gesteld wordt. alsmede Volgens de internationale richtlijnen voor de diagnostiek en management van HHT (gepubliceerd in de Journal of Medical Genetics 2011 (…) kunnen de volgende symptomen/gegevens gebruikt worden om de waarschijnlijkheid van het bestaan van HHT bij een gegeven patiënt te beoordelen: 1. spontane en terugkerende bloedneuzen; 2. meerdere teleangiëctasieën; 3. een eerstegraads familielid met HHT; 4. aanwijzingen voor orgaanbetrokkenheid (waarvan aangetoonde arterioveneuze malformaties); 5. evident bloedverlies uit maagdarmkanaal, urinewegen of longen dan wel ijzergebreksanemie. De diagnose is onwaarschijnlijk als aan slechts één van deze criteria wordt voldaan, de diagnose moet sterk overwogen worden indien aan twee of meer van bovengenoemde criteria is voldaan en er is sprake van een zekere diagnose als drie of meer van bovengenoemde criteria zijn vervuld. Genetisch onderzoek is niet vereist om de diagnose te stellen, noch is genetisch onderzoek (indien dit negatief uitvalt) bruikbaar om de diagnose met zekerheid uit te sluiten. Bij betrokkene is op verzoek van de Elkerliek Kliniek in UMCU genetisch onderzoek gedaan naar slechts een van de drie genen die gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor ongeveer 95% van alle gevallen HHT. Enigszins tot mijn verbazing is alleen het zogenaamde ENG-gen getest dat ongeveer 45% van alle gevallen dekt. Onderzoek naar het ACVRL-gen en het SMAD4-gen wordt niet gerapporteerd in het onderzoek verricht in het UMCU. De stelling in de rapportage in UMCU dat met de daar uitgevoerde testen (alleen het ENG-gen) 95% van alle gevallen van HHT gevonden zou worden is derhalve onjuist. Omdat inmiddels meer dan 600 genen bekend zijn die alle tot een vorm van HHT kunnen leiden, is het niet gebruikelijk om genetisch onderzoek te doen als screeningsonderzoek voor het wel of niet bestaan van HHT. De diagnose is dus in essentie een primair klinische en radiologische diagnose. Door de longarts die betrokkene in 2014 zag is de diagnose naar het lijkt verworpen op basis van het negatief uitvallen van het genetisch onderzoek. Het door hem verrichte en gerapporteerde lichamelijk onderzoek vermeldt niet of hij actief gezocht heeft naar het bestaan van teleangiëctasieën. alsmede De longarts had zich moeten realiseren dat het negatief uitgevallen genetisch onderzoek in het UMCU absoluut geen test was om diagnose uit te sluiten, hoewel ik aanneem dat hij door de rapportage van UMCU wel op het verkeerde been is gezet. Tevens treft u bijgaand de eigen reactie van client zelf aan, waarvan ik u vriendelijk verzoek ook die reactie tot u te nemen. Client geeft ook aan graag een gesprek met u te willen. Ik verzoek u vriendelijk uw concept-rapport te heroverwegen alsmede om een persoonlijk gesprek met client aan te gaan. Mocht u nadien bij uw conclusie blijven, dan verzoek ik u in uw definitieve rapportage gemotiveerd in te gaan op de visie van [betrokkene 5] en tevens de persoonlijke reactie van client hierbij te betrekken. (…)” 2.15. Bij brief van 19 augustus 2022 heeft Elkerliek c.s. bezwaar gemaakt tegen het verzoek van [verzoeker] om te worden gehoord omdat partijen van tevoren onderling waren overeengekomen dat het een papieren expertise betrof en zowel [verzoeker] als Pieterse niet door [betrokkene 4] zouden worden gehoord. Elkerliek c.s. verzoekt [betrokkene 4] om zijn definitieve rapport op te stellen en daarbij te reageren op de gemaakte opmerkingen op het conceptrapport. 2.16. Vervolgens heeft [betrokkene 4] zijn definitieve rapport van 5 september 2022 opgesteld (hierna: het rapport). Dit rapport is gelijkluidend aan het conceptrapport van 27 juli 2022 en luidt als volgt: “Rapport betreffende Deskundigenonderzoek de heer [verzoeker] , geboren (…). (…) Beoordeeld: kopie medisch dossier periode 4 december 2013 t/m 10 januari 2014. Patiënt: werd verwezen vanwege 2 redenen: • Vraagstelling COPD. • Patiënt stamt uit een familie met Rendu-Osler-Weber, heeft hij dit ook? En zo ja in hoeverre is dit van klinisch belang? Patiënt verscheen op 04 december 2013 op de polikliniek longziekten met klachten van veel slijm ophoesten wat al 11 jaar gaande was. Hij heeft nooit bloed bij het slijm gezien. Patiënt was roker. Vanwege het slijm is er onderzoek naar COPD gedaan. Hij blijkt COPD GOLD 2 te hebben waar een behandeling voor is ingesteld, stop roken advies, en bezoek longverpleegkundige. Vanwege de vraag Rendu-Osler-Weber (ROW), dit was bij zijn moeder geconstateerd en niet bij vader, broers en zussen, heeft de longarts genetisch onderzoek laten verrichten via het UMCU met vraagstelling Ziekte van Rendu-Osler-Weber. Patiënt heeft geen kliniek van een ROW zoals spontane bloedneuzen, hemoptoe, neurologische symptomen of teleangiëctastieën op de huid of slijmvliezen. Door het resultaat van het genetisch onderzoek wordt ROW voor 95% uitgesloten. ROW is dominant erfelijk. Als één van de ouders de ziekte heeft, heeft elk kind 50% kans om ook ROW te krijgen, dus ook 50% kans om geen ROW te krijgen. De stand van wetenschap is dat er binnen een familie met Rendu-Osler-Weber bij een klinisch verdacht familielid alleen naar de familiemutatie worden gezocht. Een ‘de novo’ mutatie is zeer ongewoon (< 1%). Daarnaast berust de klinische diagnose op de zgn. Curaçao criteria: 1. Eerstegraads familielid met ROW 2. Spontane. recidiverende epistaxis 3. Typische teleangiëctasieën op de typische plaatsen: op de huid van handen en gelaat en op de mucosa van mond en neus) 4. Viscerale AVM’s De diagnose is klinisch zeker wanneer drie van deze vier criteria aanwezig zijn. Bij patiënt waren punt 2 en 3 in ieder geval niet aanwezig. De diagnose wordt gebaseerd op de klinische Curaçaose criteria of moleculair genetisch onderzoek. In de literatuur is niet duidelijk omschreven wie er pulmonale screening moet ondergaan, al helemaal niet duidelijk omschreven indien genetisch onderzoek negatief is. Daarnaast zijn er zowel risico’s als voordelen van asymptomatische screening en behandeling. Vanwege het resultaat van het genetisch onderzoek en het ontbreken van voldoende criteria voor de verdenking op een klinische diagnose van ROW was het gerechtvaardigd om geen verder onderzoek meer te doen. Mijn inziens is er geen sprake geweest van onzorgvuldig handelen. (…)” 2.17. Bij het definitieve rapport is een brief van 5 september 2022 aan (de advocaat van) [verzoeker] gevoegd waarin [betrokkene 4] ingaat op de reactie op het conceptrapport van [verzoeker] . Deze brief van [betrokkene 4] luidt als volgt: “Uw brief van 19 augustus is in goede orde ontvangen met o.a. uw vraag om te reageren op de visie van [betrokkene 5] . Graag reageer ik hierop als volgt: • Uit het dossier is niet helemaal duidelijk te halen welk lichamelijk onderzoek er gedaan is. Maar dat wil niet zeggen dat er geen specifiek lichamelijk onderzoek gedaan is. Er staat overigens wel “geen bloedingen” • Er is wel een Hb bepaald. Op uitslag diffusie is Hb van 9,06 te zien en ook op de aanvraagbrief onderzoeken is Hb aangekruist. Deze waarde wordt niet in de brief vermeld maar er was geen sprake van een anaemie. • [betrokkene 5] refereert naar een richtlijn in de Journal of Medical Genetics van 2011. Dit komt overeen met de door mij gehanteerde Curaçao criteria, aangevuld met punt 5 “evident bloedverlies uit maagdarmkanaal, urinewegen of longen dan wel ijzergebreksanaemie’. Er was bij patiënt anamnestisch geen sprake van evident bloedverlies uit deze organen en er was geen ijzergebreksanaemie gezien Hb 9,08. Zoals [betrokkene 5] zelf aangeeft is de diagnose onwaarschijnlijk als aan slechts een van deze criteria wordt voldaan. Bij de patiënt was alleen sprake van het criterium eerstegraads familielid met ROW. Van de andere criteria was geen sprake. Wat betreft het genetisch onderzoek het volgende: Een longarts kijkt naar de uitslag, in dit geval staat er: “deze methoden detecteren ruim 95% van de mutaties in dit gen.” Dit is voor een screening, waarbij geen klinische symptomen zijn, voldoende, mede gezien de stand der wetenschap aangaande ROW in die tijd. Testen voor 100% is in de praktijk ondoenlijk, inmiddels zijn er 600 genen bekend. Aangaande de persoonlijke reactie van uw cliënt het volgende: Ik begrijp uit zijn reactie dat hij tussen 2014 en 2019 van het kastje naar de muur is gestuurd. Ik neem aan dat er in die tussentijd klachten zijn opgetreden die er 04 december 2013 niet waren. (maar dat is een aanname). Dit is vervelend voor patiënt maar staat los van het bezoek 04 december 2013 bij de longarts in Helmond . Een gesprek met cliënt voegt hier niets aan toe. (…)” 2.18. [verzoeker] heeft daarna aan Elkerliek c.s. laten weten zich niet gebonden te achten aan het rapport van [betrokkene 4] en heeft gevraagd of Elkerliek c.s. kon instemmen met een nieuwe expertise door een andere deskundige. Elkerliek c.s. heeft dit geweigerd en heeft voorgesteld om nadere vragen van [verzoeker] voor te leggen aan [betrokkene 4] . [verzoeker] heeft hiermee niet ingestemd. Nader overleg heeft niet tot oplossing van het geschil geleid. 3Het geschil 3.1. [verzoeker] verzoekt de rechtbank op de voet van art. 1019w e.v. Rv voor recht te verklaren dat het rapport van [betrokkene 4] tussen partijen geen bindende werking heeft en niet als uitgangspunt geldt voor de verdere schaderegeling, met begroting van de kosten van het deelgeschil op een bedrag van € 3.238,77. 3.2. [verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat het rapport van [betrokkene 4] niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet en dat partijen daarom niet aan het rapport gebonden zijn. Het rapport voldoet niet aan de formele vereisten waaraan een deskundigenrapport moet voldoen. [verzoeker] heeft ook inhoudelijke bezwaren tegen het rapport omdat [betrokkene 4] aantoonbare onjuiste aannames heeft gedaan, aantoonbare onjuiste conclusies heeft getrokken en in ieder geval zijn conclusies onvoldoende heeft onderbouwd. Dit kan niet worden ondervangen door aan [betrokkene 4] nadere vragen te stellen, omdat de bezwaren van [verzoeker] tegen het rapport juist zijn gebaseerd op [betrokkene 4] reactie op de naar aanleiding van het conceptrapport gestelde vragen. De zaak leent zich voor behandeling in deelgeschil omdat wanneer het verzoek wordt toegewezen, partijen verder kunnen onderhandelen over de letselschade die [verzoeker] heeft geleden omdat de arts van Elkerliek eind 2013/begin 2014 niet de diagnose ROW heeft gesteld bij [verzoeker] . Ten aanzien van MediRisk doet [verzoeker] een beroep op artikel 7:954 BW (directe actie). 3.3. Elkerliek c.s. verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. In dit deelgeschil zijn partijen verdeeld over de vraag of het rapport van [betrokkene 4] als uitgangspunt tussen partijen heeft te gelden in hun geschil over de vraag of [verzoeker] letselschade heeft geleden doordat [betrokkene 2] eind 2013/begin 2014 niet de diagnose ROW heeft gesteld bij [verzoeker] . Beantwoording van deze vraag kan naar het oordeel van de rechtbank bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Het verzoek leent zich dan ook voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Op grond van artikel 7:954 BW juncto artikel 1019w lid 3 Rv kan ook MediRisk als aansprakelijkheidsverzekeraar van Elkerliek in de deelgeschilprocedure worden betrokken. 4.2. Als uitgangspunt geldt dat partijen in beginsel gebonden zijn aan de inhoud van een deskundigenrapport dat op hun gezamenlijk verzoek is opgesteld, tenzij daartegen zwaarwegende en steekhoudende bezwaren zijn in te brengen. Partijen hebben gezamenlijk besloten [betrokkene 4] te vragen een deskundigenrapport uit te brengen en waren het ook eens over de vraagstelling die aan hem zou worden voorgelegd en welke stukken uit het medisch dossier hij zou ontvangen. Partijen zijn dan ook in beginsel gebonden aan de inhoud van het rapport van [betrokkene 4] , tenzij dat rapport niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen van onpartijdigheid, consistentie, inzichtelijkheid en logica. 4.3. Naar het oordeel van de rechtbank slagen de klachten van [verzoeker] tegen de wijze van totstandkoming van het rapport (formele bezwaren) en over de inhoud van het rapport (inhoudelijke bezwaren) niet. Dit wordt hierna toegelicht. 4.4. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de richtlijn Medische Specialistische Rapportage (hierna: de richtlijn) waaraan [verzoeker] het rapport toetst, niet van toepassing is op het deskundigenonderzoek aangezien [betrokkene 4] (zoals Elkerliek c.s. onweersproken heeft aangevoerd) geen lid is van de NVMSR (Nederlandse Vereniging voor Medische specialistische Rapportage) en partijen [betrokkene 4] niet hebben verzocht om de expertise conform die richtlijn op te stellen. 4.5. Met betrekking tot de bevindingen van de medisch adviseurs [betrokkene 5] en [betrokkene 7] (hierna: [betrokkene 7] ), waarnaar [verzoeker] verwijst ter onderbouwing van zijn bezwaren acht de rechtbank het volgende van belang. Zowel [betrokkene 5] als [betrokkene 7] zijn eenzijdig door [verzoeker] ingeschakeld. De visie van longarts [betrokkene 7] is niet aan [betrokkene 4] toegestuurd, zodat [betrokkene 4] daarop niet heeft kunnen reageren. De visie van [betrokkene 5] op het conceptrapport is wel (deels) aan [betrokkene 4] toegestuurd in de brief van 19 augustus 2022 (zie 2.14). Deze brief bevat echter een betoog voor de visie van [verzoeker] en bevat geen concreet geformuleerde bezwaren tegen het (concept)deskundigenbericht. Indien [betrokkene 4] in zijn reactie bezwaren over het hoofd heeft gezien, dan betekent dit dan ook niet per definitie dat hij onzorgvuldig te werk is gegaan of zijn conclusies ondeugdelijk heeft onderbouwd en het rapport om die reden terzijde moet worden geschoven. Om die redenen kent de rechtbank aan het deskundigenrapport van [betrokkene 4] meer waarde toe dan aan de medisch adviezen van [betrokkene 5] en [betrokkene 7] , voor zover deze met het deskundigenrapport in tegenspraak zijn. [betrokkene 4] is een door partijen benoemde deskundige longarts, aan wie een vraagstelling is voorgelegd waarop beide partijen invloed hebben kunnen uitoefenen en partijen zijn aan de uitkomsten van het deskundigenbericht van [betrokkene 4] in beginsel gebonden. De formele bezwaren tegen het rapport 4.6. De formele bezwaren van [verzoeker] luiden dat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.