← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2024:8458

RECHTBANK GELDERLAND Team insolventies Zittingsplaats: Zutphen insolventienummer: C/05/24/346 R uitspraakdatum: 21 november 2024 vonnis van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 21 november

  1. [verzoekster], wonende te [woonplaats], [adres], hierna te noemen verzoekster, heeft een verzoek ingediend tot opheffing van het op 6 februari 2024 uitgesproken faillissement van verzoekster onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster heeft gemotiveerd gesteld dat redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat zij wegens haar toe te rekenen omstandigheden binnen de termijn bedoeld in artikel 3 lid 1 Fw geen verzoekschrift tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend. In het faillissement is nog geen verificatievergadering gehouden. Er is ook nog geen beschikking ex artikel 137a Fw gegeven. Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 14 november
  2. Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Ten aanzien van verzoekster is voldaan aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 Fw. Nu het omzettingsverzoek wordt toegewezen, dient de rechtbank het verzoek van verzoekster om een eerdere ingangsdatum van de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: wsnp) te beoordelen. Sinds de wetswijziging van 1 juli 2023 volgt kort samengevat uit artikel 349a lid 1 Fw dat een eerdere ingangsdatum van de wsnp tot de mogelijkheden behoort wanneer correct is afgelost in de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f Fw. De rechtbank stelt vast dat de vraag over hoe moet worden omgegaan met aflossingen die tijdens een aan de wsnp voorafgaand faillissement hebben plaatsgevonden niet door de wetgever en ook nog niet door de Hoge Raad is beantwoord. Hoewel ook in een faillissement een buitengerechtelijke schuldregeling tot stand kan worden gebracht en in die zin verdedigbaar is dat een verklaring van de curator dat er geen akkoord kan worden bereikt gelijkgesteld kan worden met een verklaring van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 285 lid 1 aanhef en onder f Fw, bestaan er tussen een faillissement en een schuldhulpverleningstraject ook aanmerkelijke verschillen. Een schuldhulpverleningstraject is gericht op het realiseren van een schuldregeling door een schuldhulpverlener. Het doel van een faillissement daarentegen is het vereffenen van de vermogensbestanddelen van de schuldenaar door een curator. De spelregels voor een schuldenaar – en derhalve ook de controlerende taak van de uitvoerder – verschillen al naar gelang in welk traject de schuldenaar zit. Ook ten aanzien van de kosten van beide trajecten is er een onderscheid; de ervaring leert dat de kosten van een faillissement (met name het salaris van de curator) doorgaans veel hoger zijn dan van een schuldhulpverleningstraject. Daarvan zijn allereerst de gezamenlijke schuldeisers de dupe wanneer een eerdere ingangsdatum na een omzetting aan de orde zou zijn; de kans is groot dat in een faillissement van een natuurlijke persoon als gevolg van de kosten minder gespaard kan worden dan tijdens een regulier schuldhulpverleningstraject. Verder kan het gebeuren dat de kosten in een faillissement zo hoog zijn dat na uitkering van het salaris van de curator en de verschotten een boedelsaldo van nihil resteert. In geval van een lege boedel kan zelfs het salaris van de curator niet eens worden betaald. In een dergelijke situatie ligt het niet voor de hand om een eerdere ingangsdatum vast te stellen, nu er niet gespaard kon worden ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. Daar tegenover staat de situatie dat het boedelsaldo ten tijde van het verzoek omzetting zodanig hoog is dat er, na betaling van de boedelschulden, uit te delen valt aan schuldeisers. In dat geval zou er theoretisch wel aanleiding zijn om een eerdere ingangsdatum te bepalen nu er kon worden gespaard ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. Als er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat in beide gevallen de schuldenaar wel maximaal heeft afgedragen volgens de Vtlb-systematiek, leidt dit tot rechtsongelijkheid nu in het ene geval geen en in het andere geval wel een eerdere ingangsdatum wordt verkregen, te meer nu de hoogte van het boedelsaldo in een faillissement een gegeven is waar een schuldenaar weinig tot geen invloed op kan uitoefenen. Daar komt nog bij dat, puur dogmatisch benaderd, de rechtbank moeilijk voorstelbaar acht dat een verzoek als het onderhavige voor toewijzing in aanmerking komt, omdat dat namelijk betekent dat, gelijktijdig met het faillissement, een soort (pseudo)wsnp wordt geacht te lopen. Dat voorafgaand aan de wsnp een pseudo-wsnp is gecreëerd, zonder dat de wettelijke waarborgen en instrumenten gelden, wordt in verschillende opzichten problematisch geacht. In het onderhavige geval is geen sprake van een schuldsaneringstraject, maar van een faillissement. Zoals hiervoor uitvoerig uiteengezet, zijn de verschillen tussen een faillissement enerzijds en beide schuldsaneringstrajecten (msnp en wsnp) anderzijds groter, wat het doortrekken van de lijn van een eerdere ingangsdatum naar omzettingsverzoeken als bedoeld in artikel 15b Fw naar het oordeel van de rechtbank (nóg) problematischer maakt. Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat voor het bepalen van een eerdere ingangsdatum van de wsnp in geval van een omzettingsverzoek op grond van 15b Fw geen ruimte is. Het betreft een hoofdinsolventieprocedure (artikel 3 lid 1 IVO). De rechtbank zal het bedrag van de faillissementskosten en het salaris van de curator bij nadere beschikking vaststellen. BESLISSING De rechtbank: - heft het faillissement van verzoekster op; - spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van: [verzoekster], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [adres] [woonplaats]; - benoemt tot rechter-commissaris mr. S. Boot, en tot bewindvoerder [bewindvoerder], [adres]; - wijst het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum af; - bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling achttien maanden bedraagt, te rekenen van de dag van deze uitspraak; - geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan schuldenares gerichte brieven gedurende een termijn van dertien maanden; - stelt bij wijze van voorschot, bij toereikend boedelactief, het salaris van de bewindvoerder vast op grond van artikel 2 van het Besluit salaris bewindvoerder schuldsaneringsregeling geldende bedrag. Aldus gewezen door mr. J.H. Steverink, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 november 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.