RECHTBANK GELDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Arnhem raadkamernummer : 24-013234 datum zittingen : 6 november 2024, 11 september 2024, 3 juli 2024 datum uitspraak : 20 november 2024 beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [klaagster] , geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] (Italië), postadres [adres] , [postcode] [plaats 1] (kantoor advocaat), mr. M. Neijenhuis, advocaat te Laren, hierna te noemen: klaagster, tevens beslagene. Feiten Klaagster wordt verdacht van het onvoldoende zorg dragen voor een onder haar hoede staand gevaarlijk dier (artikel 425, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht). Uit de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 Sv blijkt dat op 13 mei 2024 onder klaagster in beslag is genomen: een hond genaamd ‘ [naam] ’ (ras: Cane Corso, geslacht: reu, niet-gecastreerd, leeftijd: 6 jaren). Benaming De beklagprocedure betreft een procedure waarin de hond juridisch wordt gezien als een goed. Normaliter wordt een goed in een dergelijke beklagprocedure en beslissing aangeduid als ‘het inbeslaggenomen voorwerp’. Gelet op de omstandigheid dat er in dit geval beslag ligt op levende have met een hoge emotionele waarde zal de rechtbank het inbeslaggenomen voorwerp in deze beslissing aanduiden als ‘ [naam] ’. Procedure Het klaagschrift is op 27 mei 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. Op 10 juni 2024 heeft het Riskassessmentteam van de Universiteit Utrecht de ‘Risicoanalyse bijtincident(en)’ (hierna: ‘de risicoanalyse’) aangeleverd. De rechtbank heeft op 3 juli 2024 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld en de behandeling, op verzoek van klaagster, aangehouden om tegenonderzoek te laten verrichten. De rechtbank heeft de advocaat en de officier van justitie op zitting gehoord. Klaagster was wel ter zitting aanwezig, maar is niet gehoord omdat er geen tolk Italiaans beschikbaar was. De rechtbank heeft op 11 september 2024 de behandeling van het klaagschrift in openbare raadkamer hervat en de behandeling aangehouden, omdat het tegenonderzoek nog niet was afgerond. De rechtbank heeft de officier van justitie op zitting gehoord. De advocaat en klaagster waren, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen. Op 4 november 2024 heeft de raadsvrouw per e-mail verzocht om videobeelden van het tegenonderzoek ter zitting te bekijken en om dhr. A. van Putten (uitvoerder tegenonderzoek, hierna: Van Putten) een toelichting te laten geven. Op 5 november 2024 heeft de officier van justitie per e-mail de deskundigheid van Van Putten betwist en zich verzet tegen het tonen van de beelden ter zitting. De rechtbank heeft op 6 november 2024 de behandeling van het klaagschrift in openbare raadkamer hervat. De rechtbank heeft klaagster (met bijstand van een tolk Engels, omdat opnieuw geen tolk Italiaans beschikbaar was), de advocaat en de officier van justitie op zitting gehoord. De rechtbank heeft ook Van Putten gehoord als informant over zijn rapport tegenonderzoek. Het verzoek tot tonen van de beelden is door de rechtbank afgewezen. Beklag Het beklag strekt tot teruggave van [naam] . Door en namens klaagster is geconcludeerd tot gegrondverklaring en onmiddelijke teruggave van [naam] aan klaagster. Hiertoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat de risicoanalyse berust op eenzijdige informatie en dat er onjuistheden en inconsitstenies zitten in de risicoanalyse en de wijze waarop deze tot stand is gekomen, terwijl uit het volgens klaagster betrouwbaardere tegenonderzoek door Van Putten blijkt dat [naam] geen risico vormt voor de maatschappij, honden en personen. Verder is aangevoerd dat klaagster bereid is zich te houden aan een aanlijn- en muikorfgebod en dat zij bezig is met een cursus tot hondertrainer. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van [naam] aan klaagster en heeft daartoe aangevoerd dat het belang van strafvordering zich daartegen verzet, omdat het Openbaar Ministerie zal vorderen dat het voorwerp zal worden onttrokken aan het verkeer en niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter later oordelend daartoe zal besluiten. De officier van justitie heeft aangevoerd dat de risicoanalyse van de Universiteit Utrecht van (voldoende) hoge kwaliteit en zorgvuldigheid is. Het tegenonderzoek is niet betrouwbaar tot stand gekomen. Verder is aangevoerd dat de handhaving van het beslag op grond van de risicoanalyse wel voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, dat klaagster een eerder aanlijn- en muilkorfgebod al heeft overtreden en dat de cursus niets afdoet aan de voorgaande incidenten en conclusies en advies in de risicoanalyse. Beoordeling Bevoegdheid en ontvankelijkheid De rechtbank is bevoegd. Klaagster is ontvankelijk in het beklag. De rechtbank is aan de hand van de haar ter beschikking staande gegevens nagegaan of een ander dan klaagster als belanghebbende moet worden aangemerkt. Hiervan is de rechtbank niet gebleken. Marginale toetsing en wettelijk kader Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. In geval van een beklag tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast. Als geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer dat voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen – ook in een zaak betreffende een ander dan klaagster – wanneer dat voorwerp kan dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen of als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van dat voorwerp zal bevelen. Risicoanalyse De rechtbank stelt voorop dat de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht aantoonbare wetenschappelijke expertise heeft wat betreft het onderzoeken en beschrijven van het gedrag van honden en het rapporteren daarvan. De rechtbank overweegt dat de wijze van informatie-inwinning en onderzoeksmethodiek van het Riskassessmentteam is opgenomen in de risicoanalyse. De rechtbank stelt vast dat op pagina 6 (‘Deel 1: informatie over bijtincident(en)’) informatie is vermeld uit het procesdossier. Het zaaknummer is uitdrukkelijk vermeld in de risicoanalyse. De informatie op pagina 6 is bovendien terug te vinden in meerdere processen-verbaal, terwijl de bevindingen van de risicoanalyse niet alleen zijn gebaseerd op informatie omtrent bijtincidenten, maar ook informatie uit andere bronnen (deel 2 t/m 5 in de risicoanalyse), waaronder informatie van de vaste verzorger bij de opslaghouder en informatie uit de uitgebreid omschreven gedragstesten. Die gedragstesten zijn gestandaardiseerd, gevalideerd en betrouwbaar en die beschrijven de gedragingen, houdingen en stress-signalen die door een hond worden getoond. Wat betreft de gedragstesten en de uiteindelijk getrokken conclusies specifiek ten aanzien van [naam] overweegt de rechtbank als volgt. Er is geconcludeerd dat het risico van [naam] naar personen wordt ingeschat als hoog en als zeer hoog tijdens bijtincidenten met honden en dat het risico van [naam] naar andere honden eveneens hoog is. Deze conclusies zijn gebaseerd op de gecombineerde bevindingen uit bovenvermelde bronnen. Hierin is dus ook meegewogen dat bij diverse gedragstesten geen elementen van dreiggedrag, bijtgedrag of prooivanggedrag is waargenomen, zoals door de raadsvrouw naar voren is gebracht. Dat dergelijk gedrag bij een aantal testen niet is waargenomen, betekent daarmee dus niet dat [naam] dus niet gevaarlijk is. Gelet op de toelichting in de bijlagen bij de risicoanalyse kan afwezigheid van dreigelementen – en dus waarschuwingssignalen – mogelijk ook een verhoogde kans van gevaarlijk gedrag opleveren. Bovendien beschrijven de gedragstesten wel degelijk ook dreigelementen als hiervoor genoemd, met name als het gaat om interactie met andere honden, waarbij [naam] ook niet tot slechts deels afleidbaar is. Verder beschrijven de gedragstesten geen elementen van sociabiliteit of geen contact met de verzorger of juist elementen van ontwijkend gedrag of spanning bij [naam] . Wanneer alle testresultaten van de gedragstesten worden gecombineerd met de bevindingen uit alle overige bronnen, waaronder de informatie van de eerdere bijtincidenten en het gebrek van klaagster om [naam] tijdens en na die incidenten onder controle te hebben en houden, komt de Universiteit Utrecht tot de eerder genoemde conclusies. De rechtbank overweegt dat, in het licht van het voorgaande, voor zover is gesteld dat de conclusies van de risicoanalyse gebaseerd zijn op gebrekkige of eenzijdige informatie, dat argument geen stand houdt. Daarmee bestaat voorshands geen reden te twijfelen aan de juistheid van de conclusies en het advies in de risicoanalyse. Tegenonderzoek De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of het tegenonderzoek desondanks vooralsnog reden biedt voor een andere conclusie. Daaraan voorafgaand overweegt de rechtbank als volgt. De raadsvrouw heeft in reactie op de risicoanalyse van de Universiteit Utrecht op 21 juni 2024 verzocht een tegenonderzoek door Van Putten toe te staan, die zij als gecertificeerde deskundige hondengedragstherapeut beschouwt. De officier van justitie heeft zich bij bericht van 25 juni 2024 daartegen verzet, kort gezegd omdat de deskundigheid van Van Putten en de betrouwbaarheid van zijn onderzoeksmethoden worden bestreden. De rechtbank heeft het verzoek om tegenonderzoek op de zitting van 3 juli 2024 alsnog toegewezen, omdat in rechterlijke procedures in beginsel tegenonderzoeken mogelijk moeten zijn indien daar om wordt verzocht, waarbij wordt opgemerkt dat de officier van justitie zich op die zitting (na overleg met de zaaksofficier) niet langer meer tegen een tegenonderzoek door Van Putten heeft verzet. Op 4 oktober 2024 heeft Van Putten zijn bevindingen schriftelijk overgelegd (het verslag van het tegenonderzoek is gedateerd 30 september 2024). De officier van justitie heeft in een schriftelijke reactie op 5 november 2024 (met als bijlage een reactie op de bevindingen van Van Putten door de Universiteit Utrecht van 22 oktober 2024), alsook ter zitting, opnieuw de deskundigheid van Van Putten en de betrouwbaarheid van zijn onderzoek bestreden. Het debat tussen partijen betreft aldus onder meer de deskundigheid van Van Putten. Van Putten stelt dat hij gecertificeerd kynologisch gedragstherapeut is, dat hij lid is van de Nederlandse Vereniging van Gedragstherapeuten voor Honden (NVGH), dat hij een Edupet diploma heeft en dat de NVGH het diploma van de Martin Gaus academie waar Van Putten over beschikt, erkent. Volgens de officier van justitie betreft het hier echter een niet beschermd beroep, en ontbeert het tegenonderzoek wetenschappelijke grondslag. Daarnaast zou het tegenonderzoek niet voldoen aan de eisen die de Hoge Raad aan een deskundigenonderzoek stelt. De rechtbank laat zich in de onderhavige procedure niet uit over de deskundigheid van Van Putten, vanwege de marginale toets in de raadkamerprocedure en omdat de officier van justitie zich op 3 juli 2024 uiteindelijk niet tegen een tegenonderzoek door Van Putten heeft verzet. De rechtbank heeft Van Putten als opsteller van het tegenonderzoek wel ter zitting als informant (niet als deskundige) gehoord, ondanks het verzet door de officier van justitie daartegen ter zitting van 6 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.