← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2024:8641

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/255202-23 Datum uitspraak : 5 december 2024 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2006 in [geboortedatum 1] (Verenigde Staten van Amerika), verblijvende aan [adres] . Raadsvrouw: mr. D.A.J. Spierings, advocaat in Apeldoorn. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 16 juli 2023 te Harderwijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een armband (merk Buddha to Buddha) en/of een paar schoenen en/of de autosleutels en/of de telefoon en/of de identiteitskaart, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer] toebehoorde, door - die [slachtoffer] één of meermalen op en/of tegen het hoofd, althans het lichaam, te slaan en/of te stompen, - achter die voornoemde [slachtoffer] aan te lopen en/of te rennen, - die [slachtoffer] op te wachten, - tegen die [slachtoffer] te zeggen dat hij zijn geld en bezittingen moest afgeven, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of - die [slachtoffer] één of meermalen tegen de ribben en/of het (onder)been, althans het lichaam, te trappen; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 16 juli 2023 te Harderwijk openlijk, te weten, aan de Strandboulevard West te Harderwijk, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door die [slachtoffer] - één of meermalen op en/of tegen het hoofd, althans het lichaam, te slaan en/of te stompen en/of - één of meermalen tegen de ribben en/of het (onder)been, althans het lichaam, te trappen.

  1. Overwegingen ten aanzien van het bewijs De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 16 juli 2023 waren verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ), medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) in Harderwijk. Daar troffen zij aangever [slachtoffer] . [medeverdachte 1] heeft aangever van achteren benaderd en hem van achteren meerdere keren op en/of tegen het hoofd geslagen. Daarop is aangever weggerend, hebben alle vier de verdachten hem achtervolgd en is er nog meer geweld gepleegd richting aangever. Hij is vervolgens uit angst het water in gesprongen om te ontkomen en naar de overkant gezwommen. Aangever is zijn telefoon, met in het telefoonhoesje ook zijn ID-kaart, verloren voor hij in het water sprong. Aangever was na dit alles een deel van een tand kwijt, had een blauwe plek op het linker jukbeen, striemen in nek, krassen op rug, schaafwonden op zijn rechter onderarm en een zeer pijnlijk rechter onderbeen, waarop hij moeizaam kon lopen. Zijn huisarts heeft op 16 juli 2024 onder andere kneuzingen geconstateerd in het gelaat en het rechterbeen net onder de knie. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich met zijn medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, te weten afpersing in vereniging. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft vrijspraak van het primair tenlastegelegde bepleit wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Er is geen sprake geweest van een bewuste en nauwe samenwerking en de bijdrage van [verdachte] is geen substantiële bijdrage van voldoende gewicht. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Beoordeling door de rechtbank Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij, toen hij zwemmend aan de overkant van het water aankwam, zag dat twee van de vier verdachten hem daar op stonden te wachten. Op dat moment kwamen de andere jongens ook over het bruggetje gerend. De jongens vroegen om geld en wilden zijn bezittingen. Hij heeft zijn armband van het merk Buddha to Buddha onder dwang afgedaan en ook zijn schoenen en autosleutels afgegeven. Toen hij wilde wegrennen, kreeg hij nog een harde trap op zijn rechteronderbeen. [verdachte] heeft verklaard dat hij aangever één of twee keer met een platte hand heeft geslagen. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] hebben ook geslagen en geschopt. [medeverdachte 3] heeft aangever meerdere keren van achteren op zijn ruggengraat getrapt en [medeverdachte 2] heeft op zijn hoofd en ribben getrapt. [medeverdachte 3] heeft hem daarna nog getrapt, waarna aangever het water in is gesprongen. Aan de overkant van het water hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] tegen aangever gezegd dat hij al zijn spullen moest afgeven. Aangever heeft toen de portemonnee en autosleutels aan [verdachte] gegeven en de armband aan [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] had de telefoon. [verdachte] heeft verder verklaard dat hijzelf, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] aan de overkant van het water waren op dat moment. Daar werd aangever opnieuw door [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] geslagen en geschopt. [verdachte] heeft aangever toen onderuit geschopt. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij met zijn allen aan de overkant van het water waren. Tijdens het onderzoek naar de onder [medeverdachte 2] inbeslaggenomen telefoon is een video aangetroffen die was opgenomen op 16 juli 2023 om 05.41 uur. Er is een persoon te zien die een blauwe Apple iPhone vasthoudt (waarvan de kenmerken volgens verbalisant overeenkomen met de telefoon van aangever) en er werd een ID-kaart getoond, waarop te lezen is: [slachtoffer] , [geboortedatum 2]
  2. Dan zegt een persoon: “wij hebben zijn tellie gewoon broer”. Verbalisant heeft de stem van deze persoon herkend als de stem van [medeverdachte 2] . Tijdens het onderzoek naar één van de onder [verdachte] inbeslaggenomen telefoons is een foto aangetroffen die op 16 juli 2023 om 07.15 uur is gemaakt waarop twee personen te zien zijn, waarvan de linker persoon een telefoon in zijn hand heeft. Deze telefoon wordt door verbalisant herkend als de telefoon die aangever miste. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij de persoon is die de telefoon van aangever vastheeft en dat [verdachte] de andere jongen is. De rechtbank stelt vast dat niet ter discussie staat dat die nacht een afpersing heeft plaatsgevonden waarbij aangever gedwongen is tot de afgifte van een armband (merk Buddha to Buddha), een paar schoenen en zijn autosleutels. De vraag die voorligt is wie zich aan deze afpersing schuldig heeft of hebben gemaakt. De rechtbank stelt op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen vast dat alle vier de verdachten aan de overkant van het water zijn geweest, waar aangever is gedwongen zijn spullen af te staan. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben gezegd dat aangever zijn spullen moest afstaan, waar [verdachte] en [medeverdachte 3] bij aanwezig waren. De buit kwam in handen van [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Hoewel de telefoon niet door de afpersing van aangever is weggenomen, is deze wel door de verdachten meegenomen. Later die nacht is een video gemaakt waarop [medeverdachte 2] te horen is die zegt: “we hebben zijn tellie broer” en hebben [verdachte] en [medeverdachte 1] een selfie gemaakt waarop de telefoon van aangever zichtbaar is. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat zowel vóór als na het te water gaan van aangever geweld jegens hem is gepleegd. Alle verdachten, ook [verdachte] , zijn betrokken geweest bij deze geweldplegingen en dat geweld is dienstbaar geweest aan de afpersing. Ook het eerder toegepaste geweld heeft bijgedragen aan de angst en de dwang die aangever later aan de overkant van het water heeft ervaren om zijn bezittingen af te geven. [verdachte] heeft naast het zelf plegen van geweld jegens aangever ook de portemonnee en autosleutels van aangever aangenomen. Dat is voldoende voor een significante bijdrage aan de afpersing. Uit de bewijsmiddelen volgt dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten die als gezamenlijke groep hebben geopereerd. Hun rollen waren ten opzichte van elkaar complementair. De rechtbank komt hiermee tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde, te weten een afpersing in vereniging. De rechtbank zal vrijspreken van de afpersing van de telefoon en de identiteitskaart, omdat niet vast is komen te staan dat het slachtoffer deze heeft afgegeven aan verdachten. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij op of omstreeks 16 juli 2023 te Harderwijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een armband (merk Buddha to Buddha) en/of een paar schoenen en/of de autosleutels en/of de telefoon en/of de identiteitskaart, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] toebehoorden, door- die [slachtoffer] één of meermalen op en/of tegen het hoofd, althans het lichaam, te slaan en/of te stompen,- achter die voornoemde [slachtoffer] aan te lopen en/of te rennen,- die [slachtoffer] op te wachten,- tegen die [slachtoffer] te zeggen dat hij zijn geld en bezittingen moest afgeven, althanswoorden van gelijke aard en/of strekking, en/of- die [slachtoffer] één of meermalen tegen de ribben en/of het (onder)been, althans hetlichaam, te trappen. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. 5De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 100 uur, met aftrek van het voorarrest, en een voorwaardelijke jeugddetentie van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd de bijzondere voorwaarden zoals die zijn geadviseerd op te leggen, met uitzondering van het contactverbod met de medeverdachten, en in aanvulling op de voorwaarden het opleggen van elektronisch toezicht. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd de voorwaarden en het toezicht daarop dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit te volstaan met een deels voorwaardelijke taakstraf en aan verdachte geen jeugddetentie op te leggen. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van [verdachte] . Ernst van het feit [verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan een afpersing in vereniging van het slachtoffer [slachtoffer] . Daarbij hebben [verdachte] en zijn medeverdachten grof geweld tegen het slachtoffer gebruikt en hebben zij hem achtervolgd. Het slachtoffer is uiteindelijk uit angst het water in gesprongen en is gaan zwemmen naar de overkant om te ontkomen. Die vluchtpoging mocht niet baten, want aan de overkant van het water stonden [verdachte] en de medeverdachten hem op te wachten. Daar werd wederom fors geweld tegen het slachtoffer gebruikt en werd hij gedwongen om zijn bezittingen af te staan. Dit is een zeer ernstig feit. Berovingen zoals deze maken een ernstige inbreuk op de rechtsorde en veroorzaken gevoelens van onrust, angst en onveiligheid in de samenleving, in het bijzonder bij de directe slachtoffers. Dat is in deze zaak ook het geval. [verdachte] heeft met het plegen van deze afpersing gehandeld zonder zich te bekommeren om de verstrekkende gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. Het incident heeft voor het slachtoffer zowel fysieke als mentale gevolgen gehad, zoals ook blijkt uit de toelichting bij de vordering tot schadevergoeding. [verdachte] heeft maar ten dele verantwoordelijkheid genomen voor zijn aandeel in de afpersing. Persoonlijke omstandigheden [verdachte] De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van [verdachte] van 14 november 2024, waaruit blijkt dat hij niet eerder door de strafrechter is veroordeeld, maar wel strafbeschikkingen heeft gehad op 15 oktober 2024 en 14 november 2024, waardoor artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. De rechtbank heeft verder gelet op het NIFP-rapport van psycholoog Hardoar van 12 januari
  3. Daaruit blijkt dat bij [verdachte] sprake is van hechtingsproblematiek en traumagerelateerde problematiek, die mede tot gevolg hebben gehad dat [verdachte] gedragskenmerken van ADHD en een normoverschrijdend-gedragsstoornis heeft ontwikkeld. Daarnaast is sprake van een stoornis in cannabisgebruik. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en beïnvloedden zijn gedragskeuzes en gedragingen ten dele. Geadviseerd wordt om het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen. De rechtbank heeft ook gelet op de overige adviezen die over [verdachte] zijn uitgebracht, waaronder het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 22 oktober 2024 en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen. Ter zitting heeft de deskundige van de jeugdreclassering toegelicht dat het, anders dan [verdachte] zelf doet voorkomen, momenteel niet zo goed gaat met [verdachte] . De plaatsing bij PerspektieV zou gestopt worden na een officiële waarschuwing van een paar weken geleden. Er is veel geprobeerd en opgestart, maar het blijft niet lukken. PerspektieV wil hem toch nog een laatste kans geven, maar zijn verblijf daar hangt aan een heel dun draadje. Door de Raad wordt geadviseerd oplegging van een (deels) voorwaardelijke taakstraf, met een aantal bijzondere voorwaarden, waaronder medewerking met de begeleiding door PerspektieV. De deskundige van de jeugdreclassering heeft er ter zitting voor gepleit, zeker in het geval een werkstraf zal worden opgelegd, om ook elektronisch toezicht op te leggen. De straf Alles afwegende vindt de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf een passende straf. De rechtbank zal dan ook aan [verdachte] opleggen een taakstraf van 100 uur, met aftrek van het voorarrest en een voorwaardelijke jeugddetentie van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank zal daarbij de bijzondere voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming aan [verdachte] opleggen, met uitzondering van het contactverbod. Aanvullend zal de rechtbank elektronisch toezicht opleggen, zoals ter zitting is geadviseerd. Nu een dergelijk gebod zo specifiek mogelijk door de rechtbank moet worden omschreven, zal zij dit gebod verbinden aan de locatie van de PerspectieV, dan wel een soortgelijke (vervolg)plek door de jeugdreclassering te bepalen, dit alles met een maximumtermijn van 9 maanden na de datum van dit vonnis. De rechtbank zal tot slot de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden bevelen. De aard van het bewezenverklaarde en hetgeen uit de rapportages blijkt over het recidiverisico geven de rechtbank daartoe aanleiding. Op grond hiervan moet er naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee worden gehouden dat [verdachte] wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 77za van het Wetboek van Strafrecht is daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldaan. De rechtbank zal het geschorste bevel voorlopige hechtenis opheffen. 8De beoordeling van de civiele vordering De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met de afpersing in vereniging een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.205,72‬ aan materiële schade en € 1.250,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft gevorderd hoofdelijkheid uit te spreken. De verdediging heeft ten aanzien van het immateriële deel en de tandartskosten geen verweer gevoerd. Ten aanzien van het identiteitsbewijs is aangevoerd dat die geldig was tot oktober
  4. Dan had over 1,5 jaar een nieuw paspoort aangevraagd moeten worden en hadden ook pasfoto’s gemaakt moeten worden. De vergoeding van kosten voor een nieuw paspoort zou dus beperkt moeten worden tot € 77,85 + 12,50 = 90,35 / 10 = 9,035 X 2 = € 18,
  5. Ten aanzien van de armband en de telefoon is aangevoerd dat als [medeverdachte 1] die heeft, de kosten ook voor zijn rekening moeten komen. Ten aanzien van de schoenen is aangevoerd dat geen aankoopbewijs aanwezig is, met het verzoek dit bedrag om die reden te matigen. Verder is ten aanzien van de schoenen en de telefoon aangevoerd dat onbekend is hoe oud ze waren en wat de staat ervan was. Overweging van de rechtbank Materiële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat schadeposten voldoende onderbouwd zijn en redelijk voorkomen. Met betrekking tot de gevorderde kosten voor het nieuwe identiteitsbewijs ziet de rechtbank gelet op de aard van het document geen aanleiding de aftrek nieuw-voor-oud toe te passen. De rechtbank hanteert de vervangingswaarde van het document. Met betrekking tot de schoenen overweegt de rechtbank dat verweer is voldoende gemotiveerd is gesteld dat sprake is geweest van schoenen in nieuwstaat zodat geen afschrijving zal worden toegepast. Met betrekking tot de gevorderde kosten van de telefoon geldt dat deze in voldoende verband staat met het strafbare feit. Hoewel de telefoon niet door de afpersing is afgenomen, is de telefoon wel in handen gekomen van de verdachten nadat zij geweld tegen aangever hadden gepleegd en hebben ze de telefoon vervolgens meegenomen, zodat aangever er niet langer over kon beschikken. Verdachte is voor de schade als gevolg daarvan op de voet van artikel 6:166 BW hoofdelijk aan te spreken. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de telefoon, armband, schoenen, legitimatiebewijs, pasfoto’s en tandartskosten (€ 1.205,72‬) kan worden toegewezen. Smartengeld Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen meerdere van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Door afpersing in vereniging heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel opgelopen en is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 1.250,00 vaststellen. Verdachte is vanaf 16 juli 2023 wettelijke rente over het totale toegewezen bedrag verschuldigd. De rechtbank overweegt dat [verdachte] en zijn medeverdachten ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken op de voet van artikel 6:166 BW. [verdachte] hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op te leggen. [verdachte] wordt hoofdelijk verplicht het aan de benadeelde partij in totaal toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. Vanwege de jeugdige leeftijd van [verdachte] zal geen gijzeling worden bepaald. 9De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 317 van het Wetboek van Strafrecht. 10De beslissing De rechtbank:  verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;  verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;  verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;  verklaart verdachte hiervoor strafbaar;  veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 6 maanden; bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet heeft gehouden aan de hierna te melden voorwaarden: stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte: inzicht geeft aan de jeugdreclassering in zijn sociale contacten en zijn social media verkeer; meewerkt met de begeleiding van PerspektieV; meewerkt aan het zoeken van werk/dagbesteding; zich houdt aan de regels van de woongroep; zich houdt aan het locatiegebod ziende op de locatie van PerspektieV te Zwolle en de eventuele vervolgsetting en zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt, en zich ter controle van het locatiegebod onder elektronische toezicht zal stellenvan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Amsterdam, zolang de jeugdreclassering dit nodig vindten met een maximumtermijn van 9 maanden na de datum van dit vonnis; waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Amsterdam opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Verdachte is daarbij van rechtswege verplicht zijn medewerking te verlenen aan het vaststellen van zijn identiteit en aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;  beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;  veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf van 100 uren, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen;  beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht twee uur in mindering wordt gebracht;  heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis; De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]  veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 1.205,72 aan materiële schade en € 1.250,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2023 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;  bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;  veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] een bedrag te betalen van € 1.205,72 aan materiële schade en € 1.250,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2023 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;  bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht. Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Breimer (voorzitter, tevens kinderrechter), mr. M. Rietveld en mr. P. Verkroost, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. L.L.M. van Schaik, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 december
  6. mrs. Rietveld en Breimer zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023425966, gesloten op 1 december 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 26-27; processen-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte 1] , p. 154 en p. 172, proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte 2] , p.
  7. Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 26-27; waarneemverslag huisarts, p.
  8. Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [verdachte] , p. 269-270, 274 en
  9. Processen-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte 2] , p.
  10. Proces-verbaal van bevindingen, p.
  11. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 179 en de als bijlage gevoegde foto, p. 189; proces-verbaal van bevindingen, p. 390 en de als bijlage gevoegde foto, p. 410.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.