RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 23/719 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: [naam gemachtigde] ), en de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 24 december
- De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 10.920.
- Gelijktijdig is € 467.647 aan belastingrente in rekening gebracht. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag verminderd naar een belastbaar bedrag van € 6.054.498 en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, waarna de inspecteur een conclusie van dupliek heeft ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende zijn gemachtigde en [persoon A] en namens de inspecteur [persoon B] en [persoon C] . Feiten
- [persoon D] ( [persoon D] ) is bestuurder van belanghebbende. Middels [stak belanghebbende] is hij 100% aandeelhouder van belanghebbende. Belanghebbende bezit (indirect) alle aandelen in [bedrijf 1] ( [bedrijf 1] ), [bedrijf 2] ( [bedrijf 2] ), [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] Zij is ook bestuurder van deze dochtermaatschappijen met uitzondering van [bedrijf 2] . Van deze laatste vennootschap is [persoon D] bestuurder.
- Met ingang van 1 januari 2007 vormt belanghebbende met [bedrijf 1] een fiscale eenheid in de zin van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) (de fiscale eenheid).
- Per 1 januari 2008 is [bedrijf 2] gevoegd in de fiscale eenheid. Per 1 juni 2012 zijn [bedrijf 3] en [bedrijf 4] gevoegd in de fiscale eenheid. [bedrijf 5] is per 1 januari 2013 gevoegd in de fiscale eenheid.
- Belanghebbende en haar dochtermaatschappijen beleggen in vastgoed. Binnen de groep zijn verschillende vennootschappen in 2007 en 2008 ter financiering van de aankoop van onroerende zaken hypothecaire geldleningen aangegaan bij [naam bank] ( [naam bank] ). Een deel van deze leningen is verstrekt in Zwitserse franken.
- Nadat de koers van de Zwitserse frank ten opzichte van de euro sterk steeg, waardoor de omvang van de schuld van belanghebbende in euro’s toenam, heeft [naam bank] eenzijdig besloten om de schuld om te zetten in euro’s om verdere verliezen te voorkomen. Als gevolg hiervan heeft belanghebbende een fors koersverlies geleden. Belanghebbende heeft [naam bank] aansprakelijk gesteld voor dit koersverlies. [naam bank] heeft geen aansprakelijkheid erkend.
- Op 4 juli 2014 is een medeschuldenaarovereenkomst getekend waarbij [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en [bedrijf 1] zich naast de geldnemers mede hoofdelijk aansprakelijk hebben gesteld voor de nakoming van verplichtingen uit hoofde van de verstrekte geldleningsovereenkomsten met [naam bank] .
- [naam bank] heeft in 2015 haar recht van hypotheek uitgeoefend en heeft alle panden waar dit zekerheidsrecht op rustte verkocht. Na aflossing van de geldleningen met de opbrengsten van deze verkopen resteerde een schuld aan [naam bank] .
- Met dagtekening 16 mei 2017 is een vaststellingsovereenkomst (VSO) gesloten tussen belanghebbende, haar dochtermaatschappijen en [naam bank] . Hierin is overeengekomen dat [naam bank] de resterende schuld van € 20.040.590, exclusief de verschuldigde rente en kosten, kwijt zal schelden, omdat geen verhaalsmogelijkheden meer aanwezig waren. Verder is opgenomen in de VSO dat [naam bank] geen enkele aansprakelijkheid erkent van de door de schuldenaren gestelde schade.
- [naam bank] heeft in haar brief van 24 september 2020 verklaard dat alle vennootschappen zich over en weer hoofdelijk aansprakelijk hebben gesteld voor alle verstrekte leningen. Om die reden zijn dan ook alle vennootschappen partij in de VSO betrokken en is geen specificatie van de kwijtgescholden bedragen per vennootschap afzonderlijk te geven. Wel heeft [naam bank] de onderstaande specificatie van de leningen die zijn gekweten (in euro’s) vermeld: Kredietnemer (cf. overeenkomst) Kwijting bedrag Leningnummer [bedrijf 5] 1.933.875 10001614 [bedrijf 5] 870.257 10001615 [bedrijf 5] 748.451 10004089 Combi: [belanghebbende] / [bedrijf 2] 1.845.154 10004108 Combi: [belanghebbende] / [bedrijf 2] 14.642.857 10014472 Totaal 20.040.594 Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslag Vpb 2017 niet te hoog heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
- Tussen partijen is in geschil of belanghebbende in 2017 ten aanzien van de kwijtscheldingswinst van € 20.651.246 aanspraak kan maken op de kwijtscheldingswinstvrijstelling. Meer in het bijzonder is in geschil of belanghebbende een geslaagd beroep doet op de tegenbewijsregeling als bedoeld in artikel 15ac, tweede lid, van de Wet Vpb. Tussen partijen is niet meer in geschil dat sprake is van niet voor verwezenlijking vatbare rechten en dat aan de tegenvordering op [naam bank] ter zake van het geleden koersverlies geen waarde toekomt. Verder heeft de inspecteur ter zitting zijn standpunt ingetrokken dat geen sprake is van een procesbelang.
- Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt. Standpunt belanghebbende
- Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat de volledige kwijtscheldingswinst, op grond van artikel 8b van de Wet Vpb, in het kader van de tegenbewijsregeling aan haar moet worden toegerekend. Nadat het onroerend goed gedwongen is verkocht, zijn met die opbrengsten de leningen bij [naam bank] afgelost. Er is een restschuld blijven staan, omdat als groep, met belanghebbende als concernbankier, meer geleend kon worden dan de vennootschappen zelfstandig aan de hand van de gebruikelijke loan-to-value van 60% konden lenen. Daarbij hadden de zelfstandige vennootschappen door deze groepsstructuur ook het voordeel dat zij leningen tegen een lagere rente konden afsluiten. Door dit voordeel zijn binnen de groep rechtsbetrekkingen ontstaan die vergelijkbaar zijn met een borgstelling, aldus belanghebbende.
- Ook vanuit de enkelvoudige balans van [bedrijf 1] is het volgens belanghebbende logisch dat de restschulden, en dus de kwijtscheldingswinst, worden toegerekend aan belanghebbende. [bedrijf 1] heeft namelijk een negatief eigen vermogen van € 15.000.000 en de financiering van de onroerende zaken vond plaats vanuit belanghebbende via een krediet in rekening-courant. Het krediet bedroeg begin 2015 € 61.717.000 en eind 2016 € 25.905.
- Deze afname is veroorzaakt doordat de opbrengsten van het onroerend goed werden gebruikt voor de aflossing. Vennootschappelijk gezien had belanghebbende dus een bancaire financiering om haar dochtermaatschappij op onzakelijke wijze te financieren. Deze bancaire schulden van belanghebbende zijn afgelost vanuit de verkoopopbrengsten van [bedrijf 1] .
- Subsidiair stelt belanghebbende dat de door de fiscale eenheid geleden koersverliezen aan haar moeten worden toegerekend. Deze koersverliezen bedragen € 9.876.644 en zijn verantwoord in de resultaten van [bedrijf 1] (€ 2.570.822) en [bedrijf 2] (€ 7.305.822). Het gebruikmaken van risicovolle en complexe financiële producten, zoals de financiering in Zwitserse franken, valt buiten de activiteiten van een reguliere vastgoedonderneming. Zij is deze financiering aangegaan om de andere vennootschappen in staat te stellen om tegen een gunstigere rente te kunnen lenen. Dit rechtvaardigt de toerekening van de koersverliezen aan belanghebbende. Wel zou zij, zakelijk handelend, voor deze dienst een vergoeding in rekening moeten brengen. Deze vergoeding is gelijk aan de door belanghebbende gedragen kosten, waardoor de toerekening van de koersverliezen per saldo niet leidt tot een wijziging van het verrekenbare verlies. Het voorgaande komt er op neer dat belanghebbende recht heeft op een kwijtscheldingswinstvrijstelling van circa € 14.104.
- Standpunt inspecteur
- De inspecteur stelt dat de vereiste aangifte niet is gedaan en dat de bewijslast moeten worden verzwaard en omgekeerd.
- Met betrekking tot de tegenbewijsregeling stelt de inspecteur dat [naam bank] de leningsovereenkomsten heeft afgesloten met de vennootschappen binnen de fiscale eenheid die de onroerende zaken in eigendom hadden. De kwijtschelding door [naam bank] houdt verband met deze financieringen en met de valutaverliezen. Na verkoop van de onroerende zaken kon de financiering slechts gedeeltelijk worden afgelost, waardoor een restschuld resteerde. De kwijtscheldingswinst dient derhalve naar rato te worden toegerekend aan de vennootschappen met een restschuld.
- De volgende verdeling van de kwijtscheldingswinst heeft belanghebbende in de aangifte gemaakt. Dit betreft volgens de inspecteur de aangegeven zuivere verdeling van de kwijtscheldingswinst, waarvan de commerciële cijfers de basis zijn en waarover overeenstemming is bereikt dat die bedrijfseconomisch het meest zuiver is: [belanghebbende] € 3.645.046 [bedrijf 1] € 1.148.330 [bedrijf 2] € 11.514.560 [bedrijf 3] € 351.840 [bedrijf 5] € 2.904.075
- De inspecteur is van mening dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat fiscaal van de commerciële cijfers moet worden afgeweken. De stelling dat de vorderingen op de onderliggende vennootschappen binnen de fiscale eenheid als kapitaal moeten worden aangemerkt, wordt volgens hem niet door belanghebbende onderbouwd. Wettelijk kader
- Artikel 3.13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 luidt: “Tot de winst behoren niet: a. voordelen verkregen door het prijsgeven van niet voor verwezenlijking vatbare rechten door schuldeisers, voorzover de voordelen de som van het verlies uit werk en woning dat overigens mocht zijn geleden en de volgens afdeling 3.13 te verrekenen verliezen uit het verleden overtreffen; met prijsgeven van niet voor verwezenlijking vatbare rechten wordt gelijkgesteld het niet afdwingbaar worden van een vordering ingevolge artikel 358 van de Faillissementswet;”
- Artikel 8b, eerste lid, van de Wet Vpb luidt: “Indien een lichaam, onmiddellijk of middellijk, deelneemt aan de leiding van of het toezicht op, dan wel in het kapitaal van een ander lichaam en tussen deze lichamen ter zake van hun onderlinge rechtsverhoudingen voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd (verrekenprijzen) die afwijken van voorwaarden die in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen, wordt de winst van die lichamen bepaald alsof die laatstbedoelde voorwaarden zouden zijn overeengekomen.”
- Artikel 15ac, tweede lid, van de Wet Vpb luidt: “Artikel 3.13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 vindt bij het bepalen van de winst van een fiscale eenheid geen toepassing, behoudens voorzover aannemelijk wordt gemaakt dat de in dat onderdeel bedoelde voordelen niet tot de winst van de schuldenaar zouden hebben behoord indien deze geen deel zou hebben uitgemaakt van de fiscale eenheid. Voor zover verliezen van de schuldenaar, via een voorafgaande waardedaling van de prijsgegeven rechten, bij een andere maatschappij hebben geleid tot een bedrag aan negatieve voordelen op een schuldvordering, of een soortgelijk vermogensbestanddeel, dat op grond van het zevende lid niet in aanmerking is genomen, wordt het bedrag aan voordelen dat op grond van artikel 3.13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet tot de winst behoort, na toepassing van de eerste volzin, verhoogd met het hiervoor bedoelde bedrag aan negatieve voordelen, doch ten hoogste tot het bedrag van de voordelen uit het prijsgeven van de rechten.” Is belanghebbende geslaagd in de tegenbewijsregeling dat de kwijtscheldingswinstvrijstelling op haar van toepassing is?
- De rechtbank stelt voorop dat belanghebbende op grond van artikel 15ac, tweede lid, van de Wet Vpb de bewijslast heeft dat, en zo ja, in hoeverre voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van de kwijtscheldingswinstvrijstelling.
- De rechtbank stelt vast dat de verschillende vennootschappen civielrechtelijk zelfstandig leningen hebben afgesloten bij [naam bank] . Op grond van artikel 15ac, tweede lid, van de Wet Vpb moet de kwijtscheldingswinst per vennootschap zelfstandig worden beoordeeld. Het standpunt van belanghebbende dat op grond van artikel 8b van de Wet op de Vpb rechtsbetrekkingen worden gecreëerd, vindt het geen steun in het recht. Artikel 8b van de Wet op de Vpb bepaalt namelijk slechts dat, indien rechtsverhoudingen tussen gelieerde vennootschappen bestaan waarbij de voorwaarden afwijken van voorwaarden die in het economische verkeer worden overeen gekomen tussen onafhankelijke partijen, deze rechtsverhoudingen worden bepaald alsof ze tussen onafhankelijke partijen zijn overeengekomen. Het artikel creëert dus geen (fiscale) rechtsverhoudingen die er civielrechtelijk niet zijn. Belanghebbende heeft hierbij ook geen feiten en omstandigheden gesteld die aannemelijk maken dat tussen haar en de verschillende vennootschappen civielrechtelijke rechtsverhoudingen bestaan op grond waarvan de leningen van [naam bank] aan haar moeten worden toegerekend. Dit geldt ook voor de toerekening van de koersverliezen.
- Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de kwijtscheldingswinst hoger moet worden vastgesteld. Heeft belanghebbende de vereiste aangifte gedaan?
- Bij de ingediende aangifte heeft belanghebbende geen rekening gehouden met artikel 15ac, tweede lid, van de Wet Vpb, waardoor de verschuldigde vennootschapsbelasting volgens de aangifte € 0 was, terwijl € 1.503.623 aan vennootschapsbelasting is verschuldigd. Dit is zowel op zichzelf bezien als verhoudingsgewijs een aanzienlijk bedrag aan belasting dat niet is geheven. De aangifte is ingediend door een professioneel gemachtigde en hij had kunnen en behoren te weten dat een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. Deze wetenschap wordt aan belanghebbende toegerekend. Gelet op het oordeel van de rechtbank in punt
- vindt het standpunt van belanghebbende, dat op grond van artikel 8b van de Wet Vpb rechtsbetrekkingen worden gecreëerd, geen steun in het recht. Van een pleitbaar standpunt in de aangifte kan dan ook geen sprake zijn. Van afwezigheid van alle schuld is evenmin sprake. Dat de voormalige gemachtigde in de aangifte een fout heeft gemaakt, maakt dit niet anders, omdat van hem mocht worden verwacht dat hij beter wist. Dit betekent dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan en dat de bewijslast, die al op belanghebbende rust, moet worden verzwaard.
- Nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanslag te hoog is opgelegd, heeft zij dat dus ook niet doen blijken.
- De omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat de inspecteur de aanslag moet baseren op een redelijke schatting. De inspecteur heeft de aanslag Vpb 2017 vastgesteld aan de hand van de met belanghebbende in bezwaar overeengekomen verdeling van de kwijtscheldingswinst die gebaseerd is op de zelfstandige commerciële cijfers van de verschillende vennootschappen. Belanghebbende heeft, ondanks verzoeken van de inspecteur, geen onderbouwing gegeven voor een andere verdeling. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de schatting redelijk is.
- Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep van belanghebbende ongegrond is.
- Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van haar proceskosten. Ook krijgt zij het griffierecht niet vergoed. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, voorzitter, mr. B.J. Zippelius en mr. W.W. Monteiro, rechters, in aanwezigheid van mr. R. Roosma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Hoge Raad 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV
- Hoge Raad 28 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:
- Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184.