RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: ARN 23/1848 en 23/1850 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van in de zaken tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: [naam gemachtigde] ), en de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Den Haag, de inspecteur. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 4 oktober 2022 en van 27 februari 2023. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2017 en 2018 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.827
(2017)en van € 53.411
(2018). Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag IB/PVV 2017 heeft de inspecteur belanghebbende € 314 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking). De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de beide aanslagen IB/PVV niet-ontvankelijk verklaard bij uitspraken op bezwaar van 4 oktober
- De inspecteur heeft daarbij de aanslagen gehandhaafd. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tevens opgevat als verzoeken om ambtshalve vermindering van die aanslagen. Die verzoeken heeft hij afgewezen. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Deze bezwaren heeft de inspecteur ongegrond verklaard bij uitspraken op bezwaar van 27 februari
- De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft de beroepen op 19 augustus 2024 tegelijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende, en, ter meerderere bijstand, [persoon A] . Namens de inspecteur zijn verschenen: [persoon B] en [persoon C] . Feiten Algemeen
- Belanghebbende is in 1984 aangesteld als brandweervrijwilliger bij de gemeente [plaats] .
- Op 17 september 2005 is belanghebbende tijdens een verplichte oefening ernstig gewond geraakt (het dienstongeval). Als gevolg hiervan heeft belanghebbende blijvend lichamelijk en psychisch letsel opgelopen. Belanghebbende heeft de gemeente [plaats] hiervoor aansprakelijk gesteld.
- Belanghebbende en de gemeente [plaats] hebben in 2013 een schikking getroffen.
- Belanghebbende heeft vervolgens een eenmalige uitkering van de aansprakelijkheidsverzekeraar van de gemeente [plaats] ontvangen van € 140.
- Daarnaast heeft belanghebbende gedurende de periode van augustus 2013 tot augustus 2023 maandelijks een uitkering van de ongevallenverzekeraar van de gemeente [plaats] , [verzekeraar] , ontvangen. Voor 2017 gaat het om een bedrag van € 18.023 en voor 2018 om een bedrag van € 18.563 (de uitkeringen). Aanslagregeling 2017
- Op 27 augustus 2018 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV 2017 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.
- Op 5 november 2018 heeft belanghebbende een gewijzigde aangifte IB/PVV 2017 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.
- Dit inkomen bestaat uit de volgende elementen: inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking € 35.279 inkomsten uit vroegere dienstbetrekking € 127 winst uit onderneming € 3.602 negatief
- Bij brief van 31 januari 2020 heeft de inspecteur aan belanghebbende laten weten voornemens te zijn af te wijken van de aangifte IB/PVV
- In die brief is onder meer vermeld dat de inspecteur het verlies uit onderneming van € 3.602 niet accepteert, omdat volgens hem geen sprake is van een bron van inkomen. Daarnaast laat de inspecteur weten de inkomsten uit vroegere dienstbetrekking te zullen corrigeren met de door belanghebbende ontvangen uitkering van € 18.023, onder verrekening van door [verzekeraar] ingehouden loonbelasting van € 4.
- Bij brief van 7 augustus 2020 heeft de inspecteur belanghebbende laten weten alsnog akkoord te gaan met het door hem aangegeven verlies uit onderneming 2017 van € 3.
- Met dagtekening 25 augustus 2020 heeft de inspecteur aan belanghebbende een definitieve aanslag IB/PVV 2017 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.827 (€ 31.804 plus € 18.023). Aanslagregeling 2018
- Op 10 maart 2020 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV 2018 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.
- Dit inkomen bestaat uit de volgende elementen: inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking € 34.848 inkomsten uit vroegere dienstbetrekking € 18.563 winst uit onderneming € 988
- Bij brief van 31 januari 2021 heeft de inspecteur aan belanghebbende laten weten voornemens te zijn af te wijken van de aangifte IB/PVV
- In die brief is onder meer vermeld dat van winst uit onderneming geen sprake is omdat er geen bron van inkomen is.
- Met dagtekening 21 januari 2021 heeft de inspecteur aan belanghebbende een definitieve aanslag IB/PVV 2018 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.411 (€ 54.399 minus € 988) Bezwaren 2019 en 2020
- Voor wat betreft de jaren 2019 en 2020 is de inspecteur bij uitspraken op bezwaar van 19 september 2022 tegemoet gekomen aan de door belanghebbende over die jaren ingediende bezwaren. De door belanghebbende over die jaren van [verzekeraar] ontvangen uitkeringen heeft de inspecteur onbelast gelaten. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank zal eerst beoordelen of de inspecteur de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarna beoordeelt zij of de inspecteur de verzoeken om ambtshalve vermindering van die aanslagen terecht heeft afgewezen. Zij doet dat telkens aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Heeft de inspecteur de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard?
- Belanghebbende is (primair) van mening dat de bezwaren weliswaar te laat zijn ingediend, maar dat de termijnoverschrijding hem niet aan te rekenen is. Belanghebbende is op het verkeerde been gezet doordat de belastingdienst het zogenoemde ‘Smeerkuilarrest’ jarenlang te strikt heeft uitgelegd, naar achteraf is gebleken.
- De inspecteur is van mening dat de bezwaren niet tijdig door hem zijn ontvangen, en dat van een verschoonbare termijnoverschrijding geen sprake is.
- Een bezwaarschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen. De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt ingevolge de Awb zes weken. Deze termijn vangt aan op de dag na de dagtekening van de aanslag, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking.
- De dagtekening van de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 is respectievelijk 25 augustus 2020 en 21 januari
- Gesteld nog gebleken is dat de dagtekening van de aanslagen is gelegen vóór de data van bekendmaking van die aanslagen. Dit betekent dat de termijn voor indiening van het bezwaarschrift eindigde op 7 oktober 2020, respectievelijk op 5 maart
- De bezwaarschriften zijn door de inspecteur ontvangen op 11 april
- Dat is dus (ruim) na afloop van de bezwaartermijn.
- Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (de zogenoemde verschoonbare termijnoverschrijding).
- Naar het oordeel van de rechtbank is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Dat beweerdelijk de belastingdienst het Smeerkuilarrest te streng heeft uitgelegd, maakt niet dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Hierin is namelijk geen aan de zijde van belanghebbende gelegen persoonlijke reden te vinden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakt. De door belanghebbende ter zitting aangedragen reden voor de termijnoverschrijding, te weten de stress waaraan belanghebbende en zijn gezin blootstonden ten gevolge van het dienstongeval en de nasleep daarvan, maakt die overschrijding evenmin verschoonbaar. De in geschil zijnde aanslagen zijn opgelegd in 2020 en 2021, terwijl volgens belanghebbende de nasleep van het dienstongeval zijn beslag had in de jaren 2005 tot en met
- De conclusie luidt dat de inspecteur de bezwaren van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betekent dat de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 onherroepelijk vaststaan. Dat een verzoek om ambtshalve vermindering van die aanslagen is gedaan, doet aan dit laatste niet af. Is het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen terecht afgewezen?
- Belanghebbende is (subsidiair) van mening dat hij recht heeft op ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2017 en
- De uitkeringen behoren niet tot het loon (inkomsten uit vroegere dienstbetrekking). Van nieuwe jurisprudentie die in de weg staat aan ambtshalve vermindering is geen sprake. Het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 2022 is niet nieuw ten opzichte van het Smeerkuilarrest, maar vormt een bestendiging van de leer van de Hoge Raad, zoals die al in het Smeerkuilarrest uit de doeken is gedaan, aldus belanghebbende.
- De inspecteur is van mening dat geen recht op ambtshalve vermindering bestaat omdat sprake is van ‘nieuwe jurisprudentie’. Hij baseert zich daarbij op het standpunt van de Staatssecretaris van Financiën zoals neergelegd in de brief van 2 juni 2022 en de publicatie van de kennisgroep formeel recht van 7 november
- In artikel 9.6 van de Wet IB 2001 zijn bijzondere regels opgenomen voor de ambtshalve vermindering van een aanslag IB/PVV. Het tweede lid van artikel 9.6 van de Wet IB 2001 verwijst naar de bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen waarin de inspecteur een onjuiste belastingaanslag ambtshalve vermindert. Die ministeriële regeling is opgenomen in artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling IB 2001, waarin is bepaald dat de inspecteur ambtshalve een belastingaanslag vermindert zodra hem is gebleken dat die aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Een uitzondering hierop vormt het geval waarin de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die belastingaanslag onherroepelijk is komen vast te staan (‘nieuwe jurisprudentie’), tenzij de Minister van Financiën anders heeft bepaald.
- Niet in geschil is dat naar de maatstaven als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 2022 de uitkeringen niet (langer) als inkomsten uit vroegere dienstbetrekking voor de inkomstenbelasting hebben te gelden. Het totaalbedrag dat door (de verzekeraars van) de gemeente ten gevolge van het dienstongeval aan belanghebbende is betaald, overschrijdt niet het bedrag waarvoor de gemeente civielrechtelijk aansprakelijk is. De vraag die partijen verdeeld houdt is of het arrest van 25 maart 2022 als nieuwe jurisprudentie in zin van onderdeel b van artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling IB 2001 heeft te gelden.
- In zijn reeds genoemde arrest van 25 maart 2022 heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen (r.o. 4.2.): “In het door het Hof aangehaalde arrest van 29 juni 1983 [het Smeerkuilarrest, toevoeging rechtbank] heeft de Hoge Raad geoordeeld dat door een werkgever in verband met diens aansprakelijkheid voor een aan zijn werknemer overkomen ongeval betaalde vergoedingen voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht - behoudens bijzondere omstandigheden, zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst - niet zo zeer hun grond vinden in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moeten worden aangemerkt. Met de woorden “zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst” heeft de Hoge Raad tot uitdrukking gebracht dat op de hoofdregel - vergoedingen van immateriële schade en verlies aan arbeidskracht worden niet als loon aangemerkt - een uitzondering kan worden gemaakt indien en voor zover de werkgever aan zijn erkenning van aansprakelijkheid een hogere vergoeding verbindt dan rechtstreeks uit die aansprakelijkheid voortvloeit. Wanneer de werkgever niet zo’n hogere vergoeding aan die erkenning verbindt, brengt de vastlegging in de arbeidsovereenkomst materieel geen verandering in de rechten die de werknemer als gevolg van het ongeval heeft. Dan is er ook geen reden om over de belastbaarheid van de vergoeding anders te oordelen dan in het geval van de werknemer ten aanzien van wie in de arbeidsovereenkomst niets is geregeld omtrent een vergoeding als hiervoor bedoeld. Indien bij of krachtens de arbeidsovereenkomst geen hogere vergoedingen voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht zijn voorzien dan bepaald worden door de op de werkgever rustende aansprakelijkheid, doet de uitzondering op de hoofdregel zich daarom niet voor.”
- De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van nieuwe jurisprudentie. Uit de geparafraseerde overweging volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de Hoge Raad uitlegt wat hij heeft bedoeld met de uitzondering op de hoofdregel zoals die reeds in het Smeerkuilarrest was gegeven. Er is gelet op de door de Hoge Raad gekozen bewoordingen geen sprake van iets nieuws. Bovendien staat nergens in de geparafraseerde tekst, of elders in het arrest, te lezen dat de Hoge Raad breekt met zijn in het Smeerkuilarrest neergelegde leer, hetgeen in het geval waarin sprake zou zijn van nieuwe jurisprudentie wel verwacht had mogen worden. De rechtbank is daarbij van oordeel dat het arrest van 26 april 2024, anders dan de inspecteur stelt, het voorgaande niet anders maakt. Het gelijk is dus aan belanghebbende.
- Zo sprake is van een verduidelijking of een nadere uitleg van de hiervoor bedoelde uitzondering op de hoofdregel, heeft naar het oordeel van de rechtbank het volgende te gelden. Naar volgt uit de eerder genoemde brief van de Staatssecretaris van financiën van 2 juni 2022, neemt de Staatssecretaris desgevraagd het volgende standpunt in ter zake van een nadere uitleg van eerdere jurisprudentie (antwoord op vraag 6): “(…) Als er sprake is van jurisprudentie die is gewezen nadat de belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan (‘nieuwe jurisprudentie’), vermindert de belastinginspecteur de belastingaanslag inkomstenbelasting die onherroepelijk vast is komen te staan niet op grond van artikel 45aa, onderdeel b, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting
- Voor andere regelingen volgt dit uit paragraaf 23, onderdeel 8, onder b, Besluit Fiscaal Bestuursrecht. Echter, in het geval sprake zou zijn van een nadere uitleg van een eerder arrest zouden belastingplichtigen bij wie een letselschadevergoeding als belast loon in aanmerking is genomen binnen vijf jaar na afloop van het belastingjaar waarover de aanslag is opgelegd een verzoek tot ambtshalve vermindering van hun aanslag inkomstenbelasting kunnen indienen waaraan tegemoet zou moeten worden gekomen door de belastinginspecteur, mits toepassing van het arrest van 25 maart jongstleden leidt tot de uitkomst dat de belastingaanslag lager diende te worden vastgesteld en aan de overige voorwaarden voor een ambtshalve vermindering is voldaan. (…)” De opvatting van de Staatssecretaris laat dus ruimte voor ambtshalve vermindering indien sprake is van een nadere uitleg. Hieraan mag naar het oordeel van de rechtbank het in rechte te beschermen vertrouwen worden ontleend dat wanneer sprake is van een nadere uitleg de overheid haar toezegging ook gestand doet, en de inspecteur de aanslag zal verminderen, mits ook aan de overige voorwaarden voor ambtshalve vermindering is voldaan. Niet in geschil is dat aan die overige voorwaarden is voldaan. Dit betekent dat belanghebbende ook zo beschouwd recht heeft op ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2017 en
- De elders in bedoelde brief van de Staatssecretaris weergegeven opvatting van de Staatssecretaris dat het arrest van 22 maart 2022 heeft te gelden als nieuwe jurisprudentie acht de rechtbank, om redenen als hiervoor onder punt
- weergegeven, onjuist. Aan die opvatting komt dus geen betekenis toe. Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat aan het standpunt van de kennisgroep formeel recht inzake nieuwe jurisprudentie, welk standpunt erop neerkomt dat domweg dient te worden gekeken naar de datum waarop de jurisprudentie wordt gewezen, evenmin betekenis toekomt.
- De conclusie luidt dat de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 te hoog zijn omdat de uitkeringen onterecht tot de inkomsten uit vroegere dienstbetrekking van belanghebbende zijn gerekend. De rechtbank zal de aanslagen daarom verminderen. Zij stelt het belastbaar inkomen uit werk en woning 2017 van belanghebbende nader vast op € 31.804 (€ 49.827 minus € 18.023). Het belastbaar inkomen uit werk en woning 2018 van belanghebbende stelt zij nader vast op € 34.848 (€ 53.411 minus € 18.563).
- De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende aanslag IB/PVV 2017 zal worden verminderd, zal het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig worden verminderd. Conclusie en gevolgen
- De beroepen tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren zijn ongegrond. De beroepen inzake de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 zijn gegrond. De rechtbank zal daarom de uitspraken op bezwaar inzake die verzoeken vernietigen. De aanslagen zal zij verminderen.
- De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de bezwaren en beroepen inzake de verzoeken om ambtshalve vermindering redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.998 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde per punt van € 624, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1). Aangezien sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb kent de rechtbank voor de beide zaken één keer een vergoeding toe. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
- Omdat de rechtbank de beroepen inzake de verzoeken om ambtshalve vermindering gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen inzake de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren ongegrond; - verklaart de beroepen inzake de afwijzing van de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 gegrond; - vernietigt de uitspraken op bezwaar die zien op die verzoeken; - vermindert de aanslag IB/PVV 2017 tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.804; - vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig; - vermindert de aanslag IB/PVV 2018 tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.848; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraken op bezwaar - veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.998 aan proceskosten aan belanghebbende; - bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50,- aan belanghebbende moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. Verzijlbergen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Hoge Raad, 29 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AW
- Artikel 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 6:7 van de Awb. Artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Artikel 6:11 van de Awb. Vergelijk Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:720, r.o. 3.5.3 ECLI:NL:HR:2022:
- Nummer 2022-
- KG:206:2023:
- Onderdeel b van artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling IB
- ECLI:NL:HR:2024:
- Vergelijk Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.