RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Zutphen Zaaknummer: 11234232 \ CV EXPL 24-2168 Vonnis van 24 december 2024 in de zaak van [eiseres] , zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland, eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , gemachtigde: mr. A. van Schaik, tegen [gedaagde] , te [vestigingsplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. H.J. Willems. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- [eiseres] is vanaf 13 juni 2022 tot en met 4 september 2022 als uitzendkracht werkzaam geweest. Over die periode is er ook woonruimte aan [eiseres] ter beschikking gesteld. 2.
- [gedaagde] is een uitzendbureau dat zich onder meer specialiseert in het uitzenden van personeel aan bedrijven in de schoonmaakbranche. [gedaagde] is op 13 april 2023 opgericht. De bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde] is [bedrijf 1] [naam 1] (hierna: [naam 1] ) is de bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 1] 2.
- Daarnaast bestaan er nog meer ondernemingen met de naam ‘ [bedrijf 2] ’ waarvan [naam 1] (tweedegraads) bestuurder is. Eén van die ondernemingen is de eenmanszaak [gedaagde] . Deze eenmanszaak is op 11 februari 2016 opgericht en op 13 april 2023 uitgeschreven in de Kamer van Koophandel. Met ingang van die datum is de eenmanszaak voortgezet door [bedrijf 3] De enig aandeelhouder en bestuurder van deze onderneming is [bedrijf 1] 3Het geschil 3.
- [eiseres] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van het achterstallig loon inclusief vakantiegeld over de periode vanaf 1 augustus 2022 tot en met 4 september 2022 ter hoogte van € 2.562,88 bruto en uitbetaling van de niet genoten vakantie-uren. Daarnaast vordert [eiseres] terugbetaling van de borg van € 200,00 die zij heeft betaald voor de ter beschikking gestelde huisvesting. 3.
- [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij vanaf 13 juni 2022 tot en met 4 september 2022 in dienst was bij [gedaagde] moet het achterstallig loon over de periode vanaf 1 augustus 2022 tot en met 4 september 2022 uitbetalen. Daarnaast stelt [eiseres] dat zij in verband met de aan haar ter beschikking gestelde woonruimte een borg van € 200,00 aan [gedaagde] heeft betaald, welk bedrag moet worden terugbetaald. 3.
- [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert kort gezegd tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] omdat zij de verkeerde partij heeft gedagvaard en vordert dat [eiseres] wordt veroordeeld in de proceskosten. 4De beoordeling 4.
- De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] niet de juiste partij heeft gedagvaard. Dit wordt hierna uitgelegd. 4.
- Uit de door partijen overgelegde uittreksels van de Kamer van Koophandel blijkt dat [gedaagde] pas op 13 april 2023 is opgericht. Vaststaat dat er geen inbreng heeft plaatsgevonden vanuit enig ander bedrijf. Volgens [gedaagde] is het daarom onmogelijk dat er tussen partijen een rechtsverhouding heeft bestaan uit hoofde waarvan [eiseres] recht heeft op betaling van achterstallig loon dan wel terugbetaling van een borgsom. [eiseres] heeft deze stelling niet weersproken. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat er sprake is geweest van enige rechtsverhouding tussen partijen. 4.
- [eiseres] stelt zich op het standpunt dat zij [gedaagde] evenwel kan aanspreken tot betaling van het achterstallig loon. Ter onderbouwing daarvan heeft zij, althans zo worden haar stellingen daaromtrent begrepen, het volgende aangevoerd. 4.
- Het is aannemelijk dat [eiseres] in dienst is geweest bij de eenmanszaak [gedaagde] . Daarvan was [naam 1] de eigenaar. [naam 1] was dan ook verantwoordelijk voor de betaling van het achterstallig loon, hetgeen hij ook heeft erkend. De eenmanszaak [gedaagde] is echter op 13 april 2023 voortgezet door [bedrijf 3] De rechten en verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst zijn daarmee – dan wel op grond van overgang van onderneming of opvolgend werkgeverschap – overgegaan op [bedrijf 3] [naam 1] is (tweedegraads) bestuurder van [bedrijf 3] , zodat [naam 1] aansprakelijk is (gebleven) voor de betaling van het achterstallig loon. Omdat [naam 1] de centrale spil is in deze kwestie en [naam 1] ook (tweedegraads) bestuurder is van [gedaagde] , kan [gedaagde] (ook) worden aangesproken tot betaling van het achterstallig loon, aldus steeds [eiseres] . 4.
- Dit betoog kan haar niet baten. Kennelijk wenst [eiseres] (ook) [naam 1] tot betaling van het achterstallig loon aan te spreken al dan niet op grond van (tweedegraads) bestuurdersaansprakelijkheid. Wat daar verder inhoudelijk ook van zij, [naam 1] is niet gedagvaard. Anders dan [eiseres] meent, blijkt dit ook niet uit het lichaam van de dagvaarding. [naam 1] is dus geen partij in deze procedure. Daarnaast gaat [eiseres] er ten onrechte vanuit dat, voor zover [naam 1] al gehouden zou zijn het achterstallig loon te betalen, [gedaagde] met succes tot betaling kan worden aangesproken enkel en alleen omdat [naam 1] daarvan ook (tweedegraads) bestuurder is. 4.
- Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiseres] niet-ontvankelijk is in haar vordering. 4.
- [eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 476,00 (2 punten × € 238,00) - nakosten € 119,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 595,00 5De beslissing De kantonrechter 5.
- verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vordering, 5.
- veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 595,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. L.J.P. Lambooij en in het openbaar uitgesproken op 24 december
- (ldj)