← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2024:9697

RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Zutphen Zaaknummer: 11130907 \ CV EXPL 24-1641 Vonnis van 24 december 2024 in de zaak van [eiser] , te [Plaatsnaam] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, gemachtigde: mr. P.M. van der Lee en mr. C.D. Nelemans, tegen 1 [gedaagde 1] , te [Plaatsnaam] ,gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,

  1. [gedaagde 2], gedaagde partij in conventie, te [Plaatsnaam] , gemachtigde: mr. M. Samsen. De eisende partij wordt hierna [eiser] genoemd. De gedaagde partijen wordt hierna afzonderlijk ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd en gezamenlijk aangeduid met ‘ [gedaagden] ’. 1De procedure 1.
  2. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 21 augustus 2024, - de conclusie van antwoord in reconventie, - de akte indienen productie van de zijde van [gedaagde 1] , - de mondelinge behandeling van 8 november 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.
  3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
  4. [gedaagde 1] organiseert jaarlijks het festival Dauwpop in Hellendoorn. Daarbij maakt zij gebruik van de diensten van [gedaagde 2] , die ten behoeve van het festival personeel beschikbaar stelt. 2.
  5. [eiser] is leverancier van wegwerpdrinkbekers. Zij biedt onder meer zogenoemde ‘Paper2Paper-beker/P2P-bekers’ (hierna: de bekers) aan. [eiser] heeft de bekers op haar website in 2022 ondergebracht onder de categorie ‘gepersonaliseerde kartonnen bekers’. Op de website van [eiser] stond in 2022 voorts een afbeelding van een beker met een doorgestreepte SUP-markering. 2.
  6. In 2022 heeft [gedaagden] contact gezocht met [eiser] in verband met de (mogelijke) levering van bekers ten behoeve van Dauwpop
  7. In oktober 2022 heeft er een bespreking daarover plaatsgevonden, waarbij namens [gedaagden] aanwezig waren [Naam 1] (hierna: [Naam 1] ) en [Naam 2] . 2.
  8. Bij e-mail van 2 december 2022 heeft [Naam 2] een aantal vragen aan [eiser] gesteld. Op deze e-mail heeft [Naam 3] van [eiser] op 7 december 2022 gereageerd. [Naam 2] heeft onder meer de vraag gesteld:“● Plastic regels niet van toepassing” Daarop heeft [Naam 3] geantwoord:“Ja, in de bijlage het certificaat” Daarnaast heeft [Naam 2] in de e-mail van 2 december 2022 gemeld:“Voorwaarden richting [eiser] voor uitvoeren van grootschalig gebruik papier (paper2paper beker) (…)● Test van de “keuringsdienst van waarden” doorstaan.” Daarop heeft [Naam 3] gereageerd: “Is de report in de bijlage voldoende?” [Naam 3] heeft in de bijlage van de e-mail van 7 december 2022 een certificaat en een testrapport gevoegd waaruit blijkt dat de bekers naar Duitse maatstaven plasticvrij zijn. 2.
  9. Bij e-mail van 22 maart 2023 heeft [Naam 1] aan [eiser] bericht: “Eerst maar het leuke bericht: We hebben vandaag definitieve bespreking gehad en hebben besloten om Dauwpop 2023 met jullie papieren bekers te gaan doen. Dus we gaan ervoor. Het eerste plasticbeker vrije festival in Nederland. (dat moeten we nog wel even checken). (…) Nog even wat anders: ik heb het certificaat en het test rapport doorgezet naar een goede vriend van me (belezen iemand) en zakelijk goed onderlegd. Iemand met geen affectie in onze handel die er even neutraal naar kan kijken. Hij heeft zowel het certificaat als het rapport doorgespit. Zijn conclusie: ‘volgens mij heb je hier een Europees Certificaat in handen. Gemaakt door een hoog aangeschreven TNO-achtig instituut in Duitsland. Dus gaan de eventuele confrontatie aan .. (…) We laten naast een frisse opmaak ook op de beker drukken : 100 % papier | plastic vrij. BAM. (…)” 2.
  10. Op 23 maart 2023 heeft [eiser] een offerte uitgebracht aan [gedaagde 2] waarin het volgende is vermeld:“(…) Aantal (…) Artikelomschrijving Prijs per 1000 Subtotaal 50000 (…) SW paper cup 8oz/220ml (P2P) (…) 60,00 € 3.000,00 € 400000 (…) SW paper cup 12oz/350ml (P2P) (…) 65,00 € 26.000,00 € Prijzen zijn exl. BTW (…)” 2.
  11. In navolging op de offerte van 23 maart 2023 hebben [eiser] en [gedaagde 1] een overeenkomst gesloten voor de koop en levering van 450.000 bekers voor een door [gedaagde 1] te betalen koopsom van € 35.090 (incl. btw). Partijen zijn overeengekomen dat de betaling van de koopsom in twee gedeelten plaatsvindt, het eerste deel van € 18.150,00 bij de opdrachtverstrekking en het tweede deel van € 16.940,00 na afloop van het festival. 2.
  12. Bij factuur van 28 maart 2023 heeft [eiser] een bedrag van € 18.150 (incl. btw) aan [gedaagde 1] in rekening gebracht. [gedaagde 1] heeft dit factuurbedrag op 3 april 2023 betaald. 2.
  13. Toezichthouder ILT heeft de bekers geanalyseerd en is tot de conclusie gekomen dat de bekers niet zonder een zogenoemde SUP-markering op de markt gebracht hadden mogen worden. Bij e-mail van 2 mei 2023 heeft [Naam 4] van ILT aan [Naam 3] van [eiser] bericht: “Zoals vanochtend telefonisch afgesproken doe ik u hierbij de analyseresultaten toekomen van de door ons geanalyseerde bekers (…) Ik wil nogmaals aangeven dat een analyse voor dit product niet noodzakelijk is, aangezien er al aangegeven is dat er gebruik gemaakt wordt van een water based barrier coating oftewel water dispersie coating, die in de Regeling kunststofproducten voor eenmalig gebruik aangemerkt wordt als toepassing van polymeren. (…) Uit de resultaten blijkt dat de buitenkant van de bekers uit cellulose bestaat. Voor de binnenzijde herkent het apparaat meerdere soorten olieachtige stoffen, waarvan wij inschatten dat deze niet daadwerkelijk in de beker zitten. Wel kan het duiden op de aanwezigheid van chemicaliën of oliën die een gelijkenis vertonen qua spectrum. De indicatieve analyse heeft dus geen eenduidig antwoord kunnen geven, maar zoals gezegd is dat in deze casus niet nodig. Ons standpunt ten opzichte van water dispersie coatings is dus dat deze volgens de wetgever onder de Regeling vallen. (…)” 2.
  14. Op 26 mei 2023 heeft [eiser] de bestelde bekers aan [gedaagde 1] geleverd. Deze bekers waren niet voorzien van een SUP-markering. 2.
  15. [gedaagde 1] is met ILT in overleg gegaan. Naar aanleiding van dit gesprek heeft ILT besloten om [gedaagde 1] toestemming te geven om de bekers eenmalig op Dauwpop 2023 te mogen gebruiken onder een aantal voorwaarden, waaronder: - het aanpassen van de website en de social media kanalen van Dauwpop, zodat duidelijk is dat de bekers niet plasticvrij zijn, - plaatsen van uitingen op het festivalterrein, - het opzetten van een beker inzamelsysteem, waarbij bezoekers voor elke 20 ingeleverde bekers één drankmuntje krijgen, - het toelaten van controleurs van ILT zodat zij kunnen controleren of alle uitingen op het festivalterrein waren aangepast en of de bekers op een juiste wijze werden ingezameld voor recycling. 2.
  16. Op 2 en 3 juni 2023 heeft het festival Dauwpop 2023 plaatsgevonden. 2.
  17. Bij factuur van 20 juni 2023 heeft [eiser] een bedrag van € 16.940,00 aan [gedaagde 1] in rekening gebracht voor het tweede gedeelte van de koopsom van de bekers. [gedaagde 1] is niet tot betaling van dit factuurbedrag overgegaan. 2.
  18. Bij e-mail van 2 november 2023 heeft [Naam 1] aan [eiser] bericht:“(…) De door [eiser] geleverde bekers zijn non-conform en nakoming van de overeenkomst door [eiser] is blijvend onmogelijk omdat er geen plasticvrije bekers zijn geleverd die zonder SUP logo gebruikt mogen worden en ook niet geleverd kunnen worden. Wij hebben bekers besteld die we op ons festival (en elders) mogen gebruiken. [eiser] heeft bekers geleverd die we niet mochten gebruiken. Zoals ik in mijn vorige e-mail heb uitgelegd, heeft het ILT ons gematst door onder voorwaarden eenmalig toe te staan dat we de bekers op Dauwpop 2023 mochten gebruiken. De bekers die we over hebben mogen en kunnen we niet gebruiken. Ik ontbind de overeenkomst voor het deel van de bekers dat niet bruikbaar is, dat zijn de genoemde ongeveer 180.000 stuks. Verder maak ik aanspraak op aanvullende schadevergoeding voor de door ons gemaakte kosten. (…)” 3Het geschil in conventie 3.
  19. [eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] zal veroordelen tot betaling van € 19.481,00 (€ 16.940,00 + € 2.541,00), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 16.940,00 vanaf 4 juli 2023 en [gedaagden] zal veroordelen in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien betaling niet binnen veertien dagen plaatsvindt. in reconventie 3.
  20. [gedaagde 1] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  21. zal verklaren voor recht dat [eiser] is tekort gekomen in de nakoming van de overeenkomst met [gedaagde 1] en dat die tekortkoming aan [eiser] toerekenbaar is,
  22. zal verklaren voor recht dat [eiser] vanwege die toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst verplicht is de schade die [gedaagde 1] daardoor heeft geleden te vergoeden,
  23. [eiser] zal veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 43.246,35, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover vanaf veertien dagen,
  24. [eiser] zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.207,46, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW indien betaling niet binnen veertien dagen plaatsvindt,alsmede [eiser] zal veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW indien betaling niet binnen veertien dagen plaatsvindt. in conventie en in reconventie 3.
  25. Partijen hebben verweer gevoerd. Zij hebben geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid, dan wel tot afwijzing van de onderscheiden vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de wederpartij in de kosten van deze procedure. 3.
  26. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie en in reconventie 4.
  27. Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie nauw met elkaar samenhangen, bespreekt de kantonrechter deze gezamenlijk. 4.
  28. [eiser] vordert in conventie betaling van het openstaande factuurbedrag van € 16.940,
  29. [gedaagde 1] heeft de verschuldigdheid van dit bedrag betwist. Zij heeft in dit verband aangevoerd dat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en dat de overeenkomst buitengerechtelijk gedeeltelijk is ontbonden, waardoor zij een bedrag van € 14.036,00 niet aan [eiser] hoeft te betalen. [gedaagde 1] heeft zich voor wat betreft de resterende vordering in conventie van € 2.904,00 beroepen op verrekening met een tegenvordering. In reconventie heeft zij in dit kader betaling door [eiser] van een schadevergoeding gevorderd. 4.
  30. Vooropgesteld wordt dat tussen partijen niet in geschil is dat [gedaagde 2] geen contractspartij is van [eiser] . De vordering van [eiser] jegens [gedaagde 2] zal daarom worden afgewezen. 4.
  31. Beoordeeld dient te worden of [gedaagde 1] de overeenkomst tussen haar en [eiser] rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft ontbonden omdat de bekers niet aan de overeenkomst beantwoorden in de zin van artikel 7:17 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zoals door [gedaagde 1] is gesteld en door [eiser] is betwist. 4.
  32. Op grond van artikel 7:17 lid 2 BW beantwoordt een afgeleverde zaak niet aan de koopovereenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag in elk geval verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor normaal gebruik daarvan nodig zijn, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij overeenkomst is voorzien. 4.
  33. [gedaagde 1] heeft gesteld dat de geleverde bekers non-conform zijn omdat – anders dan overeengekomen – de bekers niet plasticvrij waren en daarom niet zonder SUP-markering op de Nederlandse markt mochten worden gebruikt. De bekers waren daarom niet geschikt voor gebruik op Dauwpop of elders in Nederland. [eiser] wist dat [gedaagde 1] de bekers zonder SUP-logo wilde gebruiken op Dauwpop en dat zij de bekers als plasticvrij wilde promoten. [gedaagde 1] mocht dan ook verwachten dat de bekers plasticvrij waren en geschikt waren voor het beoogde gebruik, aldus [gedaagde 1] . 4.
  34. [eiser] heeft betwist dat de bekers non-conform zijn. In het bijzonder betwist zij dat [gedaagde 1] mocht verwachten dat de bekers naar Nederlandse maatstaven plasticvrij waren en zonder SUP-markering mochten worden gebruikt op Dauwpop. Tijdens het overleg medio oktober 2022 (zie hiervoor onder 2.3) heeft [eiser] naar eigen zeggen aan [gedaagde 1] te kennen gegeven dat zij aan het Duitse onderzoeksrapport en het certificaat de verwachting ontleende dat ook voor de Nederlandse markt zou gelden dat de bekers plasticvrij waren, maar heeft zij daarbij duidelijk het voorbehoud gemaakt dat dit nog moest worden uitgezocht. [gedaagde 1] was dus bekend met het risico dat de bekers moesten worden voorzien van een SUP-markering. Het was [Naam 1] die bij e-mail van 22 maart 2023 heeft gevraagd om de bekers te laten bedrukken zonder SUP-markering, terwijl op dat moment nog niet was uitgezocht of dit wel was toegestaan. Hiermee nam [gedaagde 1] , zo stelt [eiser] , een gok en heeft zij willens en wetens het risico aanvaard dat die gok ook negatief kon uitvallen. Uiteindelijk is gebleken dat Nederland de definitie ‘kunststof’ in afwijking van andere Europese landen zo streng vaststelt dat producten die polymeren – ook indien dit een biologisch afbreekbaar type bevat – moeten worden voorzien van een SUP-markering, aldus [eiser] . 4.
  35. De kantonrechter overweegt als volgt. Vast staat dat [gedaagde 1] de bekers heeft gekocht met het doel om de bekers te gebruiken op het festival Dauwpop 2023 en dat dit doel bij [eiser] bekend was. Na het sluiten van de koopovereenkomst is gebleken dat de bekers niet in Nederland en derhalve ook niet op Dauwpop gebruikt mochten worden omdat de bekers niet waren voorzien van een SUP-markering. Uit de brief van 2 mei 2023 (zie hiervoor 2.9.) van het ILT blijkt dat de bekers naar Nederlandse regelgeving niet als plasticvrij worden aangemerkt omdat de bekers een water based barrier coating/dispersie coating bevatten. De vraag die voorligt is of [gedaagde 1] mocht verwachten dat de bekers plasticvrij waren en zonder SUP-markering op de Nederlandse markt mochten worden gebruikt, zoals door haar is gesteld en door [eiser] is betwist. 4.
  36. Niet in geschil is dat [eiser] wist dat [gedaagde 1] op zoek was naar een alternatief voor plastic wegwerkbekers en dat zij Dauwpop 2023 wilde promoten als een plasticvrij festival. Uit de hiervoor uiteengezette feiten blijkt dat [eiser] de bekers de naam ‘Paper2Paper’ heeft gegeven en dat zij de bekers in de offerte van 23 maart 2023 omschrijft als ‘paper cup’. Ook heeft [eiser] in 2022 op haar website de bekers onder de categorie ‘gepersonaliseerde kartonnen bekers’ geplaatst. [eiser] heeft voorts in 2022 op haar website een afbeelding geplaatst van de beker met een doorgestreepte SUP-markering. Niet in geschil is dat [gedaagde 1] naar aanleiding van deze afbeelding [eiser] heeft benaderd voor de levering van de bekers. Verder staat vast dat de door [eiser] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst getoonde bekers niet waren voorzien van een SUP-markering. Uit de e-mail van 7 december 2022 van [eiser] (zie hiervoor onder 2.4) blijkt verder dat [eiser] de vraag van [gedaagde 2] of “de plastic regels” niet van toepassing zijn, bevestigend heeft beantwoord. Daarbij is door haar geen voorbehoud gemaakt. Een dergelijk voorbehoud kan – anders dan [eiser] heeft gesteld – in elk geval niet worden afgeleid uit de enkele verwijzing naar het door haar bijgevoegde certificaat. Uit dat certificaat blijkt immers slechts dat de bekers naar Duitse maatstaven plasticvrij zijn. Ook in reactie op de vraag of de bekers “de Test van de “keuringsdienst van waarden” doorstaan” heeft [eiser] zonder daarbij een voorbehoud te maken, verwezen naar het testrapport van de bekers. 4.
  37. In het licht van de hiervoor onder r.o. 4.
  38. uiteengezette feiten en omstandigheden had het op de weg van [eiser] gelegen haar betwisting van de door [gedaagde 1] gestelde non-conformiteit, nader te onderbouwen. Zij heeft dit echter onvoldoende gedaan. Dat zij in het gesprek van medio oktober 2022 een voorbehoud zou hebben gemaakt, is niet gebleken en verder ook niet van enige onderbouwing voorzien. Indien dat voorbehoud zou zijn gemaakt had het voorts in de rede gelegen dat dit ook in de e-mail van [eiser] van 7 december 2022 naar voren zou zijn gekomen, maar daarvan is, zoals hiervoor overwogen, geen sprake. Het enkel overleggen van de e-mail van 22 maart 2023 van [Naam 1] (zie hiervoor onder 2.5.) is in elk geval onvoldoende om ervan uit te gaan dat [gedaagde 1] wist van enig voorbehoud of risico. Door [Naam 1] wordt in deze e-mail aangegeven dat hij op de beker de tekst “100 % papier | plastic vrij” wil laten drukken maar, zoals hiervoor reeds is gebleken, heeft [eiser] de bekers ook aangeboden als papieren/kartonnen bekers. Anders dan [eiser] heeft betoogd, wordt door [Naam 1] niet gesproken over de SUP-markering, laat staan over het achterwege laten ervan. Ook uit de enkele mededelingen “(dat moeten we nog even checken)” en “Dus we gaan de eventuele confrontatie aan” kan niet zonder meer worden afgeleid dat [gedaagde 1] op de hoogte was van het risico dat de bekers mogelijk naar Nederlandse regelgeving niet als plasticvrij zouden worden aangemerkt en niet zonder SUP-markering zouden mogen worden gebruikt. Dit geldt temeer omdat niet gesteld of gebleken is dat [eiser] heeft gereageerd op deze e-mail van [Naam 1] om hem erop te wijzen dat het nog onduidelijk was of de bekers zonder SUP-markering op de Nederlandse markt gebracht mochten worden. Dit had echter wel van haar verwacht mogen worden, ook omdat de verantwoordelijkheid voor het aanbrengen van een SUP-markering bij [eiser] als verkopende partij ligt. [eiser] heeft geen andere stukken aan haar betwisting ten grondslag gelegd. Daarmee heeft zij de aan de betwisting ten grondslag gelegde stellingen onvoldoende onderbouwd, zodat niet aan bewijslevering wordt toegekomen. Uitgangspunt is dan ook dat [gedaagde 1] mocht verwachten dat de bekers plasticvrij waren en daarom zonder SUP-markering op de Nederlandse markt mochten worden gebruikt. De bekers voldoen niet aan die verwachting omdat de bekers naar Nederlandse regelgeving niet als plasticvrij zijn aangemerkt en daarom moesten worden voorzien van een SUP-markering. [gedaagde 1] kon de bekers derhalve niet (zonder beperkingen en voor het beoogde en bij [eiser] bekende doel) gebruiken op Dauwpop
  39. 4.
  40. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de bekers niet de eigenschappen bezitten die [gedaagde 1] van de bekers mocht verwachten. Dit betekent dat de bekers non-conform zijn. 4.
  41. Omdat [eiser] non-conforme bekers aan [gedaagde 1] heeft verkocht, is zij tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Niet in geschil is dat deze tekortkoming aan [eiser] kan worden toegerekend. De door [gedaagde 1] in reconventie gevorderde verklaringen voor recht zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals hierna in de beslissing is vermeld. 4.
  42. [gedaagde 1] heeft ondanks de non-conformiteit van de bekers alsnog een deel van de bekers kunnen gebruiken op Dauwpop 2023 omdat zij na overleg met ILT toestemming heeft gekregen om onder een aantal (strenge) voorwaarden en aanpassingen op het festival de bekers eenmalig te gebruiken. Als onvoldoende gemotiveerd weersproken staat vast dat [gedaagde 1] circa 180.000 bekers heeft overgehouden na Dauwpop 2023 en dat zij die bekers niet meer op volgende edites van Dauwpop (of elders) heeft kunnen gebruiken omdat ILT daarvoor geen toestemming verleende. [gedaagde 1] mocht dan ook grond van de artikelen 6:265 BW en 6:270 BW overgaan tot buitengerechtelijke gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst, namelijk voor zover het de overgebleven 180.000 bekers betreft. Dit heeft zij bij brief van 2 november 2023 gedaan. 4.
  43. Gedeeltelijke ontbinding houdt op grond van artikel 6:270 BW een evenredige vermindering in van de wederzijdse prestaties in hoeveelheid of hoedanigheid. Als onweersproken staat vast dat de overgebleven bekers een waarde vertegenwoordigen van € 14.036,00 (incl. btw). Als gevolg van de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst wordt de betalingsverplichting van [gedaagde 1] verminderd tot dit bedrag. In conventie resteert daarom een hoofdsom van € 2.904,00 (€ 16.940,00 -/- € 14.036,00). 4.
  44. [gedaagde 1] heeft de verschuldigdheid van het resterende bedrag van € 2.904,00 op zichzelf niet betwist maar zij heeft zich beroepen op verrekening met de vordering in reconventie. Zij heeft in dit verband gesteld dat zij vanwege de tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door [eiser] schade heeft geleden tot een bedrag van € 33.287,
  45. 4.
  46. [eiser] heeft zich bij wijze van verweer in de eerste plaats beroepen op een exoneratiebeding dat in haar algemene voorwaarden is opgenomen. Partijen verschillen van mening over de vraag of deze algemene voorwaarden op de rechtsverhouding van partijen van toepassing zijn. Deze vraag kan evenwel in het midden blijven omdat de vordering in reconventie niet toewijsbaar is omdat – zoals hierna uit de beoordeling zal blijken – niet is komen vast te staan dat [gedaagde 1] schade heeft geleden als gevolg van de tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. 4.
  47. [gedaagde 1] vordert betaling van de volgende schadeposten:
  48. de kosten van een marketingbureau ad € 4.719,00,
  49. de eigen bestede uren ad € 11.936,65,
  50. de kosten voor het opzetten en bemannen van een beker inzamelsysteem ad € 16.632,
  51. Deze schadeposten komen hierna afzonderlijk aan de orde.
  52. kosten marketingbureau 4.
  53. [gedaagde 1] heeft gesteld dat marketingbureau [Naam 5] een bedrag van € 4.719,00 (incl. btw) in rekening heeft gebracht voor onder meer de wijzigingen/aanpassingen op de website, de social media kanalen en de noodzakelijke communicatie naar buiten toe. Deze kosten komen volgens [gedaagde 1] voor rekening van [eiser] . 4.
  54. [eiser] heeft betwist dat [Naam 5] daadwerkelijk de door [gedaagde 1] gestelde werkzaamheden heeft verricht en dat zij daarvoor kosten aan [gedaagde 1] in rekening heeft gebracht, alsmede dat [gedaagde 1] die kosten heeft betaald. 4.
  55. De stelplicht en bewijslast van de stelling van [gedaagde 1] dat zij € 4.719,00 aan [Naam 5] heeft betaald voor de hiervoor gestelde werkzaamheden en dat [Naam 5] die werkzaamheden heeft uitgevoerd, rusten op [gedaagde 1] omdat zij zich op de rechtsgevolgen van die stelling beroept. Zij heeft daartoe een opdrachtbevestiging van [Naam 5] (productie 10 van de zijde van [gedaagde 1] ) en een factuur van 25 mei 2023 van [gedaagde 2] (productie 15 van de zijde van [gedaagde 1] ) overgelegd. Uit een enkele opdrachtbevestiging kan echter niet worden afgeleid dat [Naam 5] de betreffende werkzaamheden ook daadwerkelijk heeft verricht. Uit de factuur van [gedaagde 2] blijkt voorts niet dat [Naam 5] de door haar begrote kosten aan [gedaagde 2] heeft gefactureerd en dat die kosten uiteindelijk ook door [gedaagde 1] zijn betaald. [gedaagde 1] heeft haar stelling niet met andere stukken onderbouwd. Hiermee heeft zij niet aan haar stelplicht voldaan. Dat [eiser] voor een bedrag van € 4.719,00 aan schade heeft geleden, is derhalve niet komen vast te staan. Dit onderdeel van de vordering is daarom niet toewijsbaar.
  56. eigen bestede uren 4.
  57. [gedaagde 1] heeft gesteld dat zij aan de kwestie met de bekers eigen uren heeft besteed. Ter onderbouwing daarvan heeft zij verwezen naar de e-mail van [Naam 1] van 15 juli 2024 (productie 11 van de zijde van [gedaagde 1] ) waarin hij stelt dat hij in totaal 66 uur heeft besteed aan het beperken van verdere schade tegen een uurtarief van € 125,00 en dat de ‘Site crew’ 19 uur heeft besteed aan het uitvoeren van instructies tegen een uurtarief van € 85,
  58. 4.
  59. [gedaagde 1] wordt niet gevolgd in de stelling dat sprake is van ‘eigen bestede uren’ aan de kwestie met bekers. De door [Naam 1] uiteengezette uren zien namelijk op uren die zijn gewerkt door de directeur van [gedaagde 2] en de medewerkers van [gedaagde 2] . Door [gedaagde 1] is niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat [gedaagde 2] voormelde uren aan [gedaagde 1] heeft gedeclareerd en dat [gedaagde 1] daarvoor een bedrag aan [gedaagde 2] heeft betaald. Van schade aan de zijde van [gedaagde 1] is derhalve niet gebleken. Dit onderdeel van de vordering in reconventie is daarom niet toewijsbaar.
  60. kosten beker inzamelsysteem 4.
  61. [gedaagde 1] heeft gesteld dat zij door het ILT verplicht was om een inzamelsysteem op te tuigen en dat de kosten voor het opzetten en bemannen daarvan € 16.632,20 bedragen. Ook hier geldt dat [gedaagde 1] , na de betwisting van voormelde stelling door [eiser] , niet met stukken heeft onderbouwd dat zij voormelde kosten ook daadwerkelijk heeft betaald. Van schade is daarom niet gebleken, zodat ook dit onderdeel van de vordering in reconventie niet toewijsbaar is. 4.
  62. De conclusie is dat de in reconventie gevorderde schadevergoeding en vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen. Dit brengt eveneens met zich dat het door [gedaagde 1] gedane beroep op verrekening niet slaagt. De in conventie gevorderde hoofdsom zal daarom worden toegewezen tot het hiervoor vastgestelde bedrag van € 2.904,
  63. De niet betwiste wettelijke handelsrente daarover zal op grond van artikel 6:119a BW worden toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld. 4.
  64. [eiser] maakt in conventie aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Deze vergoeding zal echter worden afgewezen omdat niet gesteld of gebleken is dat [eiser] buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht dan wel heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. 4.
  65. Partijen zijn zowel in conventie als in reconventie over en weer in het ongelijk gesteld. De proceskosten tussen partijen zullen daarom worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5De beslissing De kantonrechter in conventie 5.
  66. wijst de vordering jegens [gedaagde 2] af, 5.
  67. veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.904,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW met ingang van 4 juli 2023 tot de dag van volledige betaling, 5.
  68. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.
  69. wijst het meer of andere af, in reconventie 5.
  70. verklaart voor recht dat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst met [gedaagde 1] en dat die tekortkoming aan [eiser] kan worden toegerekend, alsmede dat [eiser] gehouden is de schade die [gedaagde 1] daardoor heeft geleden te vergoeden, 5.
  71. wijst het meer of anders gevorderde af, in conventie en in reconventie 5.
  72. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. L.J.P. Lambooij en in het openbaar uitgesproken op 24 december
  73. lt Op grond van de Richtlijn (EU) 2019/904, de Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2151 en het Besluit kunststofproducten voor eenmalig gebruik moeten sinds 3 juli 2021 kunststof drinkbekers voor eenmalig gebruik voorzien zijn van een door de Europese Commissie vastgestelde SUP-markering. De markering is bedoeld om consumenten te informeren over onder meer de aanwezigheid van plastic in het product.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.