RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/429832 / HA ZA 23-561 / 115 / 1854 Vonnis van 30 oktober 2024 in de zaak van [eiser in conv] , wonende te [woonplaats] , eiser in conventie, verweerder in voorwaardelijke reconventie, hierna te noemen: [eiser in conv] , advocaat: mr. J.A. Bloo, tegen [gedaagde in conv] , wonende te [woonplaats] , gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie, hierna te noemen: [gedaagde in conv] , advocaat: mr. T.J.G. Heideveld. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 10 april 2024; - de mondelinge behandeling van 20 september 2024, waarvan (verkort) proces-verbaal is opgemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De zaak in het kort 2.1. [eiser in conv] stelt dat hij drie keer een geldlening aan [gedaagde in conv] heeft verstrekt en dat [gedaagde in conv] de uitgeleende bedragen, vermeerderd met een overeengekomen samengestelde rente, zou terugbetalen. Volgens [eiser in conv] dient [gedaagde in conv] op basis daarvan nog een totaalbedrag van € 255.077,00 terug te betalen. [gedaagde in conv] betwist het bestaan van twee van de drie gestelde geldleningen en de overeengekomen samengestelde rente. Ten aanzien van de geldlening die hij wel erkent, betoogt [gedaagde in conv] dat hij deze al volledig heeft terugbetaald. 2.2. De rechtbank zal [eiser in conv] wat betreft het bestaan van de geldleningen in het gelijk stellen, maar wat betreft de overeengekomen samengestelde rente in het ongelijk stellen. Omdat partijen over en weer in het ongelijk worden gesteld, zijn de door partijen overgelegde berekeningen van het verloop van de vorderingen van [eiser in conv] voor de rechtbank niet bruikbaar. Daarom zal de rechtbank partijen achtereenvolgens een akte laten nemen waarbij partijen opnieuw dienen te berekenen of, en zo ja, welk bedrag, [gedaagde in conv] nog uit hoofde van de drie geldleningen verschuldigd is aan [eiser in conv] . 3De feiten 3.1. [gedaagde in conv] heeft in het verleden, al dan niet in samenwerking met [naam 1] (hierna: [naam 1] ), geïnvesteerd in grond in Polen. 3.2. [gedaagde in conv] heeft op een openbare veiling vastgoed gekocht in [plaats 1] , gelegen in de Poolse gemeente [plaats 3] . Dit vastgoed betrof een stuk grond met daarop een ruïne van een kasteel. [gedaagde in conv] heeft over deze koop contact gehad met [eiser in conv] . 3.3. In 2007 hebben [gedaagde in conv] en [naam 1] grond aangekocht in [plaats 4] te Polen. Deze grond hebben zij gekocht van [naam 2] en [naam 3] (hierna: [naam 2] en [naam 3] ). [gedaagde in conv] en [naam 1] wilden op deze grond bungalows realiseren en daarna de grond verkopen. 3.4. Voor de aanschaf van deze grond in [plaats 4] heeft [eiser in conv] in 2007 een bedrag van € 150.000,00 aan [gedaagde in conv] en [naam 1] uitgeleend tegen een rente van 12% per jaar. Bij notariële akte van 6 maart 2007 heeft [gedaagde in conv] een recht van hypotheek op zijn woning te [plaats 2] verstrekt aan [eiser in conv] . Dit recht dient als zekerheid voor de terugbetaling van het geleende bedrag ad € 150.000,00 en de bedongen renten en overige kosten, tot een maximum van € 240.000,00. Het rentepercentage over deze geldlening is door partijen in maart 2010 verlaagd naar 6%. 3.5. [gedaagde in conv] en [naam 1] hebben samengewerkt vanuit [bedrijf 1] . [gedaagde in conv] en [naam 1] hebben namens [bedrijf 1] financiële rapportages aan [eiser in conv] gestuurd. [naam 1] stelde deze rapportages periodiek op in de periode 2010 tot maart 2021. 3.6. Op 9 maart 2010 is van een rekening op naam van [eiser in conv] op een rekening van [gedaagde in conv] een bedrag overgeschreven van € 52.000,00 met als omschrijving “overeenkomst”. 3.7. Op 10 maart 2010 is van een rekening op naam van [gedaagde in conv] een bedrag van € 46.794,15 en een bedrag van € 5.374,00 overgemaakt naar een rekening op naam van [naam 2] met als omschrijving “Ugoda 05-03-2010 [bedrijf 1] [plaats 4] ”. 3.8. Bij brieven van 2 februari en 17 juli 2023 heeft [eiser in conv] [gedaagde in conv] gesommeerd tot betaling van een openstaand bedrag van € 255.077,00 respectievelijk € 124.022,00. 3.9. Op 18 augustus 2023 heeft [eiser in conv] een exploot laten betekenen aan [gedaagde in conv] waarin de veiling van diens woning wordt aangezegd. Na verzet door [gedaagde in conv] bij brief van 3 oktober 2023 is de executie aangehouden. 4Het geschil In conventie 4.1. [eiser in conv] vordert samengevat : een verklaring voor recht dat hij gerechtigd is om de executie van zijn hypotheekrecht voort te zetten; een veroordeling van [gedaagde in conv] tot betaling van € 131.055,00 te vermeerderen met de contractuele rente van 6% vanaf 1 februari 2023; een veroordeling van [gedaagde in conv] tot betaling van € 124.022,00 te vermeerderen met de contractuele rente van 6% vanaf 1 februari 2023; een veroordeling van [gedaagde in conv] tot betaling van € 2.052,84 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding; een veroordeling van [gedaagde in conv] in de proceskosten inclusief nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis. 4.2. [gedaagde in conv] voert verweer. [gedaagde in conv] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser in conv] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser in conv] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser in conv] in de kosten van deze procedure. In voorwaardelijke reconventie 4.3. In voorwaardelijke reconventie vordert [gedaagde in conv] primair veroordeling van [eiser in conv] tot doorhaling van de hypotheekinschrijving op straffe van een dwangsom. Op basis van eigen berekeningen stelt [gedaagde in conv] dat de vordering waarvoor het hypotheekrecht is gevestigd, al geheel door hem is voldaan. Subsidiair vordert [gedaagde in conv] een verklaring voor recht dat [eiser in conv] niet langer een gerechtvaardigd belang heeft bij het behoud van het hypotheekrecht en [gedaagde in conv] te machtigen door middel van inschrijving van dit vonnis door een notaris het recht van hypotheek te laten doorhalen. Tot slot vordert [gedaagde in conv] een proceskostenveroordeling. 4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5De beoordeling 5.1. Vanwege de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in voorwaardelijke reconventie zal de rechtbank deze gezamenlijk behandelen. De gestelde eerste geldlening uit 2000 Kwalificatie van de overeenkomst 5.2. De rechtbank zal allereerst beoordelen of [eiser in conv] met [gedaagde in conv] een lening is overeengekomen, zoals bepleit door [eiser in conv] en betwist door [gedaagde in conv] . 5.3. Bij die beoordeling stelt de rechtbank voorop dat partijen ten aanzien van deze door [eiser in conv] gestelde lening niets op papier hebben gezet. Bij de duiding van wat partijen nu precies hebben afgesproken komt het dus aan op de (overige) feiten en omstandigheden, zoals wat partijen tegenover elkaar hebben verklaard en de betekenis die zij daaraan redelijkerwijs mochten toekennen. 5.4. [eiser in conv] heeft voldoende onderbouwd gesteld dat hij op 9 november 2000 148.200,00 Poolse złoty heeft overgemaakt naar een bankrekening van de Poolse gemeente [plaats 3] . Dit blijkt voldoende uit de door [eiser in conv] overgelegde betalingsopdracht. Tussen partijen staat vast dat [eiser in conv] met deze betaling niet op eigen naam grond in Polen heeft gekregen. Dat [eiser in conv] op een andere manier in ruil voor deze betaling een voordeel kreeg, zoals bijvoorbeeld een winstparticipatie, is niet gebleken. [gedaagde in conv] heeft daarentegen wel op eigen naam grond in Polen verkregen, door partijen geduid als ‘ [plaats 1] ’. Deze grond is gelegen in de voornoemde Poolse gemeente [plaats 3] . 5.5. De rechtbank ziet in de overgelegde stukken bevestigd dat partijen hebben afgesproken dat de betaling op 9 november 2000 een lening van [eiser in conv] aan [gedaagde in conv] betrof. 5.6. Dit blijkt allereerst uit een handgeschreven notitie die [eiser in conv] heeft overgelegd. In die notitie staat onder meer: “Andere optie is geleend bedrag ? (= 148.000 PLN”) en “het Poolse huis waarvoor ik eind november betalingen moet doen”. [gedaagde in conv] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat deze tekst in zijn handschrift is geschreven. Gezien de verwijzingen in deze notitie naar de maand november, het precieze bedrag in Poolse złoty en een huis in Polen, passeert de rechtbank het standpunt van [gedaagde in conv] dat deze tekst betrekking had op een andere lening van hem in privé voor een ander huis van zijn vrouw (in Polen). 5.7. Dat deze betaling een lening betrof, vindt bovendien steun in de financiële rapportages van [bedrijf 1]. Deze rapportages zijn in de periode 2010 tot en met 2021 periodiek door [naam 1] opgesteld en vermelden welke bedragen [gedaagde in conv] en later ook [naam 1] van [eiser in conv] hebben geleend, welke rente zij waren verschuldigd en welke bedragen zij hebben afgelost. In die rapportages is onder de aanduiding ‘ [plaats 1] ’ een lening van [eiser in conv] vermeld. Op die lening is bovendien door [gedaagde in conv] afgelost. Dit blijkt niet alleen uit de rapportages van [bedrijf 1] , maar ook uit bankafschriften die [eiser in conv] heeft overgelegd en waaruit blijkt dat [eiser in conv] in de periode 2014 tot en met 2021 bedragen ontving met de omschrijving “deelbetaling [plaats 1] ”. Vanaf 2018 zijn deze betalingen ontvangen vanaf een rekeningnummer op naam van [gedaagde in conv] . 5.8. [gedaagde in conv] heeft op de mondelinge behandeling het standpunt ingenomen dat met die omschrijving werd bedoeld dat werd afgelost namens [bedrijf 1] op de geldlening uit 2007 voor de aanschaf van het Poolse vastgoed ‘ [plaats 4] ’ (waarover hierna meer onder 5.19 tot en met 5.24). De aanduiding ‘ [plaats 1] ’ is volgens [gedaagde in conv] een verwijzing naar de letter P in de afkorting [bedrijf 1] . De rechtbank verwerpt dit standpunt. Deze betalingen zijn jarenlang op de periodieke rapportages van [bedrijf 1] verwerkt als een gedeeltelijke aflossing op de lening [plaats 1] en een gedeeltelijke aflossing op de geldlening uit 2007. Tegen die wijze van toerekening heeft [gedaagde in conv] jarenlang niet geprotesteerd, terwijl [gedaagde in conv] ook naar eigen zeggen op de mondelinge behandeling deze rapportages maandelijks ontving en jaarlijks met [eiser in conv] en [naam 1] besprak. [eiser in conv] mocht er onder deze omstandigheden op vertrouwen dat [gedaagde in conv] bedoelde om af te lossen op de lening ‘ [plaats 1] ’. Omrekening van de hoofdsom naar euro’s 5.9. Partijen zijn het erover eens dat als de rechtbank tot het oordeel komt dat [gedaagde in conv] op basis van deze geldlening nog een bedrag aan [eiser in conv] dient terug te betalen, dit in euro’s aan [eiser in conv] dient te worden voldaan. Partijen verschillen echter van mening op welk moment het bedrag van 148.200,00 Poolse złoty naar euro’s dient te worden omgerekend. 5.10. [eiser in conv] stelt dat hij destijds, naar de rechtbank begrijpt bij of omstreeks de betaling, met [gedaagde in conv] heeft afgesproken dat het bedrag van 148.200,00 Poolse złoty werd omgerekend naar een bedrag van € 40.160,00 en dat [gedaagde in conv] dit laatste bedrag aan hem zou terugbetalen. Ter onderbouwing verwijst [eiser in conv] naar de notitie waar [eiser in conv] in zijn handschrift heeft bijgeschreven “€ 40.160 = 6% nu = € 149796” en de periodieke rapportages van [bedrijf 1] . [gedaagde in conv] betwist deze afspraak. [gedaagde in conv] betoogt dat het bedrag van 148.200,00 Poolse złoty naar de huidige wisselkoers dient te worden omgerekend. Daarom meent [gedaagde in conv] dat hij niet € 40.160,00, maar hooguit € 34.086,00 dient terug te betalen. 5.11. De rechtbank overweegt als volgt. In de door [naam 1] vanaf 2010 opgestelde rapportages van [bedrijf 1] is de geldlening ‘ [plaats 1] ’ in euro’s weergegeven. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat partijen in 2010 al uitgingen van een geleend bedrag in euro’s. Hiermee strookt niet het standpunt van [gedaagde in conv] dat het bedrag van 148.200,00 Poolse złoty nog in euro’s dient te worden omgerekend, volgens de huidige wisselkoers. Zou het standpunt van [gedaagde in conv] juist zijn, dan was in de rapportages nog steeds uitgegaan van een bedrag in Poolse złoty. [eiser in conv] stelt dat € 40.160,00 het specifieke bedrag is dat partijen destijds in euro’s hebben afgesproken. Dit heeft [gedaagde in conv] niet voldoende gemotiveerd weersproken, bijvoorbeeld door informatie te geven over de wisselkoers van destijds. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat partijen afgesproken hebben dat [gedaagde in conv] in hoofdsom een bedrag van € 40.160,00 aan [eiser in conv] zou terugbetalen. Overeengekomen rente 5.12. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of, en zo ja welke rente partijen over deze lening zijn overeengekomen. [eiser in conv] stelt dat hij met [gedaagde in conv] is overeengekomen dat hij jaarlijks 6% per jaar zou betalen en dat deze rente samengesteld zou worden berekend. Samengestelde rente houdt in dat de verschuldigde rente jaarlijks wordt opgeteld bij de restanthoofdsom en dat daarover nieuwe rente wordt berekend. [gedaagde in conv] betwist dat deze rente is overeengekomen. [gedaagde in conv] wijst op het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst en voert op basis van artikel 7:129c BW aan dat de rente niet geldig is afgesproken. 5.13. De rechtbank is het eens met [gedaagde in conv] . [eiser in conv] en [gedaagde in conv] dienden de overeengekomen rente schriftelijk vast te leggen. In 2000 gold namelijk artikel 7A:1804 oud-BW, de voorloper van artikel 7:129c BW. Artikel 7A:1804 oud-BW bepaalde dat de hoegrootheid van de bij overeenkomst bedongen rente in schrift moet worden bepaald. 5.14. Dat partijen de hoogte van de bij overeenkomst bedongen rente schriftelijk hebben bepaald, heeft [eiser in conv] onvoldoende onderbouwd. Een schriftelijke overeenkomst van geldlening ontbreekt en [eiser in conv] heeft geen andere stukken uit die tijd, zoals brieven of e-mails, overgelegd waaruit deze afspraak blijkt. Dit kan ook niet worden afgeleid uit de periodieke rapportages die [naam 1] sinds 2010 heeft opgesteld. Uit die rapportages blijkt niet dat [eiser in conv] en [gedaagde in conv] in 2000 de hoogte van de bij de overeenkomst bedongen rente schriftelijk hebben bepaald. 5.15. Doordat partijen de hoogte van de rente niet schriftelijk hebben vastgelegd, is artikel 7A:1805 oud-BW van toepassing. Artikel 7A:1805 oud-BW bepaalde dat als de uitlener rente heeft bedongen zonder dat de hoogte van de rente is bepaald, de geldlener gehouden is om over de lening wettelijke rente te betalen. Daarom is [gedaagde in conv] wel wettelijke rente verschuldigd. Verjaring en stuiting 5.16. [gedaagde in conv] voert het verweer dat de vordering van [eiser in conv] uit deze eerste overeenkomst van geldlening is verjaard. De betaling door [eiser in conv] is verricht op 9 november 2000. De eerste brief waarin [eiser in conv] [gedaagde in conv] sommeert tot betaling is volgens [gedaagde in conv] van 2 februari 2023. [gedaagde in conv] trekt daaruit de conclusie dat er meer dan twintig jaar is verstreken tussen het ontstaan van de vordering en de aanspraak van [eiser in conv] op terugbetaling, zodat de vordering is verjaard. [eiser in conv] betwist dat de vordering is verjaard en stelt dat de verjaring gestuit is door periodieke erkenning van [gedaagde in conv] vanaf 2010. 5.17. De rechtbank begrijpt de stellingen van [gedaagde in conv] zo, dat hij een beroep doet op de twintigjarige verjaringstermijn van artikel 3:307 lid 2 BW. Ook indien juist is dat deze verjaringstermijn van toepassing is en de verjaringstermijn kort na 9 november 2000 is aangevangen, is de rechtbank van oordeel dat de verjaring op tijd is gestuit. [eiser in conv] heeft namelijk voldoende onderbouwd dat [gedaagde in conv] zijn schuld aan [eiser in conv] uit deze geldlening periodiek heeft erkend in de zin van artikel 3:318 BW. Zoals de rechtbank ook hiervoor onder 5.8 heeft overwogen, heeft [gedaagde in conv] vanaf 2010 tot en met 2021 maandelijks rapportages van [naam 1] ontvangen waarop de geldlening ‘ [plaats 1] ’ en aflossingen daarop stonden vermeld. Deze rapportages zijn jaarlijks door [gedaagde in conv] , [eiser in conv] en [naam 1] besproken in de woning van [eiser in conv] . Dit heeft [gedaagde in conv] bevestigd op de mondelinge behandeling. Het was daarom eenvoudig voor [gedaagde in conv] om de inhoud van de rapportages te controleren en zo nodig te corrigeren. Die controle en zo nodig correctie mocht redelijkerwijs van [gedaagde in conv] worden gevergd, ook als hij met [naam 1] had afgesproken dat [naam 1] voor het opstellen van de rapportages verantwoordelijk was. Desalniettemin heeft [gedaagde in conv] jarenlang niet geprotesteerd tegen de inhoud van de rapportages. Aan de maandelijkse rapportages die jaarlijks besproken werden en waartegen [gedaagde in conv] jarenlang niet protesteerde, mocht [eiser in conv] mocht het vertrouwen ontlenen dat [gedaagde in conv] zich bewust was van de vordering van [eiser in conv] uit de geldlening ‘ [plaats 1] ’ en die vordering niet ter discussie stelde. Dit vertrouwen bracht mee dat [eiser in conv] niet is overgegaan is een stuitingshandeling ten opzichte van [gedaagde in conv] , zodat dit vertrouwen door artikel 3:318 BW wordt beschermd. De verjaring is dan ook op tijd gestuit. Conclusie 5.18. De conclusie van het voorgaande is dat [gedaagde in conv] aan [eiser in conv] een bedrag van € 40.160,00 dient terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 november 2000 tot en met de dag van algehele betaling en te verminderen met reeds gedane aflossingen. De gestelde tweede geldlening uit 2007 Afspraken in notariële akte 5.19. Tussen partijen staat vast dat [eiser in conv] in 2007 een tweede geldlening heeft verstrekt. De geldlening is door [eiser in conv] verstrekt aan hoofdelijk medeschuldenaren [gedaagde in conv] en [naam 1] voor een bedrag van € 150.000,00. Het doel van deze lening was het aanschaffen van andere grond in Polen door [gedaagde in conv] en [naam 1] . Deze grond is door partijen geduid als ‘ [plaats 4] ’. De geldlening is vastgelegd in de notariële akte van 6 maart 2007: “GELDLENING De schuldenaar erkent (hoofdelijk) schuldig aan de schuldeiser, die deze schuldbekentenis aanneemt, een bedrag groot eenhonderdvijftigduizend euro (€ 150.000,00), hierna te noemen “de hoofdsom”. Voor deze geldlening gelden de navolgende bepalingen en bedingen: 1. Looptijd De geldlening is – tenzij deze wordt verlengd – verstrekt voor een tijdsduur, die eindigt op vijf maart tweeduizend twaalf. 2. Rente Vanaf heden is over de hoofdsom respectievelijk het restant daarvan een rente verschuldigd berekend naar twaalf procent (12 %) per jaar, te voldoen in maandelijkse termijnen bij achterafbetaling, voor het eerst op een april tweeduizend zeven, over het sedert heden verstreken tijdvak. 3. Aflossing Aflossing van de hoofdsom dient te geschieden in één bedrag bij het einde van de looptijd. De Schuldenaar is bevoegd de geldlening geheel of gedeeltelijk vervroegd af te lossen. Gedeeltelijk vervroegde aflossing is toegestaan op een vervaldag, mits deze aflossing ten minste dertig dagen tevoren schriftelijk is gemeld en ten minste éénduizend euro (€ 1.000,--) bedraagt. (…) De notariële akte levert dwingend bewijs op van de daarin vastgelegde afspraken (artikel 157 lid 2 Rv). [gedaagde in conv] heeft deze afspraken ook erkend. In de notariële akte is de vordering van [eiser in conv] op [gedaagde in conv] en [naam 1] voldoende omschreven en voldoende bepaalbaar. De vergelijking die [gedaagde in conv] maakt met het arrest van de Hoge Raad uit 1992 gaat niet op. In dit arrest gaat het namelijk om de uitleg van een zogeheten ‘bankhypotheek’. Kenmerkend voor een bankhypotheek is dat de notariële akte niet vermeld voor welke precieze vordering(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.