RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/427663 / HA ZA 23-484 Vonnis van 11 december 2024 in de zaak van
(2019), die volgens De Arbodienst zou voorschrijven dat de overeengekomen werkwijze niet is toegestaan. Ook hier heeft De Arbodienst niet toegelicht waar de leidraad dit voorschrijft. Evenmin heeft De Arbodienst de status van deze leidraad toegelicht. Gelet hierop heeft De Arbodienst onvoldoende onderbouwd dat ‘geldende regelgeving’ haar heeft belet om de overeengekomen werkwijze uit te voeren. Verder is van belang dat BWB c.s. onweersproken hebben gesteld dat de overeengekomen werkwijze in de praktijk vaak voorkomt. Tot slot weegt de rechtbank mee dat de regelgeving en de leidraad waarop De Arbodienst zich nu beroept al bestonden, en bij De Arbodienst bekend moeten worden verondersteld, toen zij in 2021 de overeenkomst aanging. Gelet op deze omstandigheden ziet de rechtbank onvoldoende grond voor het oordeel dat de tekortkoming vanwege ‘geldende regelgeving’ niet aan De Arbodienst kan worden toegerekend. 5.13.3. Volgens De Arbodienst kan de tekortkoming ook niet aan haar worden toegerekend, vanwege een tekort aan bedrijfsartsen. Nog daargelaten dat De Arbodienst dit tekort niet concreet en inzichtelijk heeft gemaakt, valt zonder nadere toelichting – die ontbreekt – niet in te zien waarom dit een omstandigheid is die voor rekening en risico van BWB c.s. moet komen. Bovendien is in artikel 9 van de overeenkomst (zoals geciteerd onder 3.4.) bepaald dat een gebrek aan personeel geen overmacht kan opleveren. 5.13.4. Tot slot heeft De Arbodienst betoogd dat de tekortkoming niet aan haar kan worden toegerekend, omdat BWB c.s. een te hoog verzuim kenden en hierop te weinig regie voerden. Als gevolg van die omstandigheden, kwam BWB c.s. niet in aanmerking voor een werkwijze met direct contact met de medische lijn, aldus De Arbodienst. Tijdens de mondelinge behandeling heeft De Arbodienst echter toegelicht dat dit niet gaat om een tussen partijen overeengekomen voorwaarde, maar slechts om eigen intern beleid van De Arbodienst. Gelet hierop ziet de rechtbank niet in waarom dit aan toerekening van de tekortkoming in de weg staat. 5.13.5. De rechtbank is daarmee van oordeel dat de tekortkoming te wijten is aan schuld van De Arbodienst, althans dat de tekortkoming op grond van de overeenkomst dan wel verkeersopvattingen voor haar risico moet blijven, omdat zij die tekortkoming had behoren te vermijden. 5.14. Het voorgaande betekent dat De Arbodienst verplicht is tot vergoeding van de schade die BWB c.s. lijden als gevolg van de niet-nakoming en ontbinding van de overeenkomst. De omvang van de schade 5.15. Voor de vaststelling van de aard en omvang van deze schade is in de eerste plaats van belang dat wordt vastgesteld wanneer de overeenkomst aanvankelijk zou eindigen en wanneer deze daadwerkelijk is geëindigd. Volgens BWB c.s. is de overeenkomst weliswaar per 1 januari 2023 ontbonden, maar moet voor de aard en omvang van de schade de periode tot 1 oktober 2026 in aanmerking worden genomen (omdat de overeenkomst op 1 oktober 2021 is ingegaan en een looptijd van 5 jaar zou hebben). Volgens De Arbodienst is de overeenkomst op 8 juni 2023 geëindigd, omdat zij deze op 8 september 2022 heeft opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van negen maanden. 5.16. De rechtbank is van oordeel dat van een rechtsgeldige opzegging van de overeenkomst door De Arbodienst geen sprake is, eenvoudigweg omdat de overeenkomst tot 1 oktober 2024 aan De Arbodienst geen opzegmogelijkheid bood. De Arbodienst heeft nog gewezen op de onder 3.7. geciteerde nota van inlichtingen, waarin staat dat in de overeenkomst een opzeggingsmogelijkheid voor de opdrachtnemer kan worden opgenomen. Feit is echter dat dit niet is gebeurd, buiten de onder 3.4. weergegeven opzegmogelijkheid na 36 maanden. Bovendien zou dit hooguit gaan om een opzegmogelijkheid bij overmacht, terwijl daar in dit geval geen sprake van is. 5.17. De Arbodienst heeft verder betoogd – zo begrijpt de rechtbank – dat de overeenkomst met wederzijdse instemming is beëindigd, doordat partijen hierover overeenstemming hebben bereikt. De Arbodienst wijst er in dit kader op dat partijen in het najaar van 2022 met elkaar hebben geconcludeerd dat de samenwerking niet verder kon gaan. Naar het oordeel van de rechtbank is dit echter onvoldoende grond om een wederzijdse beëindiging van de overeenkomst op aan te kunnen nemen. Dat BWB c.s. niet verder wilden met een partij die weigerde zich te conformeren aan een overeengekomen werkwijze, betekent niet dat BWB c.s. de overeenkomst wensten te beëindigen. Haar ingebrekestelling van 30 november 2022 wijst juist op het tegendeel, aangezien zij hierin De Arbodienst juist nog een maand de tijd bieden om alsnog de overeenkomst na te komen. Bovendien valt een beëindiging met wederzijdse instemming moeilijk te rijmen met de omstandigheid dat De Arbodienst op 14 september 2022 per e-mail geprobeerd heeft om de overeenkomst eenzijdig op te zeggen. BWB c.s. betwisten de gestelde beëindiging met wederzijdse instemming en in het licht van het voorgaande heeft De Arbodienst het bestaan hiervan onvoldoende onderbouwd. 5.18. Omdat de overeenkomst een looptijd kende van 36 maanden en daarna eenzijdig door BWB c.s. tweemaal met steeds maximaal 12 maanden kon worden verlengd, lag het in de macht van BWB c.s. om de overeenkomst vijf jaar (tot maximaal 1 oktober 2026) te laten voortduren. Bij het berekenen van de schade die BWB c.s. lijden als gevolg van de tekortkoming en de ontbinding, moet daarom tot uitgangspunt worden genomen dat BWB c.s. de overeenkomst hadden kunnen laten voortduren tot 1 oktober 2026. De schade van BWB c.s. heeft daarmee betrekking op de periode vanaf 1 januari 2023 (datum ontbinding) tot 1 oktober 2026. 5.19. BWB c.s. vorderen vergoeding van € 2.556,70 onder de noemer ‘Interne juridische ondersteuning’. Het gaat hierbij volgens BWB c.s. om de tijd die de eigen afdeling juridische zaken heeft moeten steken in het ‘oplossen van de door de tekortkomingen ontstane problemen’. 5.19.1. Op grond van artikel 6:96 lid 2 BW komen voor vergoeding in aanmerking
- i)redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade,
- ii)redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en iii) redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat onder deze kosten ook eigen personeelskosten (‘interne kosten’) kunnen vallen. 5.19.2. BWB c.s. hebben niet gesteld welke werkzaamheden haar eigen medewerkers van de juridische afdeling hebben uitgevoerd als gevolg van de tekortkoming of de ontbinding. Zij hebben wel verwezen naar een urenstaat die als bijlage is bijgevoegd, maar het is niet aan de rechtbank om hieruit feitelijke stellingen af te leiden. Die moeten door BWB c.s. worden ingenomen en dat hebben zij niet gedaan, anders dan hetgeen hiervoor onder 5.19 is geciteerd. Dit laatste is echter onvoldoende concreet om te kunnen beoordelen of het hier gaat om voor vergoeding in aanmerking komende kosten. Deze post zal de rechtbank daarom afwijzen. 5.20. Hetzelfde geldt voor de opgevoerde ‘directiekosten’, ‘personeelskosten’ en ‘inkoopkosten’. Ook deze kosten zijn enkel onderbouwd met een verwijzing naar een urenstaat en verder niet voorzien van een toelichting, zodat ook deze post als onvoldoende concreet moet worden afgewezen. 5.21. BWB c.s. hebben gesteld dat zij een andere arbodienstverlener hebben moeten inschakelen en hierdoor extra kosten hebben moeten maken. Dit gaat volgens BWB c.s. om € 4.672,- implementatiekosten, € 3.600,- voor een noodzakelijke systeemkoppeling en € 149.335,- voor het kostenverschil tussen de overeenkomst met de nieuwe dienstverlener en hetgeen zij op grond van de overeenkomst met De Arbodienst verschuldigd waren. De rechtbank overweegt hierover als volgt. 5.21.1. De Arbodienst heeft niet weersproken dat BWB c.s. als gevolg van de ontbinding genoodzaakt waren om een nieuwe arbodienstverlener in te schakelen. BWB c.s. hebben daarmee recht op vergoeding van de hiermee gepaard gaande (meer)kosten. 5.21.2. BWB c.s. hebben onweersproken gesteld dat zij als gevolg van het inschakelen van een nieuwe arbodienstverlener implementatiekosten en kosten voor een systeemkoppeling hebben moeten maken. Dit staat daarmee vast. Evenmin heeft De Arbodienst de hoogte van de gestelde kosten betwist. Deze posten (€ 4.672,- en € 3.600,-) zullen daarom worden toegewezen. Dat, zoals door De Arbodienst is aangevoerd, BWB c.s. deze kosten mogelijk op een later moment ook hadden moeten maken als de overeenkomst niet was ontbonden (namelijk wanneer bij het einde van de looptijd voor een nieuwe aanbieder zou worden gekozen), maakt dit niet anders. Dit is een omstandigheid die mee weegt bij de beoordeling of aanleiding bestaat voor voordeelstoerekening (art. 6:100 BW), maar vormt hiervoor op zichzelf onvoldoende grond. Zo is onduidelijk of BWB c.s. deze kosten hoe dan ook hadden moeten maken en zo ja, wanneer. Bovendien weegt de rechtbank mee dat de omstandigheid dat BWB c.s. nu eerder van aanbieder hebben moeten wisselen, ook een daarop volgende wisseling met de daarbij behorende kosten weer dichterbij brengt. Dit is een omstandigheid die erop wijst dat BWB c.s. geen werkelijk voordeel hebben genoten van de (naar voren gehaalde) implementatie en systeemkoppeling. 5.21.3. BWB c.s. hebben gesteld dat zij schade lijden doordat de nieuwe arbodienstverlener hogere tarieven hanteert. Ter onderbouwing hiervan hebben BWB c.s. een grotendeels zwartgelakte overeenkomst met de nieuwe arbodienstverlener overgelegd. Met De Arbodienst is de rechtbank van oordeel dat op basis hiervan niet kan worden beoordeeld of de dienstverlening van deze nieuwe dienstverlener vergelijkbaar is met hetgeen met De Arbodienst was overeengekomen. Daarmee kan niet worden vastgesteld dat de hogere kosten van BWB c.s. het directe gevolg zijn van de ontbinding, of dat deze een andere oorzaak kennen (zoals een uitgebreidere dienstverlening). Evenmin kan de rechtbank vaststellen dat de nieuwe dienstverlener marktconforme tarieven hanteert. De rechtbank begrijpt dat BWB c.s., anders dan voorafgaand aan de overeenkomst met De Arbodienst, geen aanbestedingstraject hebben gevolgd en dat daardoor niet kan worden uitgesloten dat lagere tarieven mogelijk waren geweest. Deze omstandigheden maken dat de rechtbank het in dit kader gevorderde bedrag niet kan toewijzen. 5.21.4. Aan de andere kant acht de rechtbank het wel voldoende aannemelijk dat BWB c.s. schade hebben geleden doordat zij zich genoodzaakt zagen om (met enige spoed) een nieuwe arbodienstverlener in te schakelen. Hierbij is allereerst van belang dat het in de regel zo zal zijn dat het met spoed inschakelen van een dienstverlener kostenverhogend werkt. Daarnaast is van belang dat – zo begrijpt de rechtbank uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken – de inflatie ook bij arbodienstverleners heeft geleid tot een algemene prijsstijging. Desgevraagd heeft De Arbodienst verklaard dat haar tarieven sinds 2021 met circa 10% zijn gestegen. In het licht van deze omstandigheden acht de rechtbank het – bij gebreke van andere aanknopingspunten – redelijk om voor de berekening van de schade van BWB c.s. uit te gaan van een kostenopslag van 12,5% bovenop hetgeen zij op grond van de overeenkomst aan De Arbodienst was verschuldigd. 5.21.5. BWB c.s. hebben een berekening in het geding gebracht, waarin staat dat zij op basis van de overeenkomst met De Arbodienst € 15.501,- (ex btw) per maand verschuldigd waren. Dit is door De Arbodienst niet weersproken, zodat de rechtbank hiervan uitgaat. De nieuwe maandelijkse kosten op basis waarvan de schade van BWB c.s. zal worden berekend, stelt de rechtbank daarmee op € 17.438,63 (112,5% van € 15.501,-). Aangezien het gaat om 45 maanden (1 januari 2023 tot 1 oktober 2026), komt dit neer op een totaalbedrag van € 748.738,13. Hiervan moet worden afgetrokken hetgeen BWB c.s. in deze 45 maanden aan De Arbodienst verschuldigd zouden zijn geweest. Dit bedrag kan de rechtbank nog niet vaststellen. In de berekening van BWB c.s. hebben zij erop gewezen dat De Arbodienst op grond van de overeenkomst recht heeft op een indexering van haar tarieven met ingang van 1 juli 2023. Partijen hebben hierover verder nog geen stellingen ingenomen. Indien de tarieven van De Arbodienst daadwerkelijk geïndexeerd hadden mogen worden, dan moet hiermee rekening worden gehouden. Zonder indexering zou de schadeberekening uitkomen op € 87.193,13 (€ 1.937,63 * 45 maanden). 5.21.6. Partijen zullen daarom in de gelegenheid worden gesteld om bij akte nader in te gaan op de (al dan niet bestaande) mogelijkheid voor De Arbodienst om haar tarieven te indexeren. Partijen kunnen daarbij een onderbouwde berekening overleggen van tot welk concreet schadebedrag van BWB c.s. dit leidt, met hetgeen hiervoor is overwogen als uitgangspunt. 5.22. Onder de noemer ‘Externe juridische kosten’ hebben BWB c.s. een bedrag van € 19.590,15 opgevoerd. Volgens BWB c.s. gaat het hierbij om ‘de externe juridische kosten die zijn gemaakt in ondersteuning van BWB bij het verhelpen van de tekortkoming in de nakoming door De Arbodienst’. Dit zijn volgens BWB c.s. redelijke kosten gemaakt ter voorkoming en beperking van de schade, waarmee BWB c.s. kennelijk verwijzen naar artikel 6:96 lid 1 onder a BW. Dergelijke juridische kosten vallen echter onder artikel 6:96 lid 1 onder c BW: redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. De rechtbank ziet geen grond voor toewijzing van dergelijke juridische kosten buiten de kaders van artikel 6:96 lid 1 onder c BW. Uit de stellingen en bijgevoegde correspondentie (waaronder meerdere inhoudelijke brieven van de advocaat van BWB c.s. aan De Arbodienst) blijkt verder duidelijk dat BWB c.s. kosten hebben gemaakt die op grond van de genoemde wetsbepaling voor vergoeding in aanmerking komen. De hoogte hiervan zal bij eindvonnis worden berekend aan de hand van het toe te wijzen schadebedrag en op basis van de hiervoor gebruikelijke staffel. 5.23. De Arbodienst heeft een beroep gedaan op ‘eigen schuld’ en een schadebeperkingsplicht aan de zijde van BWB c.s. 5.23.1. Volgens De Arbodienst is hiervan allereerst sprake, omdat De Arbodienst geen direct contact met de medische lijn kon faciliteren vanwege een te hoog ziekteverzuim bij BWB c.s. en te weinig regie hierop. Volgens De Arbodienst had BWB c.s. haar alternatief (werken via een AAG) moeten aanvaarden. Zoals hiervoor in 5.13.4 is overwogen, mist dit betoog feitelijke grondslag omdat het hier slechts gaat om eigen intern beleid van De Arbodienst waaraan BWB c.s. niet waren gebonden. Het door De Arbodienst aangeboden alternatief om via een AAG te werken was niet toereikend en de ontbinding met de daardoor ontstane schade is dus niet om die reden een gevolg van een omstandigheid die aan BWB c.s. kan worden toegerekend. 5.23.2. Verder is volgens De Arbodienst sprake van eigen schuld althans een schadebeperkingsplicht aan de zijde van BWB c.s., omdat BWB c.s. hadden moeten kiezen voor een nieuwe Europese aanbesteding. De Arbodienst neemt daarbij aan dat dit had geleid tot lagere meerkosten. Ook dit betoog slaagt niet. Zoals hiervoor is overwogen zal de rechtbank de schade ten aanzien van de meerkosten niet berekenen op basis van de tarieven die de nieuwe arbodienstverlener in rekening brengt, maar op basis van een meer abstracte berekening. Hierdoor wordt er al rekening mee gehouden dat BWB c.s. mogelijk een goedkopere aanbieder hadden kunnen vinden. Of BWB c.s. daadwerkelijk een Europese aanbestedingsprocedure hadden moeten voeren, hetgeen door BWB c.s. gemotiveerd is weersproken, kan daarom in het midden blijven. 5.24. In het petitum onder II hebben BWB c.s. gevorderd dat de rechtbank De Arbodienst zal veroordelen tot vergoeding van ‘eventueel nog te lijden schade’. Deze vordering is te onbepaald en zal om die reden bij eindvonnis worden afgewezen. Rente 5.25. BWB c.s. hebben vergoeding van de wettelijke (handels)rente gevorderd over de toe te wijzen schadevergoeding met ingang van de dag van de overeenkomst, dan wel met ingang van de dag dat de schade is geleden. De Arbodienst heeft hiertegen geen zelfstandig verweer gevoerd. 5.26. Bij eindvonnis zal de rechtbank de gewone wettelijke rente toewijzen. Over een schadevergoeding is geen handelsrente verschuldigd. Verder zal de rechtbank de rente toewijzen met ingang van de dag dat de schade is geleden. Voor een eerdere ingangsdatum bestaat geen grond. De rechtbank zal hierbij geen concrete datum bepalen, aangezien partijen de rechtbank hiervoor onvoldoende handvatten hebben geboden. De schade van BWB c.s. moet steeds geacht worden te zijn geleden op het moment dat zij de (extra) kosten verschuldigd zijn geraakt. Steeds vanaf die dag is over dat deel de rente verschuldigd. 6De beslissing De rechtbank 6.1. verwijst de zaak naar de rol van 8 januari 2024, voor een akte aan beide zijden over hetgeen in 5.21.6 is overwogen, 6.2. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. E. Schippers en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2024 12,5% van € 15.501,-