vonnis RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Apeldoorn Zaaknummer: 10274552 EL 23-2 vonnis van de kantonrechter van 25 april 2024 in de zaak van de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V., gevestigd te Amsterdam, eisende partij, gemachtigde: USG Legal Professionals, tegen [naam gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces. Partijen worden hierna Dexia en [de gedaagde] genoemd. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 8 november 2022; de conclusie van antwoord; de conclusie van repliek; de conclusie van dupliek. 1.
- Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen. 2
- De feiten 2.
- [de gedaagde] heeft de volgende leaseovereenkomsten ondertekend waarop hij en [betrokkene] als lessee stonden vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia: Nr. Contractnr. Datum Naam overeenkomst III. [contractnummer 1] 21-04-2000 Capital Effect IV. [contractnummer 2] 21-04-2000 Capital Effect 2.
- Daarnaast zijn tussen (de rechtsvoorganger van) Dexia en [betrokkene] en [betrokkene 2] de volgende leaseovereenkomsten tot stand gekomen: Nr. Contractnr. Datum Naam overeenkomst I. [contractnummer 3] 21-04-2000 Capital Effect II. [contractnummer 4] 21-04-2000 Capital Effect 2.
- Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten eindafrekeningen opgesteld met het volgende resultaat: Nr. Datum eindafrekening Resultaat Betaald I. 26-10-2006 + € 183,13 Ja, door Dexia. II. 26-10-2006 + € 514,39 Ja, door Dexia. III. 26-10-2006 + € 514,39 Ja, door Dexia. IV. 26-10-1006 + € 514,39 Ja, door Dexia. 2.
- Volgens opgave van Dexia is op grond van de overeenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 11.410,94 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Verder is op grond van die opgave € 1.885,82 aan dividenden ontvangen en € 1.389,50 aan fiscaal voordeel genoten. 2.
- Bij brief van 30 mei 2006 heeft Dexia aan [de gedaagde] bevestigd dat naar aanleiding van zijn verzoek van 29 mei 2006, alle overeenkomsten op zijn naam zijn geadministreerd. 2.
- Bij brief van 25 maart 2022 heeft Dexia [de gedaagde] uitgenodigd om in gesprek te gaan en te onderzoeken of partijen tot afronding van het effectenleasedossier kunnen komen. Partijen zijn niet tot afronding van het dossier gekomen. 3De vordering en het verweer 3.
- Dexia vordert, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten: zal verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten met contractnummers [contractnummer 3] , [contractnummer 4] , [contractnummer 1] en [contractnummer 2] aan al haar verbintenissen heeft voldaan en niets meer aan [de gedaagde] verschuldigd is, [de gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten. 3.
- [de gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van Dexia, althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Dexia in de proceskosten en de nakosten. 3.
- Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan. 4De beoordeling algemeen 4.
- Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [de gedaagde] . 4.
- De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen. 4.
- Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies: er is sprake van huurkoop; er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck; Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld; [de gedaagde] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen; er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia. de verklaring voor recht 4.
- Dexia vordert onder meer een verklaring voor recht die ertoe strekt het niet-bestaan van een recht vast te stellen. In haar visie is zij niets meer aan [de gedaagde] verschuldigd. 4.
- [de gedaagde] betwist dit en stelt nog een vordering op Dexia te hebben vanwege de advisering door een tussenpersoon en de schending van artikel 41 NR 1999 of artikel 25 NR
- Daarnaast stelt [de gedaagde] dat Dexia nog een bedrag aan buitengerechtelijke kosten verschuldigd is. 4.
- In beginsel is het aan de schuldeiser van een vordering om te bepalen of en op welk moment hij zijn vordering in rechte geldend wil maken. Anderzijds dient het procesrecht er ook toe om bescherming te bieden aan een schuldenaar die jarenlang wordt genoodzaakt rekening te houden met een onduidelijke, mogelijk nog jegens hem geldend te maken vordering. Daartoe is in dit geval de door Dexia gevraagde verklaring voor recht een geëigend middel, gelet op de huidige stand van de jurisprudentie. Voor zover [de gedaagde] een beroep doet op het afwachten van de jurisprudentie, wordt hij daarin niet gevolgd. verjaring 4.
- Dexia stelt dat een eventuele vordering van [de gedaagde] inmiddels is verjaard. Dit verweer wordt niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen. overname overeenkomsten en (vermeende) advisering tussenpersoon 4.
- [de gedaagde] stelt dat alle vier overeenkomsten door hem zijn overgenomen en naar de kantonrechter begrijpt, voor zover hij nog geen contractspartij was. Voor de overgang van een vordering uit hoofde van onrechtmatig handelen in de precontractuele sfeer is een enkele contractsovername niet voldoende, daarvoor is in dit geval een cessie vereist, zoals volgt uit het vonnis van Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 juni 2020 (ECLI:NL:RBZWB:2020:4824). Dat een dergelijke cessie heeft plaatsgevonden is gesteld noch gebleken. Evenmin is gesteld noch gebleken dat [de gedaagde] op grond van erfopvolging of anderszins in de rechten van de andere contractspartijen is getreden. Dit betekent dat het verweer van [de gedaagde] tegen de vorderingen van Dexia niet opgaat, voor zover dat verweer ziet op overeenkomsten I. en II. Aangezien [de gedaagde] wel oorspronkelijk medecontractant was bij de overeenkomsten III. en IV., moet worden beoordeeld of ten behoeve van [de gedaagde] is geadviseerd. Het voorgaande betekent ook dat [de gedaagde] enkel een vordering heeft in verband met de schade die hij als medecontractant heeft geleden, dat wil zeggen voor de helft van de totale schade die voor vergoeding in aanmerking komt. met betrekking tot overeenkomsten III. en IV. tussenpersoon 4.
- [de gedaagde] heeft de overeenkomsten met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [de tussenpersoon] (hierna: [de tussenpersoon] ). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd. 4.
- De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [de gedaagde] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [de gedaagde] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [de gedaagde] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [de gedaagde] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [de gedaagde] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard. 4.
- [de gedaagde] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende: De ouders van [de gedaagde] hadden gedurende langere tijd reeds vele financiële zaken geregeld via [de tussenpersoon] , zoals hun verzekeringen en zaken met betrekking tot hun pensioen. Zij hadden altijd contact met een financieel adviseur en tevens eigenaar van [de tussenpersoon] , [de adviseur] (hierna: de adviseur). Na het overlijden van de vader van [de gedaagde] kwam wijlen [betrokkene] wederom in contact met de adviseur. Vervolgens is de adviseur voor een adviesgesprek op huisbezoek gekomen bij wijlen [betrokkene] . De adviseur was reeds tot in detail bekend met de financiële situatie van de ouders van [de gedaagde] . Tijdens het adviesgesprek kwam het overlijden van de vader van [de gedaagde] ter sprake, evenals het spaargeld dat hij had. Wijlen [betrokkene] gaf aan graag een financiële reserve voor de nabestaanden aan te leggen, te weten haarzelf, [de gedaagde] en zijn zus. De adviseur gaf aan dat dit mogelijk was en adviseerde wijlen [betrokkene] om vier Capital Effect overeenkomsten van Bank Labouchere af te sluiten. De adviseur adviseerde wijlen [betrokkene] om deze overeenkomsten af te sluiten met een vooruitbetaling van de inleg van ongeveer NLG 4.800,- per overeenkomst, te voldoen uit het spaargeld van de vader van [de gedaagde] . Twee overeenkomsten zouden wijlen [betrokkene] en de zus van [de gedaagde] afsluiten, en twee overeenkomsten zou wijlen [betrokkene] samen met [de gedaagde] afsluiten. Volgens de adviseur zouden zij aanzienlijk vermogen opbouwen voor een financiële reserve voor hen als nabestaanden. De adviseur heeft de vermogensopbouw zeer rooskleurig aan Contractante voorgeschoteld. Er is geenszins rekening gehouden met minder hoge of zelfs negatieve rendementen, en over tegenvallende resultaten is in het geheel niet gesproken. Met de voorgespiegelde rendementen kon de doelstelling van wijlen [betrokkene] worden gerealiseerd. Mede vanwege het feit dat de adviseur reeds lange tijd intensief betrokken was bij de inrichting van de financiële situatie van de ouders van [de gedaagde] en er een vertrouwensband bestond, vertrouwde wijlen [betrokkene] volledig op de deskundigheid van de adviseur en heeft het advies opgevolgd. De adviseur heeft het aanvraagformulier tijdens een huisbezoek door wijlen [betrokkene] laten ondertekenen. De adviseur heeft het aanvraagformulier meegenomen en naar Bank Labouchere toegezonden. De adviseur heeft de overeenkomsten laten ondertekenen. De adviseur heeft de overeenkomsten meegenomen en naar Bank Labouchere toegezonden. 4.
- [de gedaagde] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, voor zover van belang, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:- een tweetal kopieën van de overeenkomsten van 21 april 2000 met contractnummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2] op naam van [betrokkene] en/of [de gedaagde] , beide genaamd ‘Capital Effect Vooruitbetaling’ en voorzien van het adviseursnummer: [nummer] - [de tussenpersoon], 4.
- Met deze feitelijke uiteenzetting en stukken heeft [de gedaagde] voldoende onderbouwd gesteld dat mede ten behoeve van hem sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dexia heeft de door [de gedaagde] geschetste gang van zaken slechts in algemene termen betwist. Dexia had meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds geen sprake is geweest van advisering. Zo had Dexia moeten uiteenzetten op welke wijze de overeenkomsten in haar visie tot stand waren gekomen. Dexia heeft weliswaar erop gewezen dat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen de moeder van [de gedaagde] en de adviseur van de tussenpersoon, maar dat kan Dexia niet baten. Voor zover Dexia daardoor in bewijsnood is, komt dat voor haar rekening en risico. Niet alleen had zij zoals hiervoor is overwogen eerder bewijs kunnen verzamelen maar daarbij komt dat Dexia destijds ervan heeft afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten en gebruik heeft gemaakt van deze tussenpersoon voor de afzet van haar producten. Dit terwijl het voor haar als aan toezicht onderworpen effecteninstelling verboden was om van die tussenpersoon cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt. Het had op haar weg gelegen om daarop controle uit te oefenen en ervoor te zorgen dat zij wel over concrete informatie beschikte over de totstandkoming van een contract en de daarbij betrokken (medewerker van de) tussenpersoon. Daarom wordt uitgegaan van de juistheid van de door [de gedaagde] geschetste gang van zaken nu Dexia deze onvoldoende heeft weersproken. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. wetenschap Dexia 4.
- [de gedaagde] stelt dat Dexia wist, althans behoorde te weten, dat de tussenpersoon een op de persoon van [de gedaagde] en zijn moeder toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. Dexia betwist dit. Uit diverse uitspraken volgt dat Dexia ermee bekend moet zijn geweest dat tussenpersonen op grote schaal individueel persoonlijk financieel advies gaven. Hoewel in dit geval niet is gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan de moeder van [de gedaagde] , had het op de weg van Dexia gelegen om bij de totstandkoming van de overeenkomsten met de moeder van [de gedaagde] en [de gedaagde] , actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klanten de overeenkomst is aangegaan op advies van de tussenpersoon, om te kunnen beoordelen of zij de overeenkomsten met [de gedaagde] en zijn moeder kon en mocht aangaan. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht is gesteld noch gebleken. Zij had derhalve behoren te weten dat de moeder van [de gedaagde] en daarmee [de gedaagde] door de tussenpersoon is geadviseerd. aansprakelijkheid Dexia 4.
- Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [de gedaagde] de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [de gedaagde] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [de gedaagde] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia. conclusie 4.
- Uit het voorgaande volgt dat niet ten volle kan worden vastgesteld Dexia niets meer aan [de gedaagde] is verschuldigd. Wat Dexia nog wel aan [de gedaagde] is verschuldigd kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [de gedaagde] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164).Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.met betrekking tot overeenkomsten I. en II.4.
- [de gedaagde] heeft verder geen steekhoudende verweren gevoerd tegen de vorderingen van Dexia, zodat er vanuit wordt gegaan dat Dexia op grond van deze overeenkomsten aan al haar verbintenissen jegens [de gedaagde] heeft voldaan en derhalve niets meer aan [de gedaagde] is verschuldigd. met betrekking tot alle overeenkomsten 4.
- Gelet op het voorgaande behoeven de overige verweren van [de gedaagde] en het verzoek om gebruik te maken van de in artikel 22 Rv gegeven bevoegdheid niet inhoudelijk besproken te worden. De vorderingen van Dexia zullen worden toegewezen als na te melden. Omdat [de gedaagde] inhoudelijk (deels) gelijk krijgt is Dexia aan te merken als de in overwegende mate in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van [de gedaagde] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 542,00 (2 x tarief € 271,00) - nakosten € 135,00Totaal € 677,
- 5De beslissing De kantonrechter 5.
- verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten met contractnummers [contractnummer 3] en [contractnummer 4] niets meer aan [de gedaagde] verschuldigd is, 5.
- verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten met contractnummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2] niets meer aan [de gedaagde] verschuldigd is, nadat is overgegaan tot uitbetaling van de helft van de schadevergoeding als onder 4.
- weergegeven, 5.
- veroordeelt Dexia in de proceskosten, die aan de zijde van [de gedaagde] tot en met heden worden vastgesteld op € 677,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen, 5.
- verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad, 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2024 in tegenwoordigheid van de griffier. typ: FM [ Handtekeningen verwijderd.] In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135). zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462 en gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:
- Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:
- Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:
- Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:
- Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.
- Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.