← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2025:10015

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummers: 05-026207-24, 05-221320-24, 05-221329-24, 05-148809-24, 05-237313-24 en 05-259799-24 Datum uitspraak : 22 januari 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , zonder vaste woon- of verblijfplaats, op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] . Raadsman: mr. D. Nieuwenhuis, advocaat in Arnhem. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van openbare terechtzittingen. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: Onder parketnummer 05-026207-24: hij op of omstreeks 20 januari 2024 te Winterswijk opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk 2226469, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a eerste lid van de gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van Winterswijk, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode van 5 november 2023 tot en met 4 februari 2024 niet mocht bevinden in/op het gebied van de gemeente Winterswijk, door, zich op voornoemde datum om 00:45 uur in/[adres 1], althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden; Onder parketnummer 05-221320-24: hij op of omstreeks 11 februari 2024 te Winterswijk een fietspomp en/of een kettingkast, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(

  1. n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking; Onder parketnummer 05-221329-24: hij op of omstreeks 14 februari 2024 te Winterswijk, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 14,43 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; Onder parketnummer 05-148809-24: hij op of omstreeks 1 mei 2024 te Winterswijk opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk 2226469, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a eerste lid van de gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van Winterswijk, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode van 7 februari 2024 tot en met 6 mei 2024 niet mocht bevinden in/op het gebied van de gemeente Winterswijk, door, zich op voornoemde datum om 15:40 uur in de Lidl aan de Misterweg, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden; Onder parketnummer 05-237313-24: hij op of omstreeks 10 juni 2024 te Winterswijk opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk 2226469, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a eerste lid van de gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van Winterswijk, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen tussen 16 mei en 16 augustus 2024 niet mocht bevinden in/op het gebied van de gemeente Winterswijk, door, zich op voornoemde datum om 17:50 uur in/[adres 3], althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden; Onder parketnummer 05-259799-24: 1.hij op of omstreeks 10 juli 2024 te Lievelde, gemeente Oost Gelre tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een (of meerdere) alcoholische dranken en/of goed(eren), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
  2. s)toebehoorde(
  3. n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(
  4. s)zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen alcoholische dranken en/of goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking; 2.hij op of omstreeks 8 juli 2024 te Winterswijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een fiets, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
  5. s)toebehoorde(
  6. n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. 2Overwegingen ten aanzien van het bewijs Ten aanzien van parketnummer 05-026207-24 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het ten laste gelegde feit opzettelijk heeft begaan, nu verdachte heeft verklaard dat het gebiedsverbod nooit aan hem is uitgereikt. Beoordeling door de rechtbank Vast staat dat verdachte op 20 januari 2024 om 00:45 uur op de [adres 1] te Winterswijk is aangehouden ter zake het opzettelijk niet voldoen aan een bevel gegeven door de burgemeester van Winterswijk. Uit de brief aan verdachte inzake het besluit oplegging gebiedsverbod van 2 november 2023 volgt dat de burgemeester van Winterswijk aan verdachte een gebiedsverbod heeft opgelegd op grond van artikel 172a, eerste lid, van de Gemeentewet. Het gebiedsverbod gold voor de gehele gemeente Winterswijk gedurende de periode van 5 november 2023 tot en met 4 februari 2024. Op grond van dit gebiedsverbod mocht verdachte zich tijdens de genoemde periode niet in de gemeente Winterswijk bevinden. In de adressering van de brief staat vermeld: “Persoonlijk overhandigd aan de heer [verdachte] door casemanager van Penitentiaire Inrichting [plaats]”. Verbalisant [verbalisant 1] heeft op 24 januari 2024 telefonisch contact gehad met de PI [plaats] , afdeling [afdeling] . Uit het door [verbalisant 1] opgestelde proces-verbaal volgt dat een medewerker van de afdeling uit de aldaar aanwezige stukken heeft bevestigd dat er op 2 november 2023 een gebiedsverbod (voor de gemeente Winterswijk) was binnengekomen voor [verdachte] . Dit gebiedsverbod is op 3 november 2023 persoonlijk aan [verdachte] uitgereikt door de casemanager [naam] . Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich opzettelijk niet heeft gehouden aan het gebiedsverbod dat door de burgemeester van Winterswijk aan hem is opgelegd. Uit het gebiedsverbod volgt duidelijk dat verdachte zich in de periode van 5 november 2023 tot en met 4 februari 2024 niet in de gemeente Winterswijk mocht bevinden. Uit de adressering van het gebiedsverbod en uit het proces-verbaal van [verbalisant 1] blijkt dat het gebiedsverbod op 3 november 2023 persoonlijk aan verdachte is uitgereikt. De rechtbank ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid van die stukken te twijfelen. Dat verdachte voor dit gebiedsverbod niet heeft getekend, terwijl hij dat bij andere aan hem opgelegde gebiedsverboden wel heeft gedaan, doet aan dit oordeel niet af, nu het niet verplicht is om voor ontvangst van een gebiedsverbod te tekenen. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen aan hem ten laste is gelegd onder parketnummer 05-026207-24. Ten aanzien van de parketnummers 05-221320-24, 05-221329-24, 05-148809-24, 05-237313-24 en 05-259799-24 Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Parketnummer 05-221320-24 - het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 5-6, 8; - het proces-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden, p. 17-18; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 januari 2025. Parketnummer 05-221329-24 - het proces-verbaal van bevindingen, p. 5; - het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 13, 17; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 januari 2025. Aan verdachte is tenlastegelegde het opzettelijk aanwezig hebben van 14,43 gram amfetamine. Deze tenlastelegging bevat ten aanzien van de hoeveelheid een kennelijke verschrijving. In het onderzoek wordt immers (steeds) een hoeveelheid van 13,43 gram vermeld. De rechtbank zal dit in de bewezenverklaring aanpassen. Parketnummer 05-148809-24 - het proces-verbaal van bevindingen, p. 5; - de brief aan verdachte d.d. 7 februari 2024 inzake besluit oplegging gebiedsverbod, p. 8-10; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 januari 2025. Parketnummer 05-237313-24 - het proces-verbaal van bevindingen, p. 5; - de brief aan verdachte d.d. 14 mei 2024 inzake besluit oplegging gebiedsverbod, p. 9-11; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 januari 2025. Parketnummer 05-259799-24 Feit 1: Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van aangifte namens [bedrijf] , p. 12-13, 16-17; - het proces-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden, p. 21-23; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 januari 2025. Feit 2: Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 50-51, 53; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 januari 2025. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder parketnummers 05-026207-24, 05-221320-24, 05-221329-24, 05-148809-24, 05-237313-24 en 05-259799-24 ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat: Onder parketnummer 05-026207-24: hij op of omstreeks 20 januari 2024 te Winterswijk opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk 2226469, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a eerste lid van de Gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van Winterswijk, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode van 5 november 2023 tot en met 4 februari 2024 niet mocht bevinden in/op het gebied van de gemeente Winterswijk, door, zich op voornoemde datum om 00:45 uur in/op de [adres 1], althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden; Onder parketnummer 05-221320-24: hij op of omstreeks 11 februari 2024 te Winterswijk een fietspomp en/of een kettingkast, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(
  7. n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking; Onder parketnummer 05-221329-24: hij op of omstreeks 14 februari 2024 te Winterswijk, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 13,43 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; Onder parketnummer 05-148809-24: hij op of omstreeks 1 mei 2024 te Winterswijk opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk 2226469, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a eerste lid van de Gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van Winterswijk, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode van 7 februari 2024 tot en met 6 mei 2024 niet mocht bevinden in/op het gebied van de gemeente Winterswijk, door, zich op voornoemde datum om 15:40 uur in de Lidl aan de Misterweg, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden; Onder parketnummer 05-237313-24: hij op of omstreeks 10 juni 2024 te Winterswijk opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk 2226469, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a eerste lid van de Gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van Winterswijk, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen tussen 16 mei en 16 augustus 2024 niet mocht bevinden in/op het gebied van de gemeente Winterswijk, door, zich op voornoemde datum om 17:50 uur in/op de [adres 2], althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden; Onder parketnummer 05-259799-24: 1.hij op of omstreeks 10 juli 2024 te Lievelde, gemeente Oost Gelre tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een (of meerdere) alcoholische dranken en/of goed(eren), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
  8. s)toebehoorde(
  9. n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(
  10. s)zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen alcoholische dranken en/of goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking; 2.hij op of omstreeks 8 juli 2024 te Winterswijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een fiets, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
  11. s)toebehoorde(
  12. n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: In de zaken met parketnummers 05-026207-24, 05-148809-24 en 05-237313-24 telkens: Opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast. In de zaak met parketnummer 05-221320-24: Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak. In de zaak met parketnummer 05-221329-24: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. In de zaak met parketnummer 05-259799-24: Feit 1: Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak. Feit 2: Diefstal door twee of meer verenigde personen. 5De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie Ten aanzien van parketnummers 05-221320-24, 05-221329-24 en 05-259799-24 De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte zal worden opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van 2 jaren, zonder aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Ten aanzien van parketnummers 05-026207-24, 05-148809-24 en 05-237313-24 De officier van justitie heeft gevorderd om deze feiten af te doen met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr), omdat voor deze feiten geen oplegging van de ISD-maatregel mogelijk is. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft primair bepleit dat aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van 3 jaren. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de door de officier van justitie gevorderde ISD-maatregel in voorwaardelijke vorm op te leggen. Meer subsidiair wordt verzocht om de ISD-maatregel op te leggen voor de duur van 1 jaar, gelet op het feit dat verdachte al 5 maanden in voorarrest zit. Uiterst subsidiair wordt de rechtbank verzocht om, met toepassing van artikel 38n Sr, bij het opleggen van de maatregel te beslissen tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel na 6, subsidiair na 12 maanden. Tot slot heeft de raadsman bepleit dat, in alle gevallen, de duur van het voorarrest wordt afgetrokken van de duur van de maatregel. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf en/of maatregel rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere diefstallen met braak, al dan niet in vereniging gepleegd. Dit zijn vervelende feiten die voor de gedupeerden, naast financiële schade, overlast en ergernis met zich brengen. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet en aan meerdere overtredingen van aan hem opgelegde gebiedsverboden. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat verdachte in de afgelopen jaren met regelmaat voor soortgelijke misdrijven is veroordeeld. De door verdachte gepleegde diefstallen (in vereniging) met braak en de overtreding van de Opiumwet betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. In de vijf jaren voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten is verdachte ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf veroordeeld. De rechtbank stelt verder vast dat verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Verdachte voldoet hiermee aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de ISD-maatregel. Ook wordt aan de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers (in het bijzonder de vordering van de ISD-maatregel bij stelselmatige daders) voldaan. Immers, verdachte is een zeer actieve veelpleger die, over een periode van vijf jaren, processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijffeiten, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijf van 10 juli 2024. Uit het rapport van de reclassering van 12 november 2024 volgt dat verdachte problemen heeft ten aanzien van het psychosociaal functioneren, het sociaal netwerk en middelengebruik en zich bevindt in een gebruikers- en tevens crimineel netwerk. Op de praktische leefgebieden, zoals wonen, financiën en dagbesteding, is er al jaren sprake van instabiliteit, die een negatieve invloed heeft op het recidiverisico, evenals het beperkte probleeminzicht van verdachte. Het opleggen van de ISD-maatregel wordt op dit moment door de reclassering als enige mogelijkheid gezien om tot recidivevermindering te komen, daar de afgelopen jaren is gebleken dat betrokkene in een schorsingskader, dan wel voorwaardelijk kader niet in staat is om zijn medewerking te verlenen aan een toezicht. De vele detentieperiodes die verdachte gedurende een toezicht wegens recidive ondergaat, dragen er mede aan bij dat het toezicht niet van de grond komt. De maatregel zal met name dienen ter bescherming van de maatschappij, waarbij gedurende de ISD-maatregel de kans op recidive aanzienlijk kleiner is. Afhankelijk van de motivatie van betrokkene om tot gedragsverandering te komen, kan nadere invulling gegeven worden aan de extramurale fase van de ISD. De reclassering acht het van belang dat er aandacht uitgaat naar de verslavingsproblematiek, evenals het psychisch functioneren maar ook het op orde brengen van de praktische zaken. Gelet op het voorgaande moet er volgens de reclassering, zonder adequaat toezicht en begeleiding, ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. De veiligheid van personen en goederen rechtvaardigt dan ook het opleggen van de ISD-maatregel. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren noodzakelijk en gewenst is. Door het gedwongen kader van de ISD-maatregel wordt de maatschappij beveiligd en krijgt verdachte een kans zich op verschillende gebieden te ontwikkelen en aan zijn problematiek te werken. De rechtbank is er - gelet op de kansen die verdachte eerder heeft gekregen binnen een voorwaardelijk kader en hetgeen de reclassering daarover beschrijft - niet van overtuigd dat een minder streng kader, bijvoorbeeld in de vorm van een voorwaardelijke ISD-maatregel, dezelfde mogelijkheden voor bestendige verbetering zal bieden. De rechtbank merkt daarbij op dat als verdachte er binnen het kader van de ISD-maatregel in slaagt om vooruitgang te boeken, deze maatregel voorziet in voldoende perspectief op het geleidelijk verkrijgen van meer vrijheden. Gelet op het belang dat met de ISD-maatregel wordt gediend en om de behandelmogelijkheden niet te doorkruisen, zal de rechtbank de tijd die door verdachte is doorgebracht in voorarrest niet in mindering brengen op de duur van de maatregel. In de omstandigheid dat verdachte relatief lang in voorarrest heeft gezeten en dat het daar goed met hem gaat, zoals op de terechtzitting is gebleken, ziet de rechtbank wel aanleiding om te bepalen dat er na 12 maanden na het begin van de tenuitvoerlegging van de maatregel een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting daarvan zal plaatsvinden. Ten aanzien van de overtredingen van de gebiedsverboden overweegt de rechtbank dat dit geen feiten zijn waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De ISD-maatregel kan daarom voor deze feiten niet worden opgelegd. Omdat de rechtbank het van belang acht dat verdachte gaat starten met de ISD-maatregel, vindt zij het niet opportuun om daarnaast voor deze feiten nog een afzonderlijke straf op te leggen. Deze omstandigheden brengen de rechtbank ertoe toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a Sr, zodat aan verdachte voor de parketnummers 05-026207-24, 05-148809-24 en 05-237313-24 geen straf of maatregel zal worden opgelegd. 8De beoordeling van de civiele vorderingen Vordering van de benadeelde partij [bedrijf] [aangever] heeft ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 05-259799-24 namens de benadeelde partij [bedrijf] een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 600,00 aan materiële schade (alcoholische dranken en statiegeld) en € 200,00 aan proceskosten (uren directie uitzoekwerk en reparatie koeling), telkens te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot vergoeding van de materiële schade toewijsbaar is tot een bedrag van € 471,99, gelijk aan het opgetelde bedrag van de in de aangifte genoemde goederen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gevorderde proceskosten zijn onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij dient op dat punt niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering. De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat er geen uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel bij de vordering is gevoegd waaruit blijkt dat [aangever] gemachtigd is om namens de benadeelde partij [bedrijf] op te treden. Subsidiair sluit de verdediging zich aan bij het standpunt van de officier van justitie. De beoordeling door de rechtbank Ten aanzien van het primaire standpunt van de verdediging overweegt de rechtbank dat door de verdediging niet (gemotiveerd) is betwist dat [aangever] gemachtigd is om een vordering in te dienen namens de benadeelde partij [bedrijf] De enkele verwijzing naar het ontbreken van een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, waaruit de machtiging van [aangever] zou moeten blijken, is daarvoor - mede in het licht van de in de aangifte genoemde (rechts)personen - onvoldoende. Het verweer wordt door de rechtbank dan ook verworpen. Materiële schade Uit de bewezenverklaarde gedragingen van verdachte en het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De goederen genoemd in de vordering komen overeen met de lijst van weggenomen goederen in de aangifte. De waarde van de goederen komt in totaal uit op een bedrag van € 471,99. De rechtbank acht de vordering voor dit bedrag voldoende onderbouwd en zal de vordering tot dit bedrag toewijzen. Voor het overige verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade. Proceskosten De benadeelde partij heeft onder de noemer ‘proceskosten’ een bedrag van € 200,00 opgevoerd voor ‘uren directie uitzoekwerk en reparatie koeling’. De gevorderde kosten zijn niet nader onderbouwd. De rechtbank zal de vordering op dit punt afwijzen, nu het niet gaat om proceskosten als bedoeld in artikel 238 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Conclusie In totaal zal de rechtbank een bedrag toewijzen van € 471,99 aan materiële schade. Verdachte is over het toegewezen bedrag wettelijke rente verschuldigd vanaf 10 juli 2024. De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachten ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(
  13. n)de schade heeft/hebben vergoed. De rechtbank ziet tot slot aanleiding om op grond van artikel 36f Sr de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft ten aanzien van parketnummer 05-221320-24 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 312,15 aan materiële schade (kosten reparatie kettingkast en display fiets) en € 258,48 aan proceskosten (verlofuren en reiskostenvergoeding), telkens te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot vergoeding van de materiële schade geheel kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gevorderde proceskosten zijn onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij dient op dat punt niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde proceskosten onvoldoende zijn onderbouwd en dat de benadeelde partij op dat punt niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. De beoordeling door de rechtbank Materiële schade Uit de bewezenverklaarde gedragingen van verdachte en het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De gevorderde kosten zijn door de verdediging niet betwist en de rechtbank acht deze voldoende onderbouwd. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 312,15 aan materiële schade toewijzen. Proceskosten De benadeelde partij heeft onder de noemer ‘proceskosten’ een bedrag van € 258,48 opgevoerd voor verlofuren en reiskostenvergoeding. De gevorderde kosten zijn slechts ten dele nader onderbouwd. De rechtbank zal de vordering op dit punt afwijzen, nu het niet gaat om proceskosten als bedoeld in artikel 238 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Gesteld noch gebleken is immers dat de opgevoerde verlofuren en reiskosten samenhangen met het bijwonen van (een) zitting(
  14. en)in deze (straf)procedure. Conclusie In totaal zal de rechtbank een bedrag toewijzen van € 312,15 aan materiële schade. Verdachte is over het toegewezen bedrag wettelijke rente verschuldigd vanaf 11 februari 2024. De rechtbank ziet tot slot aanleiding om op grond van artikel 36f Sr de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. 9De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen: - 36 f, 38m, 38n, 57, 184 en 311 van het Wetboek van Strafrecht; - 2 en 10 van de Opiumwet. 10De beslissing De rechtbank:  verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;  verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;  verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;  verklaart verdachte hiervoor strafbaar; Ten aanzien van parketnummers 05-221320-24, 05-221329-24 en 05-259799-24  legt op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren; beslist dat 12 (twaalf) maanden na het begin van de tenuitvoerlegging van de maatregel de noodzaak van de voortzetting daarvan zal worden beoordeeld; verzoekt de officier van justitie voor de nieuwe zitting zorg te dragen voor het beschikbaar zijn van een rapport met daarin de stand van zaken van de tenuitvoerlegging; Ten aanzien van parketnummers 05-026207-24, 05-148809-24 en 05-237313-24  bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [bedrijf] veroordeelt verdachte in verband met het onder parketnummer 05-59799-24 onder 1 ten laste gelegde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [bedrijf] van € 471,99 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; verklaart de benadeelde partij [bedrijf] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;  wijst het verzoek tot vergoeding van de gevorderde proceskosten af;  veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [bedrijf] , een bedrag te betalen van € 471,99 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen negen dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;  bepaalt dat als de medeverdachte(
  15. n)(een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht; De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]  veroordeelt verdachte in verband met het onder parketnummer 05-221320-24 ten laste gelegde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 312,15 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;  wijst het verzoek tot vergoeding van de gevorderde proceskosten af;  veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 312,15 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen zes dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd. Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Keijzer (voorzitter), mr. M.M. Klaasen en mr. A. van Veldhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.K. Verberkt, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 januari 2025. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024029907, gesloten op 31 januari 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 7. Brief aan verdachte inzake besluit oplegging gebiedsverbod d.d. 2 november 2023, p. 21, 24. Proces-verbaal van bevindingen, p. 5. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024065594, gesloten op 27 april 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024071353, gesloten op 22 april 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024198815, gesloten op 2 mei 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024267238, gesloten op 24 juli 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 4] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024373206, gesloten op 14 augustus 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.