RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Nijmegen Zaaknummer: 11806596 \ VV EXPL 25-53 Vonnis in kort geding van 23 september 2025 in de zaak van [naam eiser] , wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V., tegen [naam gedaagde bewindvoerder] Q.Q. BEWINDVOERDER OVER DE GOEDEREN VAN [rechthebbende], wonende en zaakdoende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: de bewindvoerder, niet verschenen. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding- de mondelinge behandeling van 9 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.
- Tot slot is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- [eiser] en [rechthebbende] (hierna: [rechthebbende] ) hebben een ‘zorgovereenkomst arbeidsovereenkomst’ (hierna: de overeenkomst) gesloten op basis waarvan [eiser] op 14 februari 2022 in dienst is getreden bij [rechthebbende] (PGB budgethouder) in de functie van zorgverlener. Vanaf 1 juli 2024 is [eiser] voor onbepaalde tijd in dienst bij [rechthebbende] en werkzaam voor vier dagen per week, tegen een salaris van € 1.450,00 bruto per maand inclusief 8% vakantietoeslag. 2.
- In de overeenkomst staat bij ‘Ziekte zorgverlener’ het volgende: Het is belangrijk dat u de ziek- en betermeldingen van uw zorgverlener binnen 24 uur aan ons doorgeeft. Zo kan uw budget worden aangevuld zodat u de vervangende zorgverlener kunt betalen. Een te late melding kan financiële gevolgen voor u hebben. Werkt de zorgverlener op maximaal 3 dagen per week? Dan heeft hij/zij recht op maximaal 6 weken lang 100% loondoorbetaling bij ziekte. Werkt de zorgverlener op vier dagen per week of meer? Dan is er recht op maximaal twee jaar lang loondoorbetaling bij ziekte. De eerste 52 weken worden 100% doorbetaald, de laatste 52 weken 70%. Is de zorgverlener die ziek wordt een vervanger van de vaste zorgverlener? Dan heeft de zorgverlener recht op loondoorbetaling voor de afgesproken duur van de vervanging, tot een maximum van 6 of 104 weken volgens de hierboven genoemde regels. Met betrekking tot de opzegtermijn is overeengekomen: De budgethouder en de zorgverlener mogen de zorgovereenkomst allebei tussentijds opzeggen. Er geldt een opzegtermijn van tenminste een maand. Bij een dienstverband van meer dan vijf jaar geldt een opzegtermijn van minimaal twee maanden. Verder is opgenomen in de overeenkomst: Deze zorgovereenkomst wordt aangegaan onder een ontbindende voorwaarde, wat inhoudt dat de overeenkomst direct eindigt zonder opzegtermijn: als de budgethouder overlijdt. als de instantie die het budget verstrekt, beslist dat het recht op een budget stopt zonder toedoen van de budgethouder. De zorgverlener krijgt een eenmalige uitkering ter hoogte van een gemiddeld maandloon over de laatste drie volle kalendermaanden waarin gewerkt is. Er wordt alleen betaald voor zover er nog voldoende budget is. De eenmalige uitkering wordt ongeveer 6 weken na het overlijden van de budgethouder automatisch uitbetaald. Met betrekking tot het ‘derdenbeding’ is het volgende opgenomen: Indien het zorgkantoor/college het persoonsgebonden budget heeft ingetrokken of heeft herzien, omdat het te veel persoonsgebonden budget heeft verstrekt en dit is veroorzaakt door toerekenbaar handelen van de persoon die ten laste van het persoonsgebonden budget zorg/maatschappelijke ondersteuning/jeugdhulp levert, heeft het zorgkantoor/college een vordering op die persoon. De vordering bedraagt het bedrag gelijk aan het door de persoon, vanwege het toerekenbaar handelen, ten laste van het persoonsgebonden budget ten onrechte ontvangen bedrag. Dit beding is onherroepelijk en blijft ook na beëindiging van deze overeenkomst van kracht. 2.
- [eiser] is sinds 5 augustus 2024 ziek. Zij heeft tot 1 december 2024 nog salaris ontvangen, maar daarna niet meer. 2.
- [eiser] heeft op 4 december 2024 een e-mail ontvangen van [betrokkene] , de mentor van [rechthebbende] , waarin haar te kennen wordt gegeven dat het zorgkantoor de goedkeuring van de overeenkomst tussen haar en [rechthebbende] met terugwerkende kracht tot 1 januari 2024 heeft ingetrokken. 2.
- De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft bij brief van 23 december 2024 van [eiser] terugbetaling gevorderd van de betalingen die de SVB aan [eiser] heeft verricht. Nadat [eiser] hiertegen een bezwaarschrift heeft ingediend, heeft de SVB de vordering ingetrokken. De SVB schrijft in de brief van 14 mei 2025 dat “na zorgvuldig onderzoek is gebleken dat de betalingen die zijn verricht zijn gedaan op basis van de zorgovereenkomst en daarom niet als onverschuldigd betaald kunnen worden beschouwd.” 2.
- Op 5 juni 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] [rechthebbende] aangeschreven en verzocht om [eiser] met terugwerkende kracht ziek te melden bij de SVB en ervoor te zorgen dat het salaris en de reiskosten van juli en augustus 2024 worden betaald. Diezelfde dag heeft de gemachtigde deze brief ook aan de mentor van [rechthebbende] gestuurd. 3Het geschil 3.
- [eiser] vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de bewindvoerder veroordeelt om: [eiser] in beginsel zolang zij ziek is op te laten roepen bij de bedrijfsarts en haar aan te melden bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) als zijnde ziek, zodat de SVB de ziekmelding van [eiser] in behandeling kan nemen, op straffe van een dwangsom van € 350,00 voor iedere dag dat de bewindvoerder daarmee in gebreke blijft, en vanaf het moment dat [eiser] in staat wordt geacht te werken haar toe te laten tot haar werkplek, op straffe van een dwangsom van € 350,00 per dag. aan [eiser] op de overeengekomen tijdstippen te voldoen het verschuldigde salaris van € 1.450,00 bruto per maand inclusief 8% vakantietoeslag vanaf 1 december 2024 tot de dag waarop er een rechtsgeldig einde komt aan de arbeidsovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% als bedoeld in artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (BW). de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.225,00 te betalen. de wettelijke rente over voornoemde bedragen te betalen vanaf de dag van opeisbaarheid. de proceskosten te betalen. 3.
- Ter onderbouwing van haar vorderingen stelt [eiser] kort gezegd dat zij sinds 5 augustus 2024 ziek is, maar vanaf 1 december 2024 geen salaris meer heeft ontvangen, terwijl de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog gewoon doorloopt. [eiser] heeft [rechthebbende] en de bewindvoerder tevergeefs aangeschreven hierover. Daarom heeft zij zich genoodzaakt gezien de onderhavige gerechtelijke procedure te starten. 4De beoordeling 4.
- De dagvaarding is op de bij de wet voorgeschreven wijze betekend aan de bewindvoerder. Zij is niet verschenen in deze procedure, zodat tegen haar verstek wordt verleend. 4.
- In geval tegen een gedaagde verstek wordt verleend worden de vorderingen die niet zijn weersproken toegewezen, tenzij deze onrechtmatig of ongegrond zijn. [eiser] heeft een spoedeisend belang 4.
- De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Doordat zij geen loon ontvangt, mist zij immers al geruime tijd een relevant stuk inkomen. De bewindvoerder moet het loon doorbetalen 4.
- De kantonrechter stelt voorop dat de tussen [eiser] en [rechthebbende] gesloten overeenkomst moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW, eerste lid, maar wel één van bijzondere aard, omdat deze arbeidsovereenkomst tevens een zorgovereenkomst is. 4.
- Geconstateerd kan worden dat er ruis is ontstaan omtrent de door [eiser] aan [rechthebbende] verleende zorg en over de vraag of die zorg onder uit PGB te vergoeden zorg viel. De kantonrechter heeft echter geen aanwijzing dat de tussen [eiser] en [rechthebbende] gesloten overeenkomst niet geldig is, of opgezegd of dat er geen PGB meer is. Daarom gaat hij er voorshands van uit dat er in de arbeidsovereenkomst nog steeds een grond ligt voor de betaling van loon. De rechtsverhouding tussen [eiser] en [rechthebbende] is ongewijzigd ten opzichte van de eerdere periode (tot 1 december 2024) waarover wel loon is betaald. [rechthebbende] c.q. de bewindvoerder moet daarom het loon van [eiser] gewoon betalen. Hierbij merkt de kantonrechter op dat, zoals de gemachtigde van [eiser] tijdens de mondelinge behandeling heeft erkend, [eiser] tot 5 augustus 2025 100% van haar loon doorbetaald dient te krijgen en vanaf die datum (het tweede ziektejaar) 70% (dat is € 1.015,00 bruto per maand). De vordering onder B. zal in die zin worden toegewezen. 4.
- Op grond van artikel 7:625 BW moet de bewindvoerder de wettelijke verhoging over het te laat betaalde loon voldoen. De over het te laat betaalde salaris gevorderde wettelijke rente zal ook worden toegewezen. De bewindvoerder moet [eiser] ziekmelden bij de SVB 4.
- Wat betreft de vordering onder A. overweegt de kantonrechter dat [eiser] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat zij in eerste instantie wel ziek was gemeld bij de SVB, maar per 30 november 2024 beter gemeld is, terwijl zij op dat moment nog steeds ziek was (en dat op dit moment nog steeds is). De kantonrechter begrijpt de vordering onder A. dan ook in die zin dat [eiser] vordert om de bewindvoerder te veroordelen om aan de SVB door te geven dat [eiser] vanaf 5 augustus 2024 onafgebroken ziek is. De SVB zal vervolgens de bedrijfsarts inschakelen. Dat is niet iets wat [rechthebbende] c.q. de bewindvoerder hoeft te doen. De kantonrechter zal de vordering onder A. toewijzen met inachtneming van het voorgaande en hieraan een termijn van één week na betekening van dit vonnis verbinden. Hierbij zal de gevorderde dwangsom worden toegewezen tot een bedrag van € 50,00 per dag, met een maximum van € 1.000,
- Nu de bewindvoerder niet heeft gereageerd op berichten van de gemachtigde van [eiser] en ook niet in deze procedure is verschenen, kan er niet van worden uitgegaan dat zij dit vrijwillig zal nakomen. 4.
- Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] verklaard dat zij, indien zij op enig moment in staat wordt geacht te werken, niet terug wenst te keren op haar werkplek bij [rechthebbende] . De kantonrechter zal het deel van de vordering onder A. dat ziet op terugkeer op de werkplek daarom afwijzen bij gebrek aan belang. De bewindvoerder hoeft de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten niet te betalen 4.
- De vordering onder C. betreffende de buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat niet aan de vereisten van artikel 6:96 BW is voldaan, aangezien in de aanmaningsbrief geen termijn is gegeven voor betaling en geen concreet tarief is genoemd. De vordering onder C. zal daarom worden afgewezen. De bewindvoerder moet de proceskosten betalen 4.
- De bewindvoerder is (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 146,14 - griffierecht € 257,00 - salaris gemachtigde € 543,00 - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.081,14 5De beslissing De kantonrechter rechtdoende als voorzieningenrechter 5.
- veroordeelt de bewindvoerder q.q. om binnen één week na betekening van dit vonnis door te geven aan de Sociale Verzekeringsbank dat [eiser] vanaf 5 augustus 2024 onafgebroken ziek is, op straffe van een dwangsom van € 50,00 voor iedere dag, met een maximum van € 1.000,00, dat de bewindvoerder daarmee in gebreke blijft, 5.
- veroordeelt de bewindvoerder q.q. om aan [eiser] op de overeengekomen tijdstippen te voldoen het verschuldigde salaris: - vanaf 1 december 2024 tot 5 augustus 2024: € 1.450,00 bruto per maand (inclusief 8% vakantietoeslag) en - vanaf 5 augustus 2024 tot de dag waarop er een rechtsgeldig einde komt aan de arbeidsovereenkomst: € 1.015,00 bruto per maand (inclusief 8% vakantietoeslag), in beide gevallen te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% als bedoeld in artikel 7:625 BW en de wettelijke rente vanaf de respectievelijke vervaldata tot aan de dag van volledige betaling, 5.
- veroordeelt de bewindvoerder q.q. in de proceskosten van € 1.081,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de bewindvoerder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 23 september
- 41245 \ 560 Zie r.o. 5.
- van de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 september 2013 (ECLI:NL:GHARL:2013:6871).