← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2025:10034

RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Nijmegen Zaaknummer / rekestnummer: 11801490 \ HA VERZ 25-54 Beschikking van 23 oktober 2025 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [plaats] , verzoekende partij, verwerende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. H.R.T.M. van Ojen, tegen DUTCH DELTA GROUP B.V., T.H.O.D.N. INFRADAX OVERHEID, DUTCH DELTA PROJECTEN EN DUTCH DELTA SYSTEEMTECHNIEK, gevestigd te Nijmegen, verwerende partij, verzoekende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: DDG, gemachtigde: mr. M.J. Veenhuijzen. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift - het verweerschrift, met een voorwaardelijk zelfstandig verzoek - de producties 13 en 14 van DDG. 1.
  2. De zaak is mondeling behandeld op 9 september
  3. Verschenen zijn [verzoeker] , bijgestaan door mr. Van Ojen, en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] namens DDG, bijgestaan door mr. Veenhuijzen. Beide gemachtigden hebben pleitnotities voorgedragen en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder is besproken. De kantonrechter heeft de zaak vervolgens in overleg met partijen aangehouden tot 12 september 2025 om partijen in de gelegenheid te stellen in onderling overleg tot overeenstemming te komen. 1.
  4. Nadat partijen de kantonrechter op 12 september 2025 te kennen hebben gegeven dat zij geen overeenstemming hebben bereikt, heeft de kantonrechter bepaald dat een beschikking zal worden gegeven. 2De feiten 2.
  5. DDG is een IT-consultancybedrijf. De activiteiten van DDG behelzen het bieden van ondersteuning aan lokale overheidsorganisaties op het gebied van consultancy, technische infrastructuur en tijdelijk personeel. In totaal zijn bij DDG ongeveer 50 personen werkzaam. 2.
  6. [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] , is per 14 mei 2018 voor bepaalde tijd tot 12 oktober 2018 in dienst getreden in de functie van Manager bij de besloten vennootschap Dutch Delta Projecten B.V., rechtsvoorgangster van DDG. Zijn functie is vanaf november 2018 [functie 1] Infradax Overheid/Manager Afdeling Systeemtechniek. Het salaris van [verzoeker] voor een 40-urige werkweek bedraagt € 8.489,00 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Daarnaast ontvangt [verzoeker] een ‘vergoeding voor autokosten’ van € 1.055,55 bruto per maand. 2.
  7. Per 19 november 2020 zijn de aandelen van DDG B.V., met onderliggende B.V.'s, verkocht aan Infradax Holding B.V. en BB (Buy and Build) Capital Group B.V. [verzoeker] heeft daarbij zijn functie behouden. In deze functies was [verzoeker] belast met de [functie 1] van de afdeling Infradax Overheid en de afdeling Systeemtechniek. In verband met een vereenvoudiging van de structuur zijn per 1 november 2021 alle medewerkers van Dutch Delta Systeemtechniek B.V. en Dutch Delta Projecten B.V. overgeheveld naar DDG, onder wie ook [verzoeker] . 2.
  8. BB Capital Group B.V. heeft sinds juni 2020 een meerderheidsbelang in Infradax. Per februari 2023 heeft deze haar meerderheidsbelang aan Arcus IT Group B.V. verkocht. Investeringsmaatschappij Egeria Investments B.V. heeft thans een meerderheidsbelang in Arcus IT Group B.V. 2.
  9. Op 8 maart 2024 heeft [verzoeker] een beoordelingsgesprek met zijn leidinggevende, [functie 2] [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ). [betrokkene 3] meldt in dit gesprek dat het functioneren van [verzoeker] in 2023 niet goed is geweest. 2.
  10. Op 26 maart 2024 stuurt [betrokkene 3] een (compacte) uitwerking/samenvatting van het beoordelingsgesprek aan [verzoeker] : Zoals daar besproken kan ik niet anders dan 2023 beoordelen met een onvoldoende. Ik heb zelfs genoemd dat het echt 2 voor 12 is, aangezien we in 2024 ook weer gelijk met een under-performance t.o.v. 2024 budget zijn gestart. Derhalve heeft er ook nog geen salarisverhoging plaatsgevonden en kijken we hier naar in juli-
  11. 2023 was een jaar met veel verloop van personeel en ook Drechtsteden in het budget. Excl. Drechtsteden was de EBITDA-realisatie echter nog steeds ondermaats en zien we weinig verbetering. Met name het onvoldoende grip hebben, niet de juiste inzichten hebben, geen verbeterplannen of initiatieven zijn zeer zorgelijk. Aan de omzet kant lijkt de churn extreem, terwijl recurring juist meer voorspelbaarheid zou moeten geven. Ook is er onvoldoende zicht op new business en waarom de consultancy omzet niet op budget wordt gehaald. We hebben geen tekenen dat er werk op de plank ligt om uitgevoerd te moeten worden, of we missen dit inzicht. Einde H1 2024 dienen zichtbare resultaten behaald te zijn op deze punten. Eerste stap is meer inzichten krijgen. Dit deel pak je op met [betrokkene 4] . Zaken zoals onderstaande, dienen opgepakt en aangeleverd te worden.  Inzichten in pipeline (getekende contracten) en forecasts - 3 maanden vooruit en 2 wekelijks te rapporteren  Inzichten in bezetting, waar liggen vrije uren die we kunnen inzetten bij klanten, waar zit tekort aan mensen die omzet remt  Initiatieven voor korte termijn groei  Initiatieven rondom realisatie 2024 budget Alvast bedankt voor het oppakken van deze punten. Laten we halverwege april na de maart maandrapportage een tussentijdse update inplannen. Initatief hiervoor leg ik bij jou neer. 2.
  12. Een reactie van [verzoeker] hierop volgt op 2 april
  13. Hij schrijft onder meer: (…) We hebben op hoofdlijnen gesproken en de conclusie getrokken dat we aan beide kanten, IDO en Holding, beter moeten presteren. En als de waardering over 2023 nu onvoldoende is aan de IDO kant, geldt dat ook zeker aan de kant van de Holding. Je hebt elkaar immers nodig om de gewenste prestaties uit te voeren. Echter, we kunnen niet voorgaan om enkele punten te belichten. IDO heeft een roerig jaartje

(2023)achter de rug en daarom beschouw ik jouw gegeven onvoldoende voor het hele IDO-MT. Er liggen echter wel belangrijke punten aan ten grondslag. (…) Er valt nog veel te schrijven maar er is ook een moment dat we moeten gaan. Actie. Overall, er is werk aan de winkel om de lijn naar boven weer op te pakken. Organisatorisch en financieel. Laten we dit vooral gezamenlijk doen en elkaar stimuleren. 2.8. Op 22 mei 2024 heeft [verzoeker] een gesprek met [betrokkene 3] , in aanwezigheid van [functie 3] [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5] ). Aan [verzoeker] wordt te kennen gegeven dat onderzocht zal worden of hij wellicht nog elders in de organisatie kan worden ingezet en dat hij gedurende dat onderzoek zal zijn 'vrijgesteld van werk'. 2.9. Op 27 mei en op 3 juni 2024 heeft [verzoeker] gesprekken met [functie 4] [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6] ) over werkzaamheden die hij eventueel zou kunnen gaan verrichten. Op 5 juni 2024 wordt [verzoeker] medegedeeld dat er voor hem geen werkzaamheden binnen DDG beschikbaar zijn. 2.10. Op 10 juni 2024 vindt een gesprek plaats tussen [verzoeker] , [betrokkene 3] en [betrokkene 5] waarin laatstgenoemden aan [verzoeker] te kennen geven dat zijn dienstverband zal eindigen met een vaststellingsovereenkomst. 2.11. Bij e-mailbericht van 11 juni 2024 maakt [verzoeker] bezwaar tegen zijn ‘non-actiefstelling’ en de hele gang van zaken. Hierop reageert [betrokkene 3] op 12 juni 2024 en hij stuurt met deze reactie een vaststellingsovereenkomst. Er volgen reactie van beide partijen over en weer, waarin [verzoeker] onder meer te kennen geeft dat hij weer gewoon aan het werk wil en DDG hem vervolgens laat weten dat geen goed idee te vinden. 2.12. Op 14 juni 2024 gaat [verzoeker] naar het werk. Gebleken is dat iemand anders ( [betrokkene 7] , hierna: [betrokkene 7] ) inmiddels in zijn functie aan het werk is. Die middag neemt [verzoeker] kennis van de e-mail die [betrokkene 7] op 10 juni 2024 aan de collega’s heeft gestuurd en waarin hij schrijft: Afgelopen week ben ik begonnen bij Infradax Overheid en heb ik gelukkig al met diverse collega’s kunnen spreken en zijn de komende periode nog meer gesprekken gepland. (…) Update aangaande [verzoeker] : In de gesprekken die ik gevoerd heb is naar voren gekomen dat er behoefte is aan communicatie rondom de managementwissel. Ik dat kader kan ik melden dat er vanochtend een gesprek gevoerd is tussen [verzoeker] , [betrokkene 3] en [betrokkene 5] . In dit gesprek is aangegeven dat de positie die men voor ogen had voor [verzoeker] niet passend blijkt te zijn. De afgelopen periode is binnen de organisatie ook gekeken binnen naar andere mogelijkheden voor [verzoeker] , wat helaas niet gelukt is. Dat leidt ertoe dat samen met [verzoeker] besproken wordt hoe we op een goede manier afscheid kunnen nemen. Over de uitkomst hiervan zal ik jullie te zijner tijd uiteraard informeren. 2.13. Na thuiskomst op 14 juni 2024 meldt [verzoeker] zich ziek. 2.14. Op 20 juni 2024 heeft [verzoeker] een afspraak bij de bedrijfsarts, die concludeert dat [verzoeker] op medische gronden volledig arbeidsongeschikt is. 2.15. De gemachtigde van [verzoeker] stuurt op 28 juni 2024 een brief aan DDG. [betrokkene 3] reageert hierop bij brief d.d. 8 juli 2024. Zijn reactie komt erop neer dat het verzuimtraject zal worden gevolgd. Namens [verzoeker] wordt vervolgens nog op de brief van [betrokkene 3] gereageerd. 2.16. Op 17 juli 2024 heeft [verzoeker] een nieuwe afspraak bij de bedrijfsarts. De bedrijfsarts concludeert dat [verzoeker] nog steeds volledig arbeidsongeschikt is en adviseert partijen om augustus 2024 met mediation te starten. 2.17. In augustus 2024 starten partijen met een mediationtraject. Namens DDG neemt in eerste instantie [betrokkene 3] deel en per september 2024 wordt hij vervangen door zijn plaatsvervanger [betrokkene 8] ( [functie 2] DDG en Arcus IT Group B.V., hierna: [betrokkene 8] ). 2.18. In december 2024 wordt [verzoeker] door de bedrijfsarts in staat geacht om op therapeutische basis werkzaamheden te gaan verrichten. Op 10 december 2024 start [verzoeker] bij DDG op de locatie Amersfoort met het verrichten van passende werkzaamheden gedurende drie maal vier uur per week, dit met de bedoeling de uren verder op te bouwen. 2.19. Op 15 januari 2025 heeft [verzoeker] contact met de nieuwe Arbodienst van DDG, waarna op 16 januari 2025 een bijstelling van de probleemanalyse plaatsvindt. De Arboarts schrijft onder andere: (…) Werkhervattingsadvies : Er is sprake van een arbeidsconflict. De oorzaak van de beperkingen heeft een belangrijke werk gerelateerd component. Werkgereletaeerde knelpunten staan een optimale re-integratie in de weg. Er is een mediation traject opgestart, deze is nog niet afgerond. Werknemer werkt ten tijde van het consult 3x5 uur per week in tijdelijk aangepaste werkzaamheden. Het advies is de re-integratie vanaf 20/01/2025 verder op te bouwen naar 4x5 uur per week waarbij werknemer 3 dagen op de werklocatie werkt en 1 dag vanuit huis. Na twee weken is het advies uit te breiden met een extra werkdag vanuit huis, zodat werknemer uiteindelijk 3x5 uur per week op de werklocatie werkt en 2x5 uur per week vanuit huis. De opbouw van uren in de tijdelijk aangepaste werkzaamheden mogen vervolgens wekelijks met 1 uur/ dag opgebouwd worden, uitgaande van voldoende herstel. Tevens kan dan de werkbelasting in eigen werk worden opgebouwd. Het advies is om wekelijks de re-integratie te evalueren. Bespreek samen of de werkzaamheden en werkuren nog passend zijn. Pas zo nodig de taken aan. Op dit moment is afstemming met de behandelaar nog niet aan de orde. 2.20. Op 4 februari 2025 vindt een beoordelingsgesprek plaats met [betrokkene 8] over het eerste half jaar van 2024 (de tweede helft van het jaar was [verzoeker] immers ziek). DDG beoordeelt het functioneren van [verzoeker] over die periode als onvoldoende, waardoor er geen salarisaanpassing zal plaatsvinden per 1 januari 2025. In zijn gespreksverslag schrijft [betrokkene 8] : (…)  De beoordeling over 2024 betreft dus feitelijk het eerste half jaar, en leunt op het oordeel dat [betrokkene 3] op dat moment t.a.v. jouw functioneren had. Ik heb hier meermaals met [betrokkene 3] over gesproken, en aangevuld met een aantal zaken die tijdens jouw ziekte t.a.v. de performance van Infradax Overheid over de eerste helft van 2024 zijn geconstateerd, heb ik geen reden om aan het oordeel van [betrokkene 3] te twijfelen.  Input o.a. email [betrokkene 3] aan [verzoeker] , dd 26 maart 2024, en begeleidende brief [verzoeker] .pdf, dd 12 juni 2024 (met de daaraan onderliggende correspondentie). Concluderend : de ondermaatse prestaties, het onvoldoende in control zijn, onvoldoende planvorming en executie om resultaten te verbeteren, en competenties niet in lijn met wat van een [functie 1] verwacht zou mogen worden, vormen de onderbouwing van de beoordeling “D”.(…) 2.21. Op 10 maart 2025 stuurt [verzoeker] een uitgebreide reactie aan [functie 4] [betrokkene 9] (hierna: [betrokkene 9] ) en [functie 5] [betrokkene 10] (hierna: [betrokkene 10] ) met betrekking tot zijn functioneren. 2.22. Op 12 en 18 maart 2025 vinden gesprekken plaats tussen [verzoeker] en [betrokkene 10] en [betrokkene 9] . Indien [verzoeker] weer volledig kan werken, dan kan dat volgens DDG niet in zijn eigen functie. 2.23. Op 10 april 2025 vindt weer mediationgesprek plaats tussen partijen. 2.24. Op 23 april 2025 heeft [verzoeker] een afspraak bij de bedrijfsarts, die concludeert dat de oorzaak van de beperkingen zoals die nog steeds bij [verzoeker] bestaan een belangrijke werkgerelateerde component heeft. De prognose is dat [verzoeker] binnen vier weken zal kunnen hervatten. De bedrijfsarts schrijft onder meer: (…) Werknemer werkt ten tijde van het consult zijn volledige contracturen. Werknemer doet nog niet alle eigen werkzaamheden. Advies om de komende weken steeds meer eigen taken en verantwoordelijken heden op te pakken. (…) Het einddoel van de re-integratie is: Terugkeer naar eigen werk. 2.25. Op 28 mei 2025 meldt [verzoeker] zich ziek voor de arbeid die hij in het kader van zijn re-integratie verricht. Op 3 juni 2025 heeft hij een afspraak bij de bedrijfsarts. Deze rapporteert dat [verzoeker] volledig in het verzuim is en dat sprake is van een arbeidsconflict. De bedrijfsarts schrijft onder andere: (…) Het werkgerelateerde aspect vormt een belemmerende factor voor de re-integratie, de verwachting is dat wanneer dit knelpunt wordt opgelost, de werknemer sneller kan opbouwen naar zijn volledige werkcapaciteit. 2.26. Op zowel 3 als 26 juni 2025 schrijft de bedrijfsarts dat het einddoel van de re-integratie terugkeer in eigen werk is. 3Het verzoek en het verweer 3.1. [verzoeker] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. een dag vast te stellen waarop deze zaak ter terechtzitting wordt behandeld; II. de tussen [verzoeker] en DDG bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens de daarvoor aangevoerde omstandigheden die maken dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen; III. DDG te bevelen aan [verzoeker] te betalen: de transitievergoeding ten bedrage van € 32.115,07 (bruto), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst zal eindigen; een billijke vergoeding ten bedrage van € 500.000,00 (bruto), te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst zal eindigen; IV. DDG te veroordelen, om binnen 30 dagen na het einde van de arbeidsovereenkomst, een gebruikelijke eindafrekening op te maken van het dienstverband met [verzoeker] , waaronder in ieder geval wordt verstaan het uitbetalen van (
  1. i)de pro rata vakantietoeslag van 8% tot de datum van ontbinding en (
  2. ii)het pro rata openstaand verlofsaldo ten bedrage van € 8.039,28 (bruto), een en ander te vermeerderen met de wettelijk rente te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst zal eindigen; V. DDG te veroordelen tot betaling van de milestone-bonussen met betrekking tot 2023 en 2024 ten bedrage van totaal € 50.000,00 (bruto), te vermeerderen met de wettelijk rente te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst zal eindigen; VI. te verklaren voor recht dat DDG ex artikel 7:653 lid 4 BW geen rechten kan ontlenen aan het in de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] opgenomen non-concurrentiebeding en relatiebeding; VII. DDG te veroordelen correcte bruto/netto-specificaties aan [verzoeker] over te leggen met betrekking tot alle aan hem te betalen bedragen, dit op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat DDG in gebreke blijft hieraan te voldoen; VIII. DDG te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover ex artikel 6:119 BW, indien DDG deze kosten niet binnen 10 dagen na de beschikking heeft voldaan. 3.2. Aan het verzoek om ontbinding heeft [verzoeker] - samengevat - ten grondslag gelegd dat sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Het is voor [verzoeker] onmogelijk geworden om weer in zijn eigen functie van [functie 1] Infradax Overheid/Manager Systeemtechniek aan het werk te gaan. De arbeidsverhouding met DDG is daarvoor te zeer verstoord geraakt. Bovendien staat DDG ook niet toe dat [verzoeker] zijn werkzaamheden hervat. [verzoeker] is op oneigenlijke en niet onderbouwde gronden uit zijn functie gezet en DDG heeft daarna alleen maar aangestuurd op een zo snel mogelijke beëindiging van het dienstverband door te proberen hem een vaststellingsovereenkomst te laten tekenen. Direct nadat [verzoeker] naar huis was gestuurd is een vervanger benoemd, die aan de collega’s heeft gecommuniceerd dat [verzoeker] niet meer terug zal komen en dat zijn arbeidsovereenkomst beëindigd gaat worden. Zonder hoor en wederhoor heeft DDG vervolgens het functioneren van [verzoeker] over 2024 als onvoldoende beoordeeld en voorts weigert zij de uitbetalingen te doen van de in 2022 overeengekomen milestone-bonusregeling. Het door DDG gedane aanbod voor de nieuw te creëren functie van ‘General Manager Special Projects’ is volgens [verzoeker] niet oprecht en kan ook niet omdat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Nu sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van DDG dient zij naast de transitievergoeding ook een billijke vergoeding van € 500.000,00 aan [verzoeker] te betalen. Ook moet zij alsnog de milestone-bonussen met betrekking tot 2023 en 2024 uitbetalen. 3.3. DDG verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en verzoekt de kantonrechter bij beschikking, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. de verzoeken van [verzoeker] af te wijzen; II. te bepalen dat DDG niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten; III. indien de arbeidsovereenkomst wel wordt ontbonden, te beslissen dat aan [verzoeker] geen transitievergoeding, noch een billijke vergoeding toekomt, omdat DDG niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten, en dat de milestone-bonus niet verschuldigd is, dan wel niet het gevorderde bedrag, en de eindafrekening toe te wijzen op basis van het uurloon als genoemd in randnummer 5.1. van het verweerschrift. Voor het geval [verzoeker] zijn verzoek intrekt, verzoekt DDG de kantonrechter: IV. de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens een redelijke grond; V. bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de duur gelegen tussen de ontvangst van het verzoek en de dagtekening van de ontbinding; VI. te bepalen dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en/of heeft nagelaten en dientengevolge geen recht heeft op een transitievergoeding of andere vergoeding ten laste van DDG, noch recht heeft op een (milestone) bonus; VII. [verzoeker] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de eventueel daarover verschuldigde wettelijke rente. 3.4. DDG betwist dat sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Zij voert aan dat eerder al duidelijk was dat het functioneren van [verzoeker] onder de maat was. [verzoeker] had er volgens haar geen bezwaar tegen om te zoeken naar een andere functie binnen DDG en was daar zelfs enthousiast over. De re-integratie in een gelijkwaardige functie is verder goed verlopen en aangezien een voorwaarde voor een geslaagde re-integratie het oplossen van het arbeidsconflict was, betekent dat dat het conflict is opgelost. [verzoeker] kan volgens DDG gewoon terugkeren in de organisatie, aangezien alle personen van wie hij meent dat ze hem onheus hebben bejegend inmiddels vertrokken zijn bij DDG. DDG stelt zich op het standpunt dat zij niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Er was sprake van niet-functioneren van [verzoeker] en DDG heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen. Een billijke vergoeding is in deze omstandigheden niet aan de orde. Verder zijn de milestone-bonussen nooit overeengekomen. Als er al meer dan een discretionaire afspraak was daarover, dan zijn de daarvoor benodigde de prestatie indicatoren niet vastgesteld en niet gehaald, aldus DDG. 3.5. Ter onderbouwing van haar voorwaardelijke verzoek om ontbinding stelt DDG dat sprake is van een duurzaam verstoorde arbeidsrelatie, aangezien [verzoeker] zich totaal niet herkent in de kritiek van DDG op zijn functioneren en zelf nadrukkelijk niet terug wenst te keren bij DDG. 3.6. Indien de kantonrechter beslist tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verzoek van DDG, verzoekt [verzoeker] om DDG te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding en de vergoeding van de wettelijke rente, te bepalen dat DDG ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en nagelaten en DDG te veroordelen tot betaling van de billijke vergoeding en de wettelijke rente daarover, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, met veroordeling van DDG in de proceskosten. 4De beoordeling Van het verzoek van [verzoeker] Er is sprake van ernstig verwijtbaar handelen van DDG 4.1. Artikel 7:671c lid 1 BW bepaalt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de arbeidsovereenkomst kan ontbinden wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Aangezien sprake is van een werknemersverzoek, zijn de bijzondere opzegverboden, dus ook het opzegverbod bij ziekte, niet van toepassing. 4.2. De kantonrechter stelt voorop dat, hoewel DDG zich steeds op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is geweest van een non-actiefstelling van [verzoeker] , maar van vrijstelling van werk, [verzoeker] de facto wel degelijk op non-actief is gesteld. Toen hem op 22 mei 2024 werd verteld dat hij niet meer kon aanblijven in de functie van [functie 1] , maar DDG nog wel wilde onderzoeken of hij voor een andere functie binnen de organisatie in aanmerking zou komen, was het duidelijk niet de bedoeling dat hij nog zou komen werken. Dit blijkt ook wel uit de e-mails van begin juni 2024, het feit dat [betrokkene 7] zijn functie begin juni 2024 al had overgenomen en hetgeen daarover is gecommuniceerd binnen DDG. Dit kan niet anders worden opgevat dan dat [verzoeker] in feite op non-actief is gesteld. 4.3. De kantonrechter acht voldoende aannemelijk dat het einde van de arbeidsovereenkomst voor [verzoeker] volkomen uit de lucht is komen vallen. Nadat hem op 22 mei 2024 te kennen was gegeven dat hij niet meer kon aanblijven als [functie 1] , heeft DDG hem een paar weken later, op 10 juni 2024, te kennen gegeven dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen zou eindigen en hem ook meteen een (door DDG reeds ondertekende) vaststellingsovereenkomst aangeboden. Volgens DDG presteerde [verzoeker] al langere tijd ondermaats en is hij daarop al eerder aangesproken, maar dat blijkt niet uit de overgelegde stukken. Uit de overlegde e-mails blijkt weliswaar dat sprake was van achterlopende resultaten bij DDG en dat daarover gesproken werd binnen het MT, maar niet dat DDG aan [verzoeker] te kennen heeft gegeven dat dit het gevolg was van zijn slechte functioneren als [functie 1] . Het door DDG benoemde ‘debacle’ (Project Drechtsteden) is door de gemachtigde van [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling in detail weersproken. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft DDG het vermeende disfunctioneren van [verzoeker] onvoldoende onderbouwd. Er is slechts één echte negatieve beoordeling en dat is de beoordeling van maart 2024. Bij de tweede beoordeling, in december 2024, heeft [betrokkene 8] in feite alleen teruggegrepen op die eerste beoordeling, zodat dit geen zelfstandige beoordeling is. 4.4. DDG heeft verwezen naar een aantal e-mails uit 2022 en 2023 waaruit volgens haar zou moeten blijken dat zij al eerder bij [verzoeker] aan de bel had getrokken over zijn functioneren. DDG stelt zich op het standpunt dat [verzoeker] , mede gelet op zijn functie, zich de kritiek op de resultaten had moeten aantrekken en daarop had moeten acteren. De kantonrechter is echter van oordeel dat DDG onvoldoende duidelijk heeft gemaakt aan [verzoeker] dat hij disfunctioneerde en dat daar consequenties aan verbonden zouden worden indien hij zijn functioneren niet zou verbeteren. Dat [verzoeker] een hoge, verantwoordelijke functie heeft in de organisatie doet niets af aan de verhouding tussen DDG als werkgever en [verzoeker] als werknemer. Het ligt op de weg van een werkgever om, indien zij kritiek heeft op het functioneren van een werknemer of zelfs meent dat sprake is van disfunctioneren, dit met de werknemer te bespreken en, samen met de werknemer, met een verbeterplan te komen. Hoewel een verbetertraject vormvrij is en bij een werknemer als [verzoeker] met een hoge, verantwoordelijke functie over het algemeen anders wordt ingestoken dan bij een werknemer met een lagere, minder verantwoordelijke functie, betekent dat niet dat er geen duidelijk plan of afspraken hoeven te worden gemaakt. DDG heeft hierin haar verantwoordelijkheid als werkgever te nemen. Dit heeft zij naar het oordeel van de kantonrechter niet gedaan. Er is geen enkele poging door DDG ondernomen om een verbetertraject te starten. [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij naar aanleiding van de e-mail van [betrokkene 3] van 26 maart 2024 diverse zaken heeft opgepakt die hij in zijn e-mail van 2 april 2024 heeft genoemd. DDG heeft vervolgens volstaan met een blote betwisting daarvan. Dat vindt de kantonrechter ontoereikend. Zou het al zo zijn dat [verzoeker] onvoldoende functioneerde, dan had er in ieder geval weer een evaluatiemoment moeten zijn. DDG wijst er weliswaar op dat [betrokkene 3] [verzoeker] in de e-mail van 26 maart 2024 heeft geschreven dat in april 2024 een ‘tussentijdse update’ zal worden gepland, maar heeft het initiatief daarvoor bij [verzoeker] neergelegd. Dit acht de kantonrechter te gemakkelijk. Indien DDG van mening was dat sprake was van disfunctioneren van [verzoeker] , had zij [verzoeker] er duidelijk op moeten wijzen op welke punten het niet goed ging en hadden er concrete afspraken gemaakt moeten worden over de manier waarop [verzoeker] op korte termijn verbetering kon en moest laten zien. Vervolgens hadden op initiatief van DDG vervolggesprekken of tussentijdse evaluaties moeten plaatsvinden. Dat is allemaal niet gebeurd. DDG voert in deze procedure aan dat [verzoeker] niet bereid zou zijn geweest een verbetertraject aan te gaan, maar daarin volgt de kantonrechter haar niet. Dat [verzoeker] zijn visie heeft gegeven op de kritiek die DDG op hem had, betekent niet dat [verzoeker] afwijzend tegenover een verbetertraject had gestaan, zeker indien hem duidelijk zou zijn gemaakt dat bij onvoldoende verbetering een einde van de arbeidsovereenkomst aanstaande was. 4.5. Volgens DDG had [verzoeker] geen bezwaar tegen het zoeken naar een andere functie en was hij daar zelfs enthousiast over, maar dat ziet de kantonrechter anders. In de gegeven omstandigheden kon [verzoeker] gewoon niet anders dan meebewegen en gesprekken voeren over een eventuele andere functie. Hij was immers overvallen door de boodschap van DDG dat zij hem niet langer wenste op de functie van [functie 1] en werd op die manier als het ware gedwongen om mee te gaan in het plan van DDG. Vervolgens is slechts kort gekeken naar een andere functie (er zijn in dat kader twee gesprekken gevoerd) en heeft DDG [verzoeker] daarna meteen een vaststellingsovereenkomst aangeboden. 4.6. DDG heeft verder aangevoerd dat zij een andere, nieuwe functie voor [verzoeker] beschikbaar heeft: de functie van ‘General Manager Special Projects’. Volgens haar is [verzoeker] ook gere-integreerd in die functie, maar heeft hij op het laatste moment zijn oude functie weer opgeëist. [verzoeker] weerspreekt dit en stelt dat deze functie in een laat stadium van zijn re-integratie ineens ‘opdook’. Van een reëel en oprecht aanbod is volgens hem geen sprake. Het was en is voor [verzoeker] onduidelijk wat de functie van ‘General Manager Special Projects’ precies inhoudt, zo heeft hij verklaard. In het kader van zijn re-integratie heeft hij vooral werkzaamheden met betrekking tot debiteurenbeheer en klachtafhandeling verricht. Van re-integratie in zijn oude of een vergelijkbare functie is volgens hem geen sprake geweest. De kantonrechter overweegt als volgt. DDG heeft geen functieomschrijving overgelegd van de functie van ‘General Manager Special Projects’. Ook tijdens de mondelinge behandeling heeft zij niet goed kunnen uitleggen hoe die functie er precies uitziet. De kantonrechter acht aannemelijk dat dit eerder ook voor [verzoeker] niet duidelijk was en hij niet wist waartegen hij eventueel ‘ja’ zou zeggen. In de overgelegde documenten van de bedrijfsarts met betrekking tot de re-integratie van [verzoeker] is steeds gesproken over terugkeer in de eigen functie als einddoel. Niet gesteld is verder waarom het door DDG gestelde disfunctioneren van [verzoeker] geen belemmering is om deze functie op zich te nemen. [verzoeker] heeft onweersproken gesteld dat [betrokkene 10] daar namens DDG op 20 februari 2025 nog voor heeft getekend in het Plan van Aanpak. DDG heeft zich echter niet gehouden aan die afspraak. Zij heeft immers aan [verzoeker] te kennen gegeven dat hij niet kon terugkeren in zijn oude functie en heeft dat standpunt ook in de onderhavige procedure ingenomen. Daarnaast zijn de door [verzoeker] tijdens zijn re-integratie verrichte werkzaamheden met betrekking tot debiteurenbeheer en klachtafhandeling heel andersoortige werkzaamheden dan de werkzaamheden die tot de functie van [functie 1] behoren en bovendien van een heel ander niveau. DDG heeft weliswaar gesteld dat [verzoeker] min of meer volledig gere-integreerd was op een functie op zijn eigen niveau, maar [verzoeker] heeft dat weersproken en uit de overgelegde verslagen van de bedrijfsarts blijkt dat niet. 4.7. De kantonrechter weegt tot slot mee dat uit de e-mail die [betrokkene 7] in juni 2024 aan de collega’s heeft gestuurd volgt dat met de rest van de organisatie al meer was gecommuniceerd over het vertrek van [verzoeker] dan met hemzelf. Ook dit handelen valt DDG te verwijten. 4.8. Alle hiervoor genoemde omstandigheden in samenhang bezien, is de kantonrechter van oordeel dat DDG ernstig verwijtbaar heeft gehandeld jegens [verzoeker] en dat dit handelen heeft geleid tot een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Een terugkeer van [verzoeker] bij DDG is in de gegeven omstandigheden niet aan de orde. De kantonrechter is van oordeel dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd te eindigen en is daarom voornemens het verzoek van [verzoeker] om ontbinding toe te wijzen en wel per 1 december 2025. 4.9. Nu, zoals hierna zal blijken, de door DDG aan [verzoeker] te betalen billijke vergoeding op een lager bedrag wordt vastgesteld dan [verzoeker] heeft verzocht, zal de kantonrechter [verzoeker] op de in het dictum te vermelden wijze in de gelegenheid stellen zijn verzoek om ontbinding in te trekken. DDG moet de transitievergoeding aan [verzoeker] betalen 4.10. Wanneer een arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer wordt ontbonden wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever dan is de werkgever op grond van artikel 7:673 lid 1 aanhef en sub b onder 2 BW een transitievergoeding verschuldigd. Ten aanzien van het daarvoor in aanmerking te nemen loon overweegt de kantonrechter het volgende. 4.11. Vast staat dat het basissalaris van [verzoeker] € 8.489,00 bruto per maand bedraagt, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Partijen discussiëren over de vraag of het bedrag van € 1.055,55 bruto per maand aan ‘vergoeding voor autokosten’ tot het loon behoort. [verzoeker] stelt dat dit het geval is, terwijl DDG dat betwist. De kantonrechter is van oordeel dat, hoewel het bedrag gelabeld is, sprake is van een bedrag waarover [verzoeker] vrijelijk kan beschikken. Dit laatste is immers niet gemotiveerd weersproken door DDG. Dit bedrag behoort dan ook wel degelijk tot het loon als bedoeld in artikel 2 van het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding (hierna: het Besluit). 4.12. [verzoeker] stelt dat twee soorten bonussen (de reguliere bonus en de zogenoemde ‘milestone’-bonus) moeten worden meegenomen in het te berekenen loon voor de transitievergoeding. Hij heeft berekend dat zijn gemiddelde reguliere bonus over de jaren 2022 tot en met 2024 € 747,91 bruto per maand bedraagt. De milestone-bonus bedraagt gemiddeld € 2.083,33 bruto per maand, berekend over de jaren 2022 tot en met 2024. Volgens [verzoeker] heeft de koper van DDG (BB Capital Investments B.V.) bij de verkoop van DDG in november 2020 aan [functie 2] [betrokkene 3] de opdracht gegeven een participatiepremie te regelen voor het zittende management, te weten [betrokkene 11] , [betrokkene 12] en [verzoeker] . De bonus was enerzijds bedoeld als dank voor de inzet die deze MT-leden hadden getoond bij (de voorbereiding van) de verkoop van DDG en anderzijds om hen voor de komende jaren aan DDG te blijven binden, zodat zij nog hun bijdrage zouden kunnen leveren aan de verdere ontwikkeling van DDG. Bovendien zouden [verzoeker] , [betrokkene 11] en [betrokkene 12] aanvankelijk gezamenlijk de aandelen van DDG overnemen, waartoe vele gesprekken en onderzoeken hadden plaatsgevonden en ook aanbiedingen waren gedaan, aldus [verzoeker] . In augustus 2022 zijn de eerste twee milestone-bonussen van in totaal € 25.000,00 uitgekeerd, in augustus 2023 een milestone-bonus van € 15.000,00 en in december 2023 € 10.000,00. Daarna heeft geen uitbetaling van enige milestone-bonus meer plaatsgevonden, aldus [verzoeker] . Volgens DDG is in het geheel geen sprake van contractuele bonussen. Weliswaar was afgesproken dat er een (milestone-)bonusregeling moest komen, maar dat plan is vervolgens niet uitgewerkt. Het was aan [verzoeker] geweest om actief aan te kaarten dat doelen geformuleerd moesten worden. Nu dat niet is gebeurd, kan niet worden beoordeeld of aan de doelstellingen is voldaan, aldus DDG. De uitkering in 2022 is volgens haar op basis van een discretionaire bevoegdheid gedaan. En als er al meer dan een discretionaire afspraak was, dan zijn de daarvoor benodigde prestatie indicatoren, gelet op de slechte resultaten van de onderneming, niet gehaald de afgelopen jaren. Er moet volgens DDG dan ook geen rekening worden gehouden met enige (milestone-)bonus bij het berekenen van de transitievergoeding. 4.13. De kantonrechter overweegt dat voor het meenemen van een bonus voor het loon bij het berekenen van de transitievergoeding vereist is dat deze bonus overeengekomen is. [verzoeker] heeft gesteld dat er vroeger (vóór alle overnames) een bonusplan was. Dit heeft DDG niet gemotiveerd betwist en het volgt ook uit de overgelegde e-mail van 20 december 2021 van [betrokkene 3] aan [verzoeker] , waarin [betrokkene 3] schrijft: “Afgesproken is om voor elk jaar een zachte en harde KPI/mile stone-bonus vast te leggen, naast het reguliere bonusplan voor het Infradax Overheid MT (onderstreping kantonrechter).” Nu de bedragen concreet zijn genoemd door [verzoeker] (€ 19.425,00 in 2022 en € 7.500,00 in 2023), acht de kantonrechter voldoende aannemelijk dat bonussen zijn overeengekomen en ook aan [verzoeker] zijn uitbetaald. Voor de berekening van de transitievergoeding moet de gemiddelde bonus die [verzoeker] heeft ontvangen over de jaren 2022 tot en met 2024 bij het loon worden opgeteld. De kantonrechter gaat dan ook uit van een gemiddelde (reguliere) bonus zoals [verzoeker] heeft berekend van € 747,91 bruto per maand (totaal van € 26.925,00 / 36 maanden). 4.14. Wat betreft de milestone-bonussen overweegt de kantonrechter als volgt. Een schriftelijke overeenkomst waaruit duidelijk blijkt wat [verzoeker] met (de rechtsvoorganger van) DDG is overeengekomen ten aanzien van de milestone-bonussen is er niet. Wel heeft [verzoeker] een e-mail in het geding gebracht van 20 december 2021 waarin [betrokkene 3] aan [verzoeker] schrijft: Als het goed is ligt onderstaande in lijn zoals besproken tijdens onze laatste meeting. De eerste 2 milestones moeten ZSM in een tekenbaar bonusplan. Echter lijkt het mij wel wenselijk dat we eerste de komende dagen m.b.t. Interlincq afwachten i.v.m. vaststellen van mile stone 2. BESPROKEN: Afgesproken is om voor elk jaar een zachte en harde KPI/mile stone-bonus vast te legen, naast het reguliere bonusplan voor het Infradax Overheid MT. Opzet en tijdlijnen hiervoor is te zien in onderstaand schema. Deze KPIs dienen goed te behalen doelen te zijn, welke voornamelijk gericht zijn op integratie met de gehele groep en eventuele toekomstige acquisities. Deze doelen worden in samenspraak met MT Infradax Overheid jaarlijks afgestemd en vastgelegd in een separaat bonusplan Infradax Overheid MT bestaat uit [verzoeker] , [betrokkene 11] en [betrokkene 12] . MS 2 voor target afronding juli-22 wordt gefinaliseerd na bevestiging van succesvolle overname Interlincq, maar niet later dan feb-22. Mocht overname dan niet zijn afgerond, zal er gezamenlijk een ander KPI bepaald worden voor MS 1. Tijdslijn voor afronding blijft ongewijzigd. (…) Uit het onder deze tekst in opgenomen schema blijkt dat deze bonusregeling voor de jaren 2021, 2022, 2023 en 2024 voorziet in een jaarlijkse bonus van in totaal steeds € 25.000,00, gerelateerd aan acht (gemakkelijk) te behalen doelstellingen (KPI’s). [verzoeker] heeft een aantal bruto/netto specificaties in het geding gebracht waaruit betalingen volgen van de eerste vier milestone-bonussen (€ 25.000,00 in augustus 2022, € 15.000,00 in augustus 2023 en € 10.000,00 in december 2023). Hoewel onduidelijk is of de daarvoor benodigde doelstellingen zijn behaald, betreffen de bonussen een tegenprestatie voor het werk dat [verzoeker] voor DDG uitvoerde en zijn er ook daadwerkelijk milestone-bonussen over twee jaar uitgekeerd. DDG heeft verklaard dat zij geen achterliggende documentatie heeft waaruit blijkt dat de bedragen zijn betaald, maar daaraan wordt voorbijgegaan gelet op de door [verzoeker] overgelegde bruto/netto specificaties. In de gegeven omstandigheden acht de kantonrechter voldoende aannemelijk dat de milestone-bonussen zijn overeengekomen. Daarom zullen deze ook worden meegenomen bij het berekenen van de transitievergoeding. De milestone-bonussen bedroegen € 25.000,00 per jaar. Dat deze over de jaren 2023 en 2024 niet zijn uitbetaald, betekent niet dat daarmee geen rekening moet worden gehouden bij het berekenen van de transitievergoeding. Het is immers wel overeengekomen. De kantonrechter gaat daarom uit van een gemiddelde milestone-bonus van € 2.083,33 bruto per maand (€ 75.000 / 36 maanden). 4.15. Op basis van voorgaande overwegingen stelt de kantonrechter het voor de transitievergoeding te hanteren loon vast op € 13.054,91 bruto per maand (€ 8.489,00 aan basisloon + 8% vakantietoeslag + € 1.055,55 aan vergoeding voor autokosten + € 747,91 aan reguliere bonus + € 2.083,33 aan milestone-bonus). DDG zal op basis hiervan een transitievergoeding van € 32.115,07 bruto aan [verzoeker] moeten betalen, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente als verzocht. De kantonrechter zal haar daartoe veroordelen. DDG moet een billijke vergoeding aan [verzoeker] betalen 4.16. Wanneer een arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer wordt ontbonden wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever dan kan op grond van artikel 7:671c lid 2 sub b BW een billijke vergoeding worden toegekend aan de werknemer. 4.17. De hoogte van de billijke vergoeding dient aan de hand van de in het New Hairstyle arrest van de Hoge Raad geformuleerde gezichtspunten te worden begroot. De vergoeding dient aan te sluiten bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer de mate van verwijtbaarheid van de werkgever, de lengte van het dienstverband en de verwachte duur van de arbeidsovereenkomst en de hiermee samenhangende ‘waarde van de arbeidsovereenkomst’ een rol. Verder dient ook rekening te worden gehouden met de gevolgen van het ontslag en de vraag of de werknemer aanspraak heeft op een transitievergoeding. Bij het vaststellen van de billijke vergoeding gaat het er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen. 4.18. Ter onderbouwing van de door hem verzochte billijke vergoeding stelt [verzoeker] dat, indien DDG niet ernstig verwijtbaar had gehandeld en de arbeidsovereenkomst nog zou voortbestaan, hij nog tot zijn pensioengerechtigde leeftijd (nog 6 jaar) in dienst zou zijn gebleven, aangezien hij altijd goed heeft gefunctioneerd. [verzoeker] heeft berekend dat hij tot aan zijn pensionering (19 mei 2030) nog een bedrag van € 609.807,49 (bruto) aan loon zou hebben ontvangen. Hij verwacht nu niet meer aan het werk te komen tot zijn AOW-gerechtigde leeftijd vanwege zijn lastige positie op de arbeidsmarkt vanwege zijn leeftijd, het feit dat hij ziek is geworden door toedoen van DDG, de reputatieschade die hij heeft geleden en de omstandigheid dat hij inmiddels al geruime tijd uit het reguliere arbeidsproces is. Rekening houdende met een WW-uitkering stelt [verzoeker] zijn inkomensverlies op een bedrag van € 417.443,97 bruto. Hierbij komt volgens hem een bedrag aan pensioenschade van € 86.129,14. Zijn totale inkomensschade komt daarmee neer op een bedrag van € 471.458,04 bruto. Rekening houdende met de omstandigheden van het geval, waaronder de opstelling van DDG, verzoekt hij een billijke vergoeding van € 500.000,00. 4.19. DDG maakt bezwaar tegen de hoogte van de verzochte vergoeding. Volgens haar zou de arbeidsrelatie tussen partijen sowieso niet lang meer hebben geduurd gelet op het slechte functioneren van [verzoeker] . En als [verzoeker] ziek was gebleven en het 2e spoor zou zijn gevolgd, dan zou hij bovendien na 104 weken uit dienst zijn gegaan. Vanwege de krappe arbeidsmarkt vindt DDG het ongeloofwaardig dat [verzoeker] niet meer aan het werk komt. Als er al een billijke vergoeding wordt toegewezen, dan moet daarbij geen rekening worden gehouden met de bonussen en ook klopt de berekening van [verzoeker] met betrekking tot zijn pensioenschade niet, aldus DDG. 4.20. De kantonrechter neemt bij het vaststellen van de billijke vergoeding in aanmerking dat DDG ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door [verzoeker] te overvallen met haar conclusie dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden beëindigd en hem meteen op non-actief te stellen. Zij heeft [verzoeker] onvoldoende duidelijk gemaakt dat sprake is van ondermaats functioneren en heeft bovendien geen verbetertraject gestart. Dat DDG een reëel aanbod voor terugkeer in een andere, vergelijkbare functie heeft gedaan, toen zijn oude functie door toedoen van DDG niet meer beschikbaar was, is niet gebleken. De kantonrechter acht het DDG ook te verwijten dat zij al eerder heeft gecommuniceerd met de collega’s over het vertrek van [verzoeker] dan met [verzoeker] zelf. 4.21. Voor zover het om het begroten van de component inkomensschade gaat, zal de huidige situatie van [verzoeker] worden vergeleken met de hypothetische situatie dat geen sprake zou zijn geweest van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van DDG. In dat verband moet niet alleen ingeschat worden hoe lang de arbeidsovereenkomst naar verwachting zou hebben voortgeduurd als DDG niet ernstig verwijtbaar zou hebben gehandeld, maar ook of en, zo ja, op welke termijn, [verzoeker] in staat geacht moet worden andere inkomsten te verwerven en, zo ja, tot welk bedrag. Bij de begroting van de inkomensschade wordt ook mogelijke pensioenschade betrokken. 4.22. Aan een werknemer met een hoge, leidinggevende functie als [verzoeker] mogen hoge eisen worden gesteld en DDG moet als werkgever ook een bepaalde vrijheid hebben om MT-leden te kiezen die passen bij de visie die zij bij de onderneming heeft. Gelet op de kritiek die zij heeft op [verzoeker] is het denkbaar dat na een kort verbetertraject de arbeidsovereenkomst alsnog zou zijn ontbonden door de rechter vanwege disfunctioneren. Verder gaat de kantonrechter ervan uit dat [verzoeker] wel degelijk nog ander werk kan vinden voordat hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, mede gelet op de huidige krapte op de arbeidsmarkt, de functie die [verzoeker] vóór zijn ziekmelding heeft bekleed en zijn ervaring. [verzoeker] is op dit moment weliswaar arbeidsongeschikt, maar duidelijk is dat het arbeidsconflict met DDG hieraan ten grondslag ligt. Ook neemt de kantonrechter mee in zijn overweging dat [verzoeker] naar eigen zeggen altijd goed heeft gefunctioneerd. Niet valt in te zien waarom hij nu nog zes jaar zonder werk zou blijven zitten. De kantonrechter gaat ervan uit dat [verzoeker] na de einddatum van 1 december 2025 nog enige tijd nodig heeft om volledig te herstellen en elders een min of meer gelijkwaardige baan te vinden. De kantonrechter schat deze periode op circa één jaar. De kantonrechter zal de inkomensderving van [verzoeker] over die periode van een jaar bij wijze van billijke vergoeding toekennen. Rekening houdende met het maandinkomen van [verzoeker] als berekend onder 4.15. van € 13.054,91 bruto is dat voor een jaar een bedrag van € 156.658,92 bruto. De WW-uitkering die hij zal ontvangen strekt hierop in mindering. [verzoeker] heeft deze onbetwist berekend op € 106.433,54 bruto voor twee jaar, wat neerkomt op € 53.216,77 bruto voor één jaar. Hiermee stelt de kantonrechter de inkomensderving vast op (afgerond) € 103.442,00 bruto (€ 156.658,92 - € 53.216,77). 4.23. Voor wat betreft de in aanmerking te nemen pensioenschade zijn verschillende berekeningsmethoden denkbaar. De kantonrechter acht het redelijk om in dit geval rekening te houden met het bedrag dat DDG nu maandelijks inlegt aan werkgeversdeel pensioenpremie van € 595,02. Voor de periode van één jaar komt dat neer op een bedrag van (afgerond) € 7.140,00. 4.24. De kantonrechter zal, de door [verzoeker] zelf gehanteerde methodiek volgend, de transitievergoeding in mindering brengen op de billijke vergoeding. 4.25. Dit betekent dat de kantonrechter de billijke vergoeding vaststelt op een bedrag van (afgerond) € 78.467,00 (€ 103.442,00 + € 7.140,00 - € 32.115,07). DDG zal worden veroordeeld dat bedrag aan [verzoeker] te betalen. De eindafrekening 4.26. Na het einde van de arbeidsovereenkomst moet DDG binnen een maand een eindafrekening opmaken en betalen aan [verzoeker] . Het hierop gerichte verzoek van [verzoeker] zal daarom worden toegewezen. DDG heeft erop gewezen dat [verzoeker] bij de verlofuren heeft gerekend met een verkeerd uurloon, maar zij heeft geen rekening gehouden met de over de verlofuren te berekenen vakantietoeslag. Op basis van de overgelegde salarisspecificatie gaat de kantonrechter uit van een bruto uurloon van € 48,98. Vermeerderen met 8% vakantietoeslag is dat € 52,89 bruto per uur. Rekening houdende met het door [verzoeker] onweersproken gesteld aantal resterende verlofuren van 152 komt dat neer op een bedrag van € 8.039,28 bruto. Dat bedrag dient DDG nog aan [verzoeker] te betalen, naast de pro rata vakantietoeslag van 8% tot de datum van ontbinding (1 december 2025), te vermeerderen met de eventueel daarover verschuldigde wettelijke rente als verzocht. De kantonrechter zal DDG hiertoe veroordelen. 4.27. Zoals hiervoor reeds is geoordeeld zijn partijen overeengekomen dat over de jaren 2021 tot en met 2024 milestone-bonussen betaald zouden worden aan [verzoeker] . Deze bonussen zijn over de jaren 2023 en 2024 nog niet uitgekeerd. DDG is hiertoe wel gehouden en zal worden veroordeeld tot betaling van die bonussen van in totaal € 50.000,00 (2 x € 25.000,00), zoals [verzoeker] heeft verzocht, te vermeerderen met de eventueel daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst zal eindigen. De kantonrechter begrijpt het verzoek van [verzoeker] aldus dat, ook indien hij zijn verzoek om ontbinding zou intrekken, hij alsnog verzoekt DDG te veroordelen tot betaling van de milestone-bonussen. De kantonrechter zal aldus beslissen, met dien verstande dat de ingangsdatum voor de eventueel daarover verschuldigde wettelijke rente alsdan wordt bepaald op de vijftiende dag na betekening van deze beschikking. 4.28. DDG dient over de door haar uit te betalen bedragen correcte bruto/netto-specificaties aan [verzoeker] over te leggen. Het daarop gerichte verzoek van [verzoeker] zal worden toegewezen. De kantonrechter ziet geen reden om aan deze veroordeling een dwangsom te verbinden zoals [verzoeker] heeft verzocht, omdat hij ervan uitgaat dat DDG zal handelen conform de beslissing in deze beschikking. Concurrentie- en relatiebeding 4.29. Omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van DDG kan DDG op grond van artikel 7:653 lid 4 BW geen rechten ontlenen aan de tussen partijen overeengekomen concurrentie- en relatie bedingen. De kantonrechter zal de hierop door [verzoeker] gerichte verklaring voor recht daarom toewijzen. Van het voorwaardelijke tegenverzoek van DDG De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden 4.30. Voor het geval [verzoeker] zijn verzoek om ontbinding intrekt, zal de kantonrechter thans het voorwaardelijke tegenverzoek om ontbinding van DDG beoordelen. 4.31. Uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat een arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden als daarvoor een redelijke grond is, in de zin lid 3 van voornoemd artikel, en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is, of niet in de rede ligt. 4.32. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor in 4.2. tot en met 4.8. is overwogen in het kader van het verzoek om ontbinding door [verzoeker] stelt de kantonrechter vast dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW, zodanig dat van DDG in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Herplaatsing ligt in de gegeven omstandigheden niet in de rede. 4.33. Nu de verstoorde arbeidsrelatie een voldragen ontbindingsgrond oplevert, moet thans wel (in tegenstelling tot bij het verzoek om ontbinding van [verzoeker] ) beoordeeld worden of het opzegverbod tijdens ziekte niet aan de ontbinding in de weg staat. De kantonrechter is van oordeel dat, anders dan [verzoeker] heeft aangevoerd, van een verband geen sprake is, omdat sprake is van een arbeidsconflict en zogenoemde ‘situatieve arbeidsongeschiktheid’. Dat betekent dat, indien de arbeidsongeschiktheid wegens ziekte van [verzoeker] wordt weggedacht, er een voldragen ontbindingsgrond is. Het door [verzoeker] gedane beroep op het opzegverbod wordt dan ook gepasseerd en de kantonrechter zal de ontbinding op verzoek van DDG uitspreken indien [verzoeker] zijn verzoek om ontbinding intrekt. Rekening houdende met de opzegtermijn en de proceduretijd komt de kantonrechter ook in dat geval uit op een ontbindingsdatum van 1 december 2025. 4.34. Nu, zoals hierna zal blijken, DDG aan [verzoeker] een billijke vergoeding moet betalen, zal de kantonrechter DDG op de in het dictum te vermelden wijze in de gelegenheid stellen haar verzoek om ontbinding in te trekken. Er is sprake van ernstig verwijtbaar handelen van DDG 4.35. Het door [verzoeker] gedane verzoek om, indien tot ontbinding op verzoek van DDG wordt overgegaan, de transitievergoeding en een billijke vergoeding aan hem toe te kennen, zal worden toegewezen. Geoordeeld is immers dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van DDG. Voor wat betreft de hoogte van deze vergoedingen verwijst de kantonrechter naar hetgeen daarover bij de beoordeling van het verzoek van [verzoeker] in 4.11. tot en met 4.25. is overwogen. [verzoeker] heeft niet verzocht in dat geval ook zijn verzoek met betrekking tot de eindafrekening toe te wijzen. Het ligt uiteraard ook in dat geval in de rede dat een correctie eindafrekening wordt opgemaakt. 4.36. Dit betekent verder dat de kantonrechter het verzoek van DDG om te bepalen dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en/of heeft nagelaten en dientengevolge geen recht heeft op een transitievergoeding of andere vergoeding ten laste van DDG, noch recht heeft op een (milestone) bonus, zal afwijzen. Van het verzoek en het voorwaardelijke tegenverzoek DDG moet de proceskosten betalen 4.37. DDG moet in alle gevallen de proceskosten betalen, omdat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en (grotendeels) in het ongelijk wordt gesteld. Deze kosten worden op basis van de Aanbeveling schikking en proceskosten Wwz nader vastgesteld op € 90,00 aan griffierecht en € 1.086,00 aan salaris voor de gemachtigde. De nakosten worden vastgesteld op een half salarispunt van het toegewezen salaris met een maximum van € 135,00, te vermeerderen, indien betekening van de beschikking heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van de beschikking. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad 4.38. Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 5De beslissing De kantonrechter Op het verzoek van [verzoeker] en het voorwaardelijke tegenverzoek van DDG 5.1. bepaalt dat de termijn waarbinnen [verzoeker] zijn verzoek om ontbinding kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier van deze rechtbank onder vermelding van bovengenoemd zaaknummer met gelijktijdige toezending van een kopie aan de gemachtigde van DDG) zal lopen tot en met 30 oktober 2025, als [verzoeker] zijn verzoek om ontbinding niet uiterlijk op 30 oktober 2025 intrekt: 5.2. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 december 2025, 5.3. veroordeelt DDG om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 32.115,07 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst zal eindigen tot aan de dag van algehele voldoening, 5.4. veroordeelt DDG om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 78.467,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst zal eindigen tot aan de dag van algehele voldoening; 5.5. veroordeelt DDG om binnen 30 dagen na het einde van de arbeidsovereenkomst, een gebruikelijke eindafrekening op te maken van het dienstverband met [verzoeker] , waaronder in ieder geval wordt verstaan het uitbetalen van:
  3. i)de pro rata vakantietoeslag van 8% tot de datum van ontbinding
  4. ii)het pro rata openstaand verlofsaldo ten bedrage van € 8.039,28 (bruto) en iii) de milestone-bonussen over 2023 en 2024 van in totaal € 50.000,00, een en ander te vermeerderen met de wettelijk rente te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst zal eindigen tot aan de dag van algehele voldoening, 5.6. veroordeelt DDG correcte bruto/netto-specificaties aan [verzoeker] over te leggen met betrekking tot alle aan hem te betalen bedragen, 5.7. verklaart voor recht dat DDG ex artikel 7:653 lid 4 BW geen rechten kan ontlenen aan het in de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst opgenomen non-concurrentiebeding en relatiebeding, als [verzoeker] zijn verzoek om ontbinding binnen die termijn intrekt: 5.8. veroordeelt DDG om aan [verzoeker] de niet uitbetaalde milestone-bonussen over 2023 en 2024 van in totaal € 50.000,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijk rente te rekenen vanaf de vijftiende dag na de datum van betekening van deze beschikking tot aan de dag van algehele voldoening, onder overlegging van een correcte bruto/netto specificatie, 5.9. bepaalt dat de termijn waarbinnen DDG haar verzoek om ontbinding kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier van deze rechtbank onder vermelding van bovengenoemd zaaknummer en met gelijktijdige toezending van een kopie aan de gemachtigde van [verzoeker] ,) zal lopen tot en met 6 november 2025, als [verzoeker] zijn verzoek om ontbinding intrekt en DDG haar verzoek om ontbinding niet uiterlijk op 6 november 2025 intrekt: 5.10. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 december 2025, 5.11. veroordeelt DDG om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 32.115,07 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst zal eindigen tot aan de dag van algehele voldoening, 5.12. veroordeelt DDG om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 78.467,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst zal eindigen tot aan de dag van algehele voldoening, 5.13. veroordeelt DDG om aan [verzoeker] de milestone-bonussen over 2023 en 2024 van in totaal € 50.000,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijk rente te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst zal eindigen tot aan de dag van algehele voldoening, als beide partijen hun verzoeken om ontbinding intrekken: 5.14. veroordeelt DDG om aan [verzoeker] de niet uitbetaalde milestone-bonussen over 2023 en 2024 van in totaal € 50.000,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijk rente te rekenen vanaf de vijftiende dag na de datum van betekening van deze beschikking tot aan de dag van algehele voldoening, onder overlegging van een correcte bruto/netto specificatie, in alle gevallen: 5.15. veroordeelt DDG in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [verzoeker] vastgesteld op € 90,00 aan griffierecht en € 1.086,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 135,00 aan kosten die na deze beschikking zullen ontstaan, te vermeerderen, indien betekening van de beschikking heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van de beschikking, 5.16. verklaart deze beschikking, met uitzondering van de in 5.7. gegeven verklaring voor recht, uitvoerbaar bij voorraad, 5.17. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2025. !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! 41245 \ 560 Op grond van artikel 7:686a lid 7 BW. Dit volgt uit artikel 3 lid 1 onder c Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding. Zie ook de uitspraak van de CRvB van 24 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1011. HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187. Artikel 7:671b lid 2 en lid 6 BW. Zie de conclusie van AG De Bock van 20 januari 2023, ECLI:NL:PHR:2023:92. Op grond van artikel 7:686a lid 6 BW.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.