RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummers: 05/009719-25; 05/153754-25 (gev. ttz); 05/069708-23 (tul) en 05/247691-24 (tul) Datum uitspraak : 25 november 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2006 in [geboorteplaats] (Syrië), op dit moment gedetineerd in de P.I. [P.I.] . Raadsman: mr. K. Karapetyan, advocaat in Hengelo. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: parketnummer 05/009719-25 1. hij op of omstreeks 26 maart 2024 te Arnhem door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten- het brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 1] en/of- het betasten van de borsten van die [slachtoffer 1] , waarbij dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of met die andere feitelijkheid er in heeft/hebben bestaan dat verdachte- er bij die (voor hem onbekende) [slachtoffer 1] op heeft aangedrongen dat zij met hem mee ging, ondanks dat zij (meermaals) aangaf dat zij dit niet wilde en/of- (vervolgens) die [slachtoffer 1] heeft meegetrokken/meegenomen in een toilethokje en/of de deur van dat toilethokje op slot heeft gedaan en/of- voornoemde seksuele handelingen onverhoeds heeft verricht en/of die [slachtoffer 1] hiermee heeft overrompeld en/of- zich opdringerig en/of dwingend en/of dominant heeft opgesteld ten opzichte van die [slachtoffer 1] en/of- (meermaals) voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer 1] en/of- (hierdoor) een zodanig bedreigende en/of beangstigende situatie heeft gecreëerd dat die [slachtoffer 1] zich niet aan bovengenoemde seksuele handelingen kon en/of durfde te onttrekken; 2. hij op of omstreeks 26 maart 2024 te Arnhem door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het betasten van de heupen en/of de billen van die [slachtoffer 2] , waarbij dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of met die andere feitelijkheid er in heeft/hebben bestaan dat verdachte- voornoemde ontuchtige handelingen onverhoeds heeft verricht en/of die [slachtoffer 2] hiermee heeft overrompeld en/of- (meermaals) voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer 2] ; parketnummer 05/153754-25 1. hij op of omstreeks 18 mei 2025 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 3] , een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het brengen van zijn/de penis in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer 3] en/of- het brengen van zijn/de tong tussen en/of over de schaamlippen van die [slachtoffer 3] en/of- het betasten van de borsten en/of de billen van die [slachtoffer 3] en/of- het kussen van de nek/hals van die [slachtoffer 3] ; 2.hij op of omstreeks 18 mei 2025 te Arnhem, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 4] , een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het brengen van zijn penis in de vagina en/of in de mond van die [slachtoffer 4] ; 3.hij op of omstreeks 18 mei 2025 te Arnhem, een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken, te weten [slachtoffer 4] , heeft verspreid en/of heeft aangeboden en/of heeft vervaardigd en/of in bezit heeft gehad, te weten een of meerdere video’s waarop te zien is dat hij, verdachte, althans een man, zijn penis in de mond van die [slachtoffer 4] brengt (te weten de video’s zoals omschreven in PV 20250606.1302 op pagina 199 van het einddossier). 2Overwegingen ten aanzien van het bewijs parketnummer 05/009719-25 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 1. Het subjectieve bestanddeel ‘ernstige reden om te vermoeden dat de wil ontbreekt’ in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) kan niet worden bewezen. Ook ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Het dossier biedt onvoldoende bewijs voor het betasten van de billen van aangeefster. Beoordeling door de rechtbank Feit 1 – aangeefster [slachtoffer 1] Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij op 26 maart 2024 is lastiggevallen door een onbekende jongen. [naam 1] , de vriend van die onbekende jongen, kende ze wel. De onbekende jongen probeerde haar op de trap voor het Centraal Station Arnhem de hele tijd te zoenen. [slachtoffer 1] heeft de hele tijd “nee” en/of “ik wil niet” gezegd. Hij heeft haar één keer op haar mond gezoend. [slachtoffer 1] heeft toen haar hoofd weggedraaid. De jongens vroegen aan haar of ze mee wilde komen. Ze zeiden: “Kom mee.” enzo, “Kom nou.”. [naam 1] heeft toen voorgesteld om naar de McDonald’s te gaan om iets te eten te halen. [slachtoffer 1] heeft “nee!” gezegd. Ze is vervolgens bij de arm gepakt en toch meegenomen. Ze is meegetrokken naar de McDonald’s. Bij de McDonald’s zijn ze rechtstreeks naar de vrouwentoiletten gegaan. [naam 1] bleef buiten de wc staan. De onbekende jongen heeft de deur van de wc op slot gedaan. Hij heeft [slachtoffer 1] tegen de muur gezet en haar uitgekleed. Hij heeft op een ruige manier seks met haar gehad. Hij heeft haar heel vaak geslagen. [slachtoffer 1] is een keer op de grond gevallen, maar de jongen ging gewoon weer door. Hij is met zijn piemel in haar vagina geweest en heeft haar borsten aangeraakt. [slachtoffer 1] is ook op haar bil geslagen. Verdachte heeft bekend dat hij in de wc van de McDonald’s seks heeft gehad met een meisje. Hij heeft haar vlak daarvoor ontmoet voor het centraal station. Zijn vriend heeft toen voorgesteld om iets te gaan drinken bij de McDonald’s. Het meisje heeft toen nee gezegd. Ze zijn (met z’n drieën) naar de McDonald’s gegaan en zijn meteen naar de wc gelopen. Verdachte deed de deur van de wc op slot en het meisje en hij hebben in de wc onbeschermde seks gehad. Hij is met zijn penis in haar vagina geweest. Zijn vriend zat buiten de wc te wachten. Volgens verdachte is sprake geweest van vrijwillige seks. Op grond van de hiervoor weergegeven verklaringen van [slachtoffer 1] en verdachte stelt de rechtbank vast dat verdachte op 26 maart 2024 in de wc van de McDonald’s in Arnhem seksuele handelingen heeft verricht met [slachtoffer 1] , en dat die handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. Op grond van de verklaring van [slachtoffer 1] stelt de rechtbank ook vast dat verdachte [slachtoffer 1] tot deze seks heeft gedwongen. De verklaring van [slachtoffer 1] wijkt in zoverre af van hetgeen verdachte bij de politie en op de zitting heeft verklaard. Hij heeft immers verklaard dat de seks en de aanrakingen met instemming van [slachtoffer 1] hebben plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 1] betrouwbaar is en dat de door de [slachtoffer 1] verklaarde feiten en omstandigheden niet op zichzelf staan en voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. [Vriendin slachtoffer] , de vriendin van [slachtoffer 1] , heeft verklaard dat zij en [slachtoffer 1] op een muurtje voor Centraal Station zaten, toen twee jongens naast hen zijn komen zitten. [slachtoffer 1] kende een van de jongens. De jongens werden een beetje opdringerig en steeds opdringeriger. De onbekende jongen was wat meer opdringerig. Ze vroegen of [Vriendin slachtoffer] en [slachtoffer 1] meegingen naar de McDonald’s om wat te eten. [slachtoffer 1] werd bij de hand beetgepakt door de onbekende jongen. Hij trok haar een beetje overeind. Hij zei dat hij haar mee wilde nemen naar de McDonald’s en dat het niet lang zou duren. [slachtoffer 1] deed er een beetje lacherig over. Ze zei dat ze niet wilde en dat ze naar huis moest. [slachtoffer 1] liep mee met de jongen. Hij nam [slachtoffer 1] een beetje op de rug en schouders. En hij duwde een beetje. Ze liepen in de richting van de McDonald’s. De andere jongen liep er een beetje achteraan. Ze zijn bij de McDonald’s naar binnen gegaan. [naam 1] , de vriend van verdachte, heeft verklaard dat hij voor de toiletten bij de McDonald’s heeft gewacht. Toen [slachtoffer 1] naar buiten kwam keek ze boos en trok ze haar muts over haar hoofd. [naam 1] heeft [slachtoffer 1] nog aangesproken, maar ze reageerde niet op hem, heeft hem geduwd en is naar buiten gelopen. Van het moment op het centraal station Arnhem zijn camerabeelden vastgelegd. Deze camerabeelden zijn uitgekeken. Te zien is dat twee mannen bij twee vrouwen gaan zitten (16:19:25 uur). Verdachte gaat naast [slachtoffer 1] zitten en is de meeste tijd in gesprek met haar. Later (omstreeks 16:30:00 uur) lijkt verdachte [slachtoffer 1] naar zich toe te trekken en een minuut later nog een keer, waarbij het op basis van de beelden lijkt dat [slachtoffer 1] zich (heftig) terugtrekt. Verder zou kunnen blijken dat verdachte dichter bij [slachtoffer 1] probeert te komen, maar dat zij probeert afstand te houden. Als verdachte zich (omstreeks 16:31:30 uur) naar [slachtoffer 1] toe buigt zou kunnen blijken dat [slachtoffer 1] zich probeert te onttrekken uit de situatie en haar hoofd een stukje naar achteren trekt. Omstreeks 16:32:20 uur gaat verdachte naast [slachtoffer 1] zitten en legt zijn arm om haar schouders en lijkt haar 15 seconden later weer naar zich toe te trekken. Omstreeks 16:33:05 uur lijkt [slachtoffer 1] dichter tegen de andere vrouw aan te gaan zitten. Omstreeks 16:33:55 uur richt verdachte zich weer op [slachtoffer 1] . Als verdachte zijn hand weer op de schouder en in de nek van [slachtoffer 1] legt (omstreeks 16:35:08 uur) zou kunnen blijken uit de beelden dat [slachtoffer 1] zich afkeert van verdachte. Zij trekt en draait haar hoofd weg. Na een tijdje (omstreeks 16:39:00 uur) schuift verdachte naar [slachtoffer 1] toe en probeert zijn arm om haar schouders te leggen, wat [slachtoffer 1] lijkt af te weren door haar lichaam een beetje af te wenden. Even later legt hij zijn arm om de schouders van [slachtoffer 1] en trekt haar naar zich toe. Vervolgens (omstreeks 16:40:25 uur) staat verdachte voor [slachtoffer 1] en trekt haar op, zodat zij op kan staan. [slachtoffer 1] lijkt kort haar arm om de schouders van verdachte te leggen. Verdachte pakt de hand van [slachtoffer 1] en probeert haar mee te nemen, wat [slachtoffer 1] lijkt af te wenden, maar na een korte aanhoudende beweging van verdachte lijkt [slachtoffer 1] vrijwillig mee te lopen. Uit de camerabeelden binnen de McDonald’s volgt dat verdachte en [slachtoffer 1] (omstreeks 16:42:51 uur) langzaam de ingang tot de toiletten inlopen en daar even blijven staan. Ze lijken met elkaar te praten en te twijfelen welke kant ze op gaan. Verdachte loopt als eerste richting de vrouwentoiletten en probeert [slachtoffer 1] mee te trekken. [slachtoffer 1] beweegt, kennelijk lachend, de andere kant op. Verdachte blijft staan en trekt [slachtoffer 1] naar zich toe, pakt ook met zijn andere hand haar arm vast en trekt haar langzaam mee richting de vrouwentoiletten. Omstreeks 16:59:01 uur verschijnt [slachtoffer 1] , nu met haar capuchon op, weer in beeld vanuit de richting van de vrouwentoiletten. Ze loopt met snelle pas richting de uitgang en lijkt niet te willen praten met [naam 1] . [naam 1] lijkt zijn arm uit te steken om haar tegen te houden, maar [slachtoffer 1] loopt resoluut door. [vriend] , een vriend van [slachtoffer 1] , heeft gehoord dat [slachtoffer 1] met opdringerige jongens naar de McDonald’s is gelopen. [vriend] is ook naar de McDonald’s gelopen. Hij stuurde [slachtoffer 1] een appje maar kreeg geen antwoord. Aanvankelijk zag hij [slachtoffer 1] niet binnen. Later zag hij haar wel. Ze moet van het toilet zijn gekomen anders had hij haar wel eerder binnen in de McDonald’s gezien. [slachtoffer 1] was stil en het huilen stond haar nader dan het lachen. Op het Centraal Station Arnhem heeft [getuige 1] , buitengewoon opsporingsambtenaar van Veiligheid en Service van de Nationale Spoorwegen (hierna: VSNS), een meisje helemaal overstuur op het station aangetroffen. Ze zat voorovergebogen heel hard te huilen. Ze kon niet goed praten en was niet helemaal bij. Het meisje vertelde dat ze door een jongen die ze niet kende aan haar arm was mee getrokken naar de McDonald’s. De jongen had haar de wc ingetrokken en haar verkracht. Ze was heel hard op haar billen geslagen. De politie kreeg een melding dat een slachtoffer van aanranding bij medewerkers van VSNS zou staan. Aldaar troffen ook zij aangeefster aan in elkaar gedoken met haar gezicht naar beneden. Aangeefster heeft aan de politie verteld dat zij met twee vriendinnen op het station in Arnhem was en dat er twee jongens naar hen toe zijn gekomen. De jongens hebben tegen aangeefster gezegd dat ze mee moest komen naar de McDonald’s. Aangeefster is tegen haar zin meegenomen naar de McDonald’s. Ze is daar in de toiletten geduwd. En ze is verkracht. De rechtbank is van oordeel dat de aangifte van [slachtoffer 1] voldoende betrouwbaar is om als bewijs te gebruiken en dat de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen voldoende steun geven aan de verklaring van [slachtoffer 1] om tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde dwang te kunnen komen. Allereerst is de verklaring van [slachtoffer 1] gedetailleerd en consistent. De aangifte komt op essentiële onderdelen overeen met haar verklaring ten overstaan van getuige [getuige 1] en ten overstaan van de politie. Op essentiële onderdelen wordt haar verklaring bevestigd door getuigenverklaringen en de camerabeelden. Zo heeft [Vriendin slachtoffer] verklaard dat verdachte opdringerig was en steeds opdringeriger werd. Op de beelden van het Centraal Station Arnhem is te zien dat [slachtoffer 1] verdachte meermaals probeert te ontwijken, afstand wil houden of zich probeert te onttrekken. Voor zover de verbalisant bij de beschrijving van de beelden voorzichtig is geweest in zijn woordkeuze door zijn bevindingen in de voorwaardelijke wijs (“zou kunnen blijken”) vast te leggen is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van aangeefster en van getuige Nelissen voldoende steun bieden aan deze bevindingen om daarvan uit te gaan. Ook de camerabeelden bij de McDonald’s bevestigen de verklaring van [slachtoffer 1] . Zo is te zien dat verdachte [slachtoffer 1] meetrekt richting de vrouwentoiletten. Uit niets blijkt verder dat [slachtoffer 1] haar verklaring heeft verzonnen of heeft willen aandikken. Verschillende getuigen hebben iets verklaard over de emotionele of fysieke toestand van [slachtoffer 1] vlak na de gebeurtenis bij de McDonald’s. Ook hierin ziet de rechtbank steunbewijs voor het tenlastegelegde. Getuige Hus heeft gezien dat [slachtoffer 1] het huilen nader dan het lachten stond toen ze bij de McDonald’s van de wc kwam. Volgens [naam 1] was [slachtoffer 1] boos toen ze van de toiletten kwam. Deze verklaringen vinden steun in de camerabeelden, waarop te zien dat als [slachtoffer 1] , met een capuchon over haar hoofd getrokken, uit de toiletten komt, zij snel voorbij [naam 1] loopt en wegloopt uit de McDonald’s. Getuige [getuige 1] heeft [slachtoffer 1] na het incident huilend en erg overstuur op het centraal station aangetroffen. Ook de politie treft [slachtoffer 1] ineengedoken aan op het centraal station. De gemoedstoestand die deze getuigen bij [slachtoffer 1] hebben waargenomen is passend bij hetgeen [slachtoffer 1] vlak daarvoor is overkomen en biedt steun aan haar verklaring dat de seks niet vrijwillig heeft plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat de bewezen geachte feitelijkheden in onderlinge samenhang bezien en gelet op alle omstandigheden van het geval zodanig van aard waren dat aangeefster zich daar redelijkerwijs niet aan heeft kunnen onttrekken of tegen heeft kunnen verzetten. Naar het oordeel van de rechtbank kan er geen sprake zijn geweest van vrijwilligheid, nu aangeefster meermalen verbaal en non-verbaal te kennen heeft gegeven dat zij het aanhoudende, opdringerige gedrag van verdachte niet op prijs stelde en niet mee wilde naar de McDonald’s, en verdachte, ondanks dat, steeds is doorgegaan. In het toilet heeft verdachte [slachtoffer 1] ook heel vaak geslagen. Op die manier heeft verdachte een situatie gecreëerd waarin [slachtoffer 1] (zich uiteindelijk niet langer bij machte voelde om zich te onttrekken of weerstand te blijven bieden en zij) zich gedwongen voelde om de seksuele handelingen te ondergaan. De rechtbank concludeert dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van [slachtoffer 1] . Feit 2 – aangeefster [slachtoffer 2] Aangeefster [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij verdachte op 26 maart 2024 in Arnhem is tegen gekomen. Verdachte heeft toen op straat gevraagd: “Mag ik een knuffel, want ik moet gaan.” heeft toen gezegd: “Nee, dat wil ik niet.”. Vervolgens heeft verdachte [slachtoffer 2] met twee handen ter hoogte van haar heup vastgepakt. Hij is met zijn handen naar haar billen gegaan. Hij heeft met zijn vingers de onderkant van haar billen vastgepakt en heeft haar zo vastgehouden. Toen [slachtoffer 2] met haar schouders en bovenlichaam naar achteren is gegaan en gezegd heeft: “Niet doen, stop.”, heeft verdachte uiteindelijk losgelaten. [slachtoffer 2] heeft vervolgens [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] gebeld. Alleen [naam 3] nam op. Ze waren binnen één minuut bij haar. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer 2] om een knuffel heeft gevraagd toen hij haar in de stad zag, maar haar niet heeft vastgepakt of aan haar heeft gezeten. Getuige [naam 3] is na het incident gebeld door [slachtoffer 2] . Hij was ook in het centrum van Arnhem. Toen [slachtoffer 2] aan kwam lopen zag hij dat ze huilde. Er liepen twee jongens achter haar. [naam 3] heeft gehoord dat één van die jongens [slachtoffer 2] bij haar kont heeft gepakt. Getuige [naam 4] heeft gezien dat [slachtoffer 2] aan kwam lopen en dat ze huilde. Ze leek bang. [slachtoffer 2] heeft verteld dat een jongen haar heeft aangeraakt bij haar kont. Getuige [naam 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 2] een van zijn vrienden belde en dat ze zei dat ze was lastig gevallen in het centrum. Toen [naam 2] [slachtoffer 2] tegenkwam zag hij dat ze overstuur was. Ze had tranen en ze trilde. [naam 2] zag dat [slachtoffer 2] angstig was. [slachtoffer 2] wees naar een jongen en zei dat hij haar had aangeraakt bij haar billen. Getuige [getuige 2] , de vader van [slachtoffer 2] , is door [slachtoffer 2] kort na het incident gebeld. Ze heeft gezegd dat iemand aan haar had gezeten. Hij kon horen dat [slachtoffer 2] geschrokken was. Ze klonk anders dan dat hij haar kent. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 2] betrouwbaar is. [slachtoffer 2] heeft gedetailleerd en consistent verklaard over het incident. Haar verklaring vindt steun in de getuigenverklaringen en (deels) in de verklaring van verdachte. Ze heeft direct na het incident, bij herhaling en tegenover verschillende getuigen, verklaard dat verdachte haar betast heeft (bij haar billen). De verklaring van verdachte dat hij [slachtoffer 2] om een knuffel heeft gevraagd ziet de rechtbank eveneens als steunbewijs. De waarnemingen van de vier getuigen ten aanzien van de emotionele toestand van aangeefster vlak na haar ontmoeting met verdachte leveren naar het oordeel van de rechtbank voldoende steunbewijs op voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Van ontuchtige handelingen is volgens vaste jurisprudentie sprake als het gaat om handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. De rechtbank stelt vast dat verdachte [slachtoffer 2] onverhoeds (en opzettelijk) tegen haar wil bij haar heupen en billen heeft vastgepakt. Dit is naar het oordeel van de rechtbank te kwalificeren als een handeling met een seksueel karakter, die de sociaal-ethische norm overschrijdt. De handeling is daarmee ontuchtig. De rechtbank concludeert dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan aanranding van [slachtoffer 2] . parketnummer 05/153754-25 De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Verdachte heeft op 18 mei 2025 in Arnhem seks gehad met aangeefsters [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) en [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4] ). Zowel verdachte als de medeverdachte hebben vaginale seks gehad met [slachtoffer 3] . Op hetzelfde moment dat verdachte vaginale seks had met [slachtoffer 3] , heeft [slachtoffer 3] medeverdachte [medeverdachte] gepijpt. Ook heeft verdachte vaginale seks met [slachtoffer 4] gehad. Verdachte is daarnaast door [slachtoffer 4] gepijpt. Van deze laatstgenoemde handeling heeft verdachte video’s gemaakt en doorgestuurd aan een vriend. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd. Beoordeling door de rechtbank Feit 1 Op grond van de hiervoor weergegeven vaststaande feiten stelt de rechtbank vast dat verdachte op 18 mei 2025 in vereniging seksuele handelingen heeft verricht met [slachtoffer 3] , en dat die handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij tot deze seksuele handelingen is gedwongen. De verklaring van [slachtoffer 3] wijkt in zoverre af van hetgeen verdachte bij de politie en op de zitting heeft verklaard. Hij heeft immers verklaard dat de seks en de aanrakingen met instemming van [slachtoffer 3] hebben plaatsgevonden. Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 3] merkt de rechtbank het volgende op. De verklaring van [slachtoffer 3] is op enkele onderdelen wezenlijk anders dan de verklaringen van [slachtoffer 4] , verdachte en de medeverdachte (de enige personen die rond en tijdens de seksuele handelingen in de woning aan de [adres] aanwezig waren) en/of in strijd met overige bewijsmiddelen in het dossier. Zo heeft [slachtoffer 3] verklaard dat zij naar de [adres] is gegaan om [slachtoffer 4] daar te zoeken, terwijl uit de verklaringen van [slachtoffer 4] (p. 131), [medeverdachte] (p. 95) en verdachte (p. 59) volgt dat [slachtoffer 3] eerder dan [slachtoffer 4] in de woning aan de [adres] was. Dit blijkt ook uit de tijdlijn naar aanleiding van telefonische contacten tussen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] en [medeverdachte] (p. 202). Ook heeft de rechtbank redenen om te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer 3] over het drugsgebruik, gelet op de verklaring van [slachtoffer 4] dat [slachtoffer 3] onder invloed was van drugs en lachgas (p. 131) en het onderzoek aan de telefoons, waaruit volgt dat [slachtoffer 3] aan [slachtoffer 4] berichten heeft gestuurd over XTC en pilletjes en een foto van haarzelf heeft gestuurd met grote ogen (p. 187 en 188). De rechtbank vindt de verklaring van [slachtoffer 3] op die onderdelen niet betrouwbaar. Dat roept twijfels op over de betrouwbaarheid van de rest van de verklaring van [slachtoffer 3] . De rechtbank zal dan ook bij de bewezenverklaring alleen uitgaan van die onderdelen van de verklaring van [slachtoffer 3] waarvoor bevestiging is te vinden in een ander bewijsmiddel. De door [slachtoffer 3] verklaarde feiten en omstandigheden die op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal zal de rechtbank dan ook niet gebruiken voor bewijs. Om die reden kan de rechtbank dan ook niet buiten twijfel vaststellen dat er sprake was van de dwang. Alleen [slachtoffer 3] heeft daarover verklaard. Ook is [slachtoffer 3] de enige die heeft verklaard over het likken/kussen van haar lichaam door verdachte en medeverdachte, het betasten van haar borsten en het slaan op haar billen. Verdachte heeft deze seksuele handelingen ontkend. In het dossier is onvoldoende steunbewijs voor deze handelingen. Om die reden zal de rechtbank verdachte partieel vrijspreken van deze handelingen, tenlastegelegd onder het tweede, derde en vierde gedachtestreepje. Verdachte heeft verklaard dat van verkrachting geen sprake kan zijn omdat [slachtoffer 3] heeft ingestemd met de seks en omdat het initiatief voor de seks van haar kwam. De rechtbank overweegt als volgt. Op 1 juli 2024 is de Wet Seksuele Misdrijven (hierna: WSM) in werking getreden. Het bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden op 18 mei 2025, na de inwerkingtreding van de WSM, en valt daarom onder de WSM. Onder de WSM is voor een kwalificatie van verkrachting niet langer relevant of sprake is geweest van dwang. Onder artikel 248 lid 1 Sr wordt het met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren verrichten van seksuele handelingen, die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam gekwalificeerd als verkrachting (248 lid 1 Sr). In die gevallen dat deze seksuele handelingen worden voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door dwang, geweld of bedreiging geldt artikel 248 lid 2 Sr. Dit artikel kent een hoger strafmaximum. De gekwalificeerde verkrachting van artikel 248 lid 2 Sr is niet aan verdachte ten laste gelegd. In hoeverre al dan niet sprake is geweest van dwang, geweld of bedreiging is voor een bewezenverklaring van feit 1 in het gegeven geval derhalve niet relevant. Met andere woorden dat [slachtoffer 3] in de lezing van verdachte zou hebben ingestemd met de seks en dat het initiatief voor de seks van haar kwam doet aan een bewezenverklaring van verkrachting niet af. Verdachte heeft verder verklaard dat [slachtoffer 3] er veel ouder uitzag en heeft gezegd dat ze 17, bijna 18 jaar, oud was. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 3] feitelijk 13 jaar oud was. Omdat de leeftijd is geobjectiveerd, moet de rechtbank bij de beoordeling uitgaan van de feitelijke leeftijd van [slachtoffer 3] en is het niet relevant of [slachtoffer 3] er ouder uitzag of zou hebben gelogen over haar leeftijd. Tot slot en ten overvloede merkt de rechtbank op dat de voornoemde seksuele handelingen tussen [slachtoffer 3] en verdachte niet strafbaar zouden zijn indien die zouden zijn begaan in het kader van een gelijkwaardige situatie tussen leeftijdsgenoten (artikel 248 lid 3 Sr). Van een gelijkwaardige situatie tussen leeftijdsgenoten is gelet op de hierna volgende omstandigheden geen enkele sprake. [slachtoffer 3] was ten tijde van de seksuele handelingen 13 jaar. Verdachte was 19 jaar. Het leeftijdsverschil tussen verdachte en [slachtoffer 3] is zes jaar en daarmee, gelet op de verschillende leeftijdsfasen waarin verdachte en [slachtoffer 3] zich bevinden, groot. Ook volgt uit het dossier dat verdachte en [slachtoffer 3] elkaar nauwelijks kenden en bovendien dat op het moment dat verdachte vaginale seks had met [slachtoffer 3] , [slachtoffer 3] medeverdachte [medeverdachte] gepijpt heeft. Van een affectieve relatie was geen sprake. Daarbij komt dat er aanknopingspunten zijn om te veronderstellen dat ook [slachtoffer 3] onder invloed is geweest van drugs tijdens de seks. Er is tot slot sprake geweest van onbeschermd seksueel contact. Feit 2 Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering). Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden, p. 130 t/m 134; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 november 2025. Feit 3 Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering). Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van bevindingen onderzoek telefonische contacten slachtoffers en verdachten, p. 181 t/m 203; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 november 2025. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 05/009719-25 onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde en het onder parketnummer 05/153754-25 onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: parketnummer 05/009719-25 1. hij op of omstreeks 26 maart 2024 te Arnhem door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten- het brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 1] en/of- het betasten van de borsten van die [slachtoffer 1] , waarbij dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of met die andere feitelijkheid er in heeft/hebben bestaan dat verdachte- er bij die (voor hem onbekende) [slachtoffer 1] op heeft aangedrongen dat zij met hem mee ging, ondanks dat zij (meermaals) aangaf dat zij dit niet wilde en/of- (vervolgens) die [slachtoffer 1] heeft meegetrokken/meegenomen in een toilethokje en/of de deur van dat toilethokje op slot heeft gedaan en/of- voornoemde seksuele handelingen onverhoeds heeft verricht en/of die [slachtoffer 1] hiermee heeft overrompeld en/of- zich opdringerig en/of dwingend en/of dominant heeft opgesteld ten opzichte van die [slachtoffer 1] en/of- (meermaals) voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer 1] en/of- (hierdoor) een zodanig bedreigende en/of beangstigende situatie heeft gecreëerd dat die [slachtoffer 1] zich niet aan bovengenoemde seksuele handelingen kon en/of durfde te onttrekken; 2. hij op of omstreeks 26 maart 2024 te Arnhem door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het betasten van de heupen en/of de billen van die [slachtoffer 2] , waarbij dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of met die andere feitelijkheid er in heeft/hebben bestaan dat verdachte- voornoemde ontuchtige handelingen onverhoeds heeft verricht en/of die [slachtoffer 2] hiermee heeft overrompeld en/of- (meermaals) voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer 2] ; parketnummer 05/153754-25 1. hij op of omstreeks 18 mei 2025 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 3] , een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het brengen van zijn/de penis in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer 3] en/of- het brengen van zijn/de tong tussen en/of over de schaamlippen van die [slachtoffer 3] en/of- het betasten van de borsten en/of de billen van die [slachtoffer 3] en/of- het kussen van de nek/hals van die [slachtoffer 3]; 2.hij op of omstreeks 18 mei 2025 te Arnhem, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 4] , een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het brengen van zijn penis in de vagina en/of in de mond van die [slachtoffer 4] ; 3.hij op of omstreeks 18 mei 2025 te Arnhem, een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken, te weten [slachtoffer 4] , heeft verspreid en/of heeft aangeboden en/of heeft vervaardigd en/of in bezit heeft gehad, te weten een of meerdere video’s waarop te zien is dat hij, verdachte, althans een man, zijn penis in de mond van die [slachtoffer 4] brengt (te weten de video’s zoals omschreven in PV 20250606.1302 op pagina 199 van het einddossier). Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: parketnummer 05/009719-25 feit 1: verkrachting; feit 2: feitelijke aanranding van de eerbaarheid; parketnummer 05/153754-25 feit 1: medeplegen van verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren; feit 2: verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren, meermalen gepleegd; feit 3: verspreiden, aanbieden, vervaardigen en in bezit hebben van een visuele weergave van seksuele aard of met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt is betrokken. 5De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 38 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Gedurende een proeftijd van vijf jaren moet verdachte zich houden aan de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd in haar rapport van 11 november 2025, inclusief de elektronische monitoring voor de duur van maximaal één jaar of zoveel korter als de reclassering de elektronische monitoring nodig vindt. De bijzondere voorwaarden moeten dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat de actieve misleiding van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] over hun leeftijd en het feit dat zij vrijwillig aan de seks hebben deelgenomen van invloed is op de strafmaat. Ook in de rapportages (licht verminderde toerekenbaarheid en traumatisch verleden) ziet de raadsman aanknopingspunten voor strafmatiging. Verder heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met de positieve ontwikkelingen die verdachte heeft doorgemaakt en het behandelperspectief van verdachte. Tot slot heeft de raadsman verzocht om het jeugdstrafrecht van toepassing te verklaren. De beoordeling door de rechtbank Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken: het uittreksel Justitiële Documentatie van 16 oktober 2025 (het strafblad), het PJ-rapport van 20 oktober 2025; het reclasseringsadvies van 5 november 2025. In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Strafblad Verdachte is eerder veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder straatroof/afpersing en winkeldiefstallen. Verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten tijdens een lopende proeftijd gepleegd. De ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vijf seksuele misdrijven, waarvan vier voor verdachte (vrijwel) onbekende vrouwen slachtoffer zijn geworden. Zo heeft verdachte op 26 maart 2024 [slachtoffer 1] leren kennen, haar meegenomen naar de McDonald’s en haar daar in de wc verkracht. Binnen een uur daarna heeft hij [slachtoffer 2] in het centrum van Arnhem aangerand door haar bij haar billen te pakken. Op 18 mei 2025 heeft verdachte samen met de medeverdachte en twee meisjes lachgas gebruikt in een woning. Verdachte heeft toen eerst met [slachtoffer 4] vaginale seks en orale seks gehad. Hij heeft filmpjes van [slachtoffer 4] gemaakt terwijl zij hem aan het pijpen was en deze filmpjes vervolgens naar een vriend gestuurd. Vervolgens heeft hij vaginale seks gehad met [slachtoffer 3] terwijl zij de medeverdachte aan het pijpen was. De medeverdachte had eerder al vaginale seks met [slachtoffer 3] gehad. Beide meisjes waren onder invloed van drugs en slechts dertien jaar oud. Verdachte heeft met zijn handelen ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de (zeer jonge) slachtoffers. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke feiten daarvan nog langdurig nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Uit de slachtofferverklaring die namens [slachtoffer 1] tijdens de terechtzitting is voorgedragen volgt dat de traumatische gebeurtenis nog altijd veel impact op haar heeft en haar dagelijks leven belemmert. Uit de spreekrechtverklaring van de moeder van [slachtoffer 3] volgt dat [slachtoffer 3] sinds de gebeurtenis niet meer dezelfde is. [slachtoffer 3] is gebroken en de dingen die voorheen heel gewoon waren kosten haar nu erg veel energie. Verdachte heeft geen rekening gehouden met de gevolgen voor de slachtoffers en is enkel gericht geweest op zijn eigen lustbeleving. De appjes en foto’s die verdachte na afloop van de seks met de 13-jarigen gestuurd heeft naar vrienden getuigen allerminst van respect voor de meisjes. Dat de 13-jarige meisjes er ouder uit zagen, gelogen zouden hebben over hun leeftijd en initiatief zouden hebben genomen tot de seksuele handelingen leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot strafmatiging. Strafbepalingen zoals 248 Sr, waarbij de leeftijd is geobjectiveerd, zijn juist in het leven geroepen vanuit een beschermingsgedachte voor jeugdigen. Minderjarigen moeten gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht worden nog in onvoldoende mate in staat te zijn zelf hun (seksuele) grenzen te bewaken en de gevolgen van hun gedrag in dit opzicht te overzien. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich had moeten realiseren dat er sprake was ongelijkwaardigheid en voor de slachtoffers schadelijk contact. Dat geldt evenzeer in het geval de slachtoffers zelf zeggen dat ze ouder zijn en moeite doen om er ouder uit te zien en ook wanneer zij initiatief zouden nemen tot seksuele handelingen. Het ontheft verdachte geenszins van zijn verantwoordelijkheid. Volgens verdachte deden de meisjes van 13 jaar ‘raar’. Verdachte (en zijn vrienden) heeft (hebben) verschillende keren gevraagd naar de leeftijd van de meisjes en naar hun identiteitsbewijs gevraagd. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte twijfels heeft gehad over de beweerdelijke leeftijd van de meisjes en aan die twijfels voorbij is gegaan. De rapportages PJ-rapport Uit het PJ-rapport volgt dat verdachte een ernstig belast verleden heeft, waarbij hij is opgegroeid in een oorlogssituatie, weinig steun van zijn familie heeft gehad, slachtoffer is geweest van geweld en alleen naar Nederland is gevlucht. Hij is gediagnosticeerd met een psychische stoornis in de vorm van een ongespecificeerde psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis. De persoonlijkheid van verdachte is nog niet uitgerijpt. Er is sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Ten tijde van het onderzoek was sprake van een lichte stoornis in cannabisgebruik in vroege remissie. Vanuit de bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling is bij verdachte sprake van puberaal denken, voelen en handelen en denkt hij nog onvoldoende na in verschillende situaties, laat hij zich teveel leiden door zijn emoties en laat hij zich gemakkelijk beïnvloeden en gedraagt hij zich soms onvolwassen. Dit leidt ertoe dat het bewezenverklaarde aan verdachte in licht verminderde mate kan worden toegerekend. Het recidiverisico is ingeschat als matig. Verdachte is pas sinds drie jaar in Nederland en heeft zich nog nauwelijks kunnen aanpassen aan de Nederlandse cultuur en samenleving. Hij heeft nooit langdurig onderwijs gevolgd en is nooit echt ingebed geweest in een duidelijk pedagogisch systeem. Hoewel het jeugdstrafrecht passend zou kunnen zijn bij verdachte vanuit zijn persoonlijkheidsontwikkeling is geadviseerd om het volwassenenrecht toe te passen. Het is lastig om pedagogische beïnvloeding bij verdachte te organiseren. Vanuit het matig recidiverisico en het advies om de ten laste gelegde feiten in licht verminderde mate toe te rekenen is het advies om een (deels) voorwaardelijke sanctie op te leggen met als voorwaarde dat verdachte zal meewerken aan een ambulante behandeling in een forensische geestelijke gezondheidszorginstelling (met specialisatie in transcultureel werken) voor zijn bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling en traumaproblematiek. Daarbij kan tevens worden gedacht aan plaatsing binnen begeleid wonen en elektronisch toezicht. Reclasseringsadvies De reclassering heeft het recidiverisico ingeschat als hoog. Ook in de penitentiaire inrichting heeft het agressieve en grensoverschrijdende gedrag van verdachte (beledigingen en bedreigingen) ernstige vormen aangenomen. De reclassering adviseert om het volwassenenstrafrecht toe te passen. Zij adviseert verder om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, ambulante behandeling, begeleid/beschermd wonen, contactverbod, locatieverbod (met elektronische monitoring), dagbesteding, middelencontroles en ambulante verslavingsbehandeling met een proeftijd van vijf jaren. De reclassering onderstreept het belang om verdachte langdurig in beeld te houden, aangezien hij een adolescent is met een nog niet uitgerijpte persoonlijkheid in de context van een hoog risico op herhaling. Volwassenenstrafrecht Verdachte was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten meerderjarig. Het uitgangspunt is dan dat het volwassenenstrafrecht van toepassing is. De rechtbank heeft bij jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar echter de mogelijkheid om het jeugdstrafrecht toe te passen. Dat kan de rechtbank doen wanneer de persoon van verdachte zelf of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan daartoe aanleiding geven. Hoewel de persoonlijkheidsontwikkeling van verdachte aanleiding zou kunnen geven om het jeugdstrafrecht toe te passen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte beter gestraft kan worden met toepassing van het volwassenenstrafrecht. Verdachte heeft zich al heel lang niet meer in een duidelijk pedagogisch systeem bevonden. Omdat verdachte al lang niet meer actief deelneemt aan een gezin (van herkomst) en nauwelijks tot niet op prosociale volwassenen leunt, is pedagogische beïnvloeding lastig te realiseren en eigenlijk ook niet meer aan de orde. De straf Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank naast het voorgaande rekening gehouden met de oriëntatiepunten die gelden en straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. De rechtbank heeft oog voor de jonge leeftijd van verdachte en zijn ernstig belast verleden. Anderzijds is de rechtbank van oordeel dat vanwege de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, zoals hiervoor omschreven, niet anders kan worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur. De rechtbank zal bij de strafoplegging rekening houden met de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. Verdachte wil graag behandeling en begeleiding en hij ziet in dat het nodig is. De rechtbank is van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend is voor verdachte. De rechtbank sluit wat betreft de bijzondere voorwaarden aan bij het advies van de reclassering. Gelet op het agressieve en grensoverschrijdende gedrag van verdachte in detentie en gelet op het feit dat verdachte na zijn detentie opnieuw zal moeten wennen aan een leven in de maatschappij zal de rechtbank de elektronische monitoring in de bijzondere voorwaarden opnemen. Gelet op het vrijheidsbeperkende karakter van de elektronische monitoring zal de rechtbank bepalen dat de elektronische monitoring maximaal zes maanden kan duren. De rechtbank zal, overeenkomstig het advies van de reclassering, aan de bijzondere voorwaarden een proeftijd van vijf jaren verbinden, vooral omdat ook de rechtbank verwacht dat verdachte nog lange tijd begeleiding nodig zal hebben in een dwingend kader, om zijn eigen toekomst vorm te geven en ter voorkoming van nieuwe recidive. Dadelijke uitvoerbaarheid Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten verkrachting en aanranding. Gelet op de matige tot hoge kans op recidive, die volgens de rechtbank uit de rapportages volgt, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. 8De beoordeling van de civiele vorderingen parketnummer 05/009719-25 De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met feit 1 (parketnummer 05/009719-25) een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 8.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard vanwege de bepleite vrijspraak. Overweging van de rechtbank smartengeld Een benadeelde partij kan op grond van artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) aanspraak maken op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Dat kan als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van ‘een aantasting in de persoon op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hier op beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kunnen ook de aard en de ernst van de normschending en de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. In beginsel zal degene die zich hierop beroept dat met concrete gegevens moeten onderbouwen. In sommige gevallen kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen zonder zo’n nadere concrete onderbouwing. De benadeelde partij heeft recht op vergoeding van de immateriële schade, omdat sprake is van aantasting van de persoon op andere wijze. Bij de vordering zit bovendien een onderbouwing van het psychisch letsel dat de benadeelde in verband met het bewezenverklaarde heeft opgelopen. Op 15 augustus 2024 is de benadeelde gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis en een dissociatieve stoornis. Ze heeft aanvallen die doen denken aan herbelevingen/dissociatie van seksueel misbruik. De benadeelde ondergaat een medicamenteuze behandeling en beeldende therapie, gericht op emotieregulatie. Er is kortom grondslag voor het toewijzen van smartengeld. Bij het bepalen van de hoogte van het smartengeld heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal. Zij heeft zich voor het bedrag gebaseerd op categorie (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.