Rechtbank Gelderland – ECLI:NL:RBGEL:2025:10443
RECHTBANK GELDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/1784 V uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 oktober 2025 op het verzet van [opposante] , uit [plaats], opposante (gemachtigde: [gemachtigde]), Inleiding Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 15 juli 2024 waarin de rechtbank het beroep van opposante kennelijk gegrond heeft verklaard, het verzoek om toekenning van een dwangsom heeft afgewezen en een proceskostenvergoeding heeft toegekend van € 15.
Tegen deze uitspraak heeft opposante verzet gedaan. Het verzet richt zich alleen tegen de afwijzing van de dwangsom en tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding.
Opposante heeft niet verzocht om op zitting te worden gehoord.
Beoordeling door de rechtbank van het verzet De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende kennelijk gegrond geacht, omdat de heffingsambtenaar ten onrechte bij één uitspraak op bezwaar heeft beslist op de bezwaarschriften die namens verschillende belanghebbenden waren ingediend. De rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd en de heffingsambtenaar opgedragen om binnen tien weken na dagtekening van de uitspraak van de rechtbank opnieuw uitspraak op bezwaar te doen.
In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de uitspraak van 15 juli 2024 terecht is geoordeeld dat het beroep kennelijk gegrond is, wat betekent dat dit buiten redelijke twijfel moet zijn geweest. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Omdat de verzetgronden zich niet richten tegen het gegrond verklaren van het beroep, hoeft de rechtbank hierover geen oordeel te geven. Het oordeel gaat daarom alleen over de dwangsom en de proceskostenvergoeding.
Dwangsom 3. Opposante heeft in het verzetschrift met dagtekening 6 augustus 2024 gesteld dat de heffingsambtenaar de maximale dwangsom verschuldigd is. Primair omdat de rechtbank de brief van de heffingsambtenaar van 23 februari 2024 met de uitspraak op bezwaar ten onrechte heeft aangemerkt als een geldige uitspraak op bezwaar en een voor beroep vatbare beschikking voor 254 door de gemachtigde van opposante ingediende bezwaarschriften. Daarbij is ook van belang dat de bekendmaking volgens opposante niet rechtsgeldig is geweest. Opposante heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de rechtbank de uitspraken op bezwaar nietig had dienen te verklaren nu deze uitspraken in strijd met de wet en niet op voorgeschreven wijze zijn genomen. Meer subsidiair heeft opposante gesteld dat de uitspraken op bezwaar door vernietiging nooit hebben bestaan omdat hiervoor terugwerkende kracht zou gelden, zodat de heffingsambtenaar niet tijdig op de bezwaren heeft beslist en de ingebrekestelling geldig is. Tot slot heeft opposante verzocht om een aanvullende dwangsom voor het geval de heffingsambtenaar de termijn van het opnieuw uitspraak doen niet haalt.
Vanaf de uitspraak van de rechtbank is namelijk een nieuwe beslistermijn van 10 weken gaan lopen. Zoals al door deze rechtbank is overwogen, staat de beoordeling of een besluit is genomen los van de beoordeling van de inhoud van het genomen besluit. De door opposante aangehaalde artikelen 24a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en 7:12 van de Awb zien op de (vernietiging) van de inhoud van het besluit. De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar met dagtekening 23 februari 2024 tijdig een beschikking op aanvraag (in dit geval op het bezwaar) gegeven. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is deze uitspraak ook rechtsgeldig bekendgemaakt, doordat deze naar de gemachtigde is gestuurd en ook door de gemachtigde is ontvangen.
De ingebrekestelling dateert van daarna, waardoor de heffingsambtenaar niet in gebreke is geweest en dus ook geen dwangsom heeft verbeurd. Buiten redelijke twijfel is dat deze beslissing juist is, zodat het verzet hiertegen niet kan slagen.
Naar de tarieven van 2025 zou dit bedrag op € 0,27 per zaak uitkomen (bedrag per punt is dan € 907). In beide gevallen is de toegekende vergoeding aanzienlijk hoger dan de forfaitaire vergoeding volgens het Bpb. De werkzaamheden die de gemachtigde in het verzetschrift heeft opgesomd zijn niet voorzien van een bijbehorende tijdsbesteding en evenmin van een uurtarief. Bovendien is een belangrijk deel van de werkzaamheden administratief van aard, zodat de vraag is of het in zoverre wel om rechtsbijstand gaat. Verder is een vergoeding voor rechtsbijstand slechts een tegemoetkoming in de kosten, zodat de toegekende vergoeding niet (ongeveer) kostendekkend hoeft te zijn. Daarom is buiten redelijke twijfel dat een vergoeding van € 15 per zaak niet te laag is.
De verzetgrond hiertegen faalt daarom.
Griffierecht 11. Opposante heeft in haar aanvullend verzetschrift opgenomen dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat een vergoeding van het griffierecht van € 50 per zaak door de heffingsambtenaar dient te worden vergoed, aangezien opposante een bedrag van € 51 aan griffierecht heeft betaald.
Conclusie en gevolgen 14. Het verzet is ongegrond.
Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Knol, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 17 oktober 2025. griffier rechter Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
Artikel 4:17, derde lid, van de Awb.
Vergelijk Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 17 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7771.
Hoge Raad, 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2583, r.o. 3.5.1.
Artikel 8:41, tweede lid, van de Awb.