RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/7244 uitspraak van de enkelvoudige kamer [eiser] , uit [plaats] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, het college gemachtigde: L.E.W. Jansen. Samenvatting
- Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag met ingang van 14 februari
- Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.
- De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop
- Eiser heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag op grond van de Participatiewet (Pw). Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 7 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 augustus 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.
- Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 14 oktober 2025 zijn nieuwe stukken van eiser ontvangen. Het eerste stuk is een besluit van het college van 2 oktober 2025 tot toekenning van een bijstandsuitkering voor de noodzakelijke kosten van levensonderhoud met terugwerkende kracht vanaf 9 augustus
- Ten aanzien van de woonkostentoeslag is daarin opgenomen dat ook met ingang van 9 augustus 2025 een woonkostentoeslag van € 628,67 per maand wordt toegekend tot en met uiterlijk 8 februari
- Het tweede stuk is een aanmeldformulier voor de voedselbank. 2.
- De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de rechtbank Wat vindt eiser?
- Eiser stelt dat zijn aanvraag ten onrechte is afgewezen. Hij voert aan dat hij de uitgangspunten en berekening van het college niet kan volgen. Zo stelt eiser dat het college ten onrechte gebruik maakt van de bijstandsnorm als ijkpunt voor het bepalen van de draagkrachtruimte. Hij stelt dat het college zijn inkomen ten onrechte vergelijkt met het inkomen uit de bijstandsnorm omdat iemand die een bijstandsuitkering ontvangt ook recht heeft op huurtoeslag, zorgtoeslag en ook kwijtschelding van bepaalde belastingen krijgt. Eiser had die mogelijkheden niet. De vergelijking is dan ook appels met peren vergelijken volgens eiser. Daarnaast is de berekening niet inzichtelijk volgens eiser. Eiser stelt voorts dat er gerekend moet worden met werkelijke kosten in zijn situatie en niet met fictieve kosten en verwijst daarvoor naar een uitspraak van de Hoge Raad zonder de vindplaats te vermelden. 3.
- Eiser stelt dat er sprake is van een situatie waar de regeling woonkostentoeslag voor bedoeld is, namelijk een tijdelijke regeling voor iemand die buiten zijn schuld om een drastische inkomensdaling heeft ondergaan. Eiser stelt dat hij zijn toen beschikbare reserves heeft gebruikt en dat hij zich nu genoodzaakt ziet een aanvraag in te dienen voor de woonkostentoeslag. Wat vindt het college?
- Het college stelt dat aan eiser is uitgelegd op grond waarvan de aanvraag is afgewezen en dat daarbij ook uitleg is gegeven over de post “vrijlating leefgeld” en over de berekening van de draagkracht van eiser. 4.
- Het college stelt dat niet is gebleken dat eiser door het tegenwettelijk begunstigend beleid van de gemeente Arnhem is benadeeld. Eiser heeft in beginsel geen recht op woonkostentoeslag omdat er een voorliggende voorziening is, namelijk de Wet op de huurtoeslag. Het college heeft tegenwettelijk (begunstigend) beleid ontwikkeld waarbij in bijzondere gevallen betrokkene wel in aanmerking kan komen voor woonkostentoeslag. Eiser voldoet aan die voorwaarden. Het college stelt echter dat eiser bij de beoordeling van de hoogte van zijn recht op een woonkostentoeslag voldoende draagkracht had en niet voor de woonkostentoeslag in aanmerking kwam. Wat vindt de rechtbank? Het toetsingskader
- Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Pw bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die gezien haar aard en doel wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Als het gaat om woonkosten in de vorm van huur, geldt de Wet op de huurtoeslag als zo’n voorziening. Dat betekent dat artikel 15, eerste lid, van de Pw verlening van bijstand niet toelaat. Het college heeft echter beleid gemaakt dat gunstiger is dan de wet. In dat beleid staat dat wel bijzondere bijstand voor woonkosten kan worden verleend als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit is neergelegd in richtlijnen. Daarin is bepaald dat de woonkosten alleen worden vergoed als deze noodzakelijk zijn door bijzondere omstandigheden, zoals ingeval van een forse inkomstenterugval. Aan de hand van verschillende kostenposten wordt een fictieve rekenhuur bepaald. En vervolgens wordt de hoogte van de woonkostentoeslag berekend. De omvang van het geschil 5.
- De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de kosten waarvoor eiser bijstand heeft aangevraagd (de huur) noodzakelijk zijn en voortkomen uit bijzondere omstandigheden. Het geschil beperkt zich dan ook tot de vraag of eiser deze kosten in de periode van 14 februari 2024 tot 9 augustus 2025 heeft kunnen betalen uit zijn inkomen. Met ingang van 9 augustus 2025 is aan eiser algemene bijstand toegekend en ook woonkostentoeslag. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat het vindt dat eiser genoeg draagkracht had om de woonkosten zelf te betalen. Geen uitzondering op het beleid 5.
- Eiser vindt dat het beleid een ongelijke situatie veroorzaakt. Hij legt uit dat wanneer hij een WW-uitkering ontvangt, hij recht heeft op de woonkostentoeslag. Maar wanneer hij een Pw-uitkering ontvangt, heeft hij geen recht op de woonkostentoeslag. Volgens hem is deze uitkomst niet eerlijk. Ook voert hij aan dat aansluiting moet worden gezocht bij de uitspraak van de Hoge Raad. Daarin is beslist dat vermogens op basis van werkelijke rendementen moeten worden belast en niet zoals jarenlang gebeurde, op basis van fictieve rendementen. Hij stelt, zo begrijpt de rechtbank zijn standpunt, dat het college van elke betrokkene dient te berekenen wat diens werkelijke draagkracht is. En dan dient dat vervolgens te worden vergeleken met niet enkel de bijstandsnorm maar met de bijstandsnorm inclusief toeslagen. 5.
- De beroepsgrond van eiser treft geen doel. De rechtbank overweegt dat er sprake is van tegenwettelijk (begunstigend) beleid neergelegd in richtlijnen. Daarin wordt onder bepaalde omstandigheden afgeweken van artikel 15, eerste lid ,van de Pw door aan een specifieke groep betrokkenen bijzondere bijstand te verlenen in bijzondere situaties. Volgens vaste jurisprudentie wordt het tegenwettelijk beleid als gegeven aanvaard. De bestuursrechter zal daarom in de eerste plaats toetsen of het bestuursorgaan in het concrete geval het tegenwettelijk beleid juist heeft toegepast. De rechtbank vindt dat dit hier het geval is. Het college heeft gehandeld overeenkomstig het beleid en heeft de in het beleid opgenomen berekeningssystematiek op correcte wijze gehanteerd aan de hand van het inkomen van eiser. Omdat het om tegenwettelijk beleid gaat is er geen ruimte om te toetsen of het college van het tegenwettelijk beleid had moeten afwijken omdat de toepassing ervan in het concrete geval voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met dat beleid te dienen doelen. Toetsing van het bestreden besluit aan het evenredigheidsbeginsel 5.
- Het standpunt van eiser dat het bestreden besluit moet worden vernietigd, omdat het onredelijk nadelig uitpakt voor eiser kan dan ook geen doel treffen. Wat eiser naar voren heeft gebracht komt erop neer dat volgens hem het evenredigheidsbeginsel in dit geval meebrengt dat artikel 15 van de Pw buiten toepassing moet blijven. Ook dit kan niet worden gevolgd. Het gaat hier om een dwingendrechtelijke bepaling in een wet in formele zin. Er is geen reden om aan te nemen dat toepassing van deze wetsbepaling in eisers geval leidt tot gevolgen die door de wetgever bij de totstandkoming van de wet niet onder ogen gezien zijn. Eiser heeft dergelijke bijzondere omstandigheden niet genoemd, en ook op zitting is niet gebleken dat die er zijn. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college op juiste gronden geen woonkostentoeslag toekent aan eiser in de periode van 14 februari 2024 tot en met 9 augustus
- Eiser krijgt geen gelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.D.Z.R. Mohamed Hoesein, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Peters, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15 mei 2025, ECLI:NL:2025:700.