← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2025:10663

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer: 05/388444-24 Datum uitspraak : 8 april 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats] , ingeschreven aan de [adres 1] , feitelijk wonend aan de [adres 2] , raadsman: mr. S. Konya, advocaat in Bodegraven. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting op 25 maart 2025 achter gesloten deuren. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: 1. hij in of omstreeks de nacht van 02 op 03 juni 2024 te Apeldoorn in een tuin, behorende bij een woning gelegen op/aan de [adres 3] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(

  1. s)voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor een houten tuinschuur en/of tuinhuis te duchten was, een (bier)fles gevuld met een brandbare en/of licht ontvlambare vloeistof en/of voorzien van een brandbare afdichting met open vuur in aanraking heeft gebracht en/of (vervolgens) voornoemde (brandende) fles naar en/of in de richting van voornoemde houten tuinschuur en/of tuinhuis heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. hij op of omstreeks 08 april 2024 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een ruit in/van de voordeur van een woning, gelegen op/aan [adres 3] , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(
  2. n)heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot brandstichting in vereniging (feit 1) en het in vereniging met anderen vernielen van een ruit van de voordeur van de woning van [slachtoffer] (feit 2). Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak van beide tenlastegelegde feiten bepleit. Ten aanzien van feit 1 heeft hij aangevoerd dat uit de pinbetaling bij het tankstation niet kan worden afgeleid dat verdachte brandstof heeft gekocht. Verdachte heeft vrienden in de buurt van aangeefster wonen, hij kwam daar wel vaker. Dat uit de locatiegegevens van zijn telefoon blijkt dat hij in de omgeving was, betekent daarom nog niet dat hij betrokken was bij het tenlastegelegde. Ook blijkt niet uit de camerabeelden dat hij betrokken was. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat uit het chatgesprek niet kan worden afgeleid dat werd afgesproken om een strafbaar feit te plegen of dat verdachte wist waar het over ging. Dat medeverdachte [medeverdachte 1] een belastende verklaring heeft afgelegd kan worden verklaard door het feit dat er voor hem veel op het spel stond. De beoordeling door de rechtbank Feit 1 De rechtbank spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde onder 1 en overweegt hierover het volgende. Uit het dossier blijkt dat aangeefster [slachtoffer] op 3 juni 2024 aangifte heeft gedaan, nadat haar buurvrouw brandsporen had gezien achter hun woningen. Op beelden van de beveiligingscamera van een andere buurvrouw is te zien dat op 3 juni 2024 om 00:01:47 uur drie personen zich hebben opgehouden tussen een struik en het tuinhuisje achter de woning van aangeefster en dat iets wordt aangestoken. Vervolgens wordt het brandende voorwerp in de richting van het tuinhuisje gegooid, waarna het ter hoogte van een schutting, tussen de struiken en het tuinhuisje op de grond terecht komt. Verdachte is niet op de camerabeelden herkend. De telefoon van verdachte is onderzocht. Hieruit komt naar voren dat verdachte een half uur voor de brandstichting een pinbetaling ter waarde van € 2,34 heeft gedaan bij een tankstation een paar kilometer van de woning van aangeefster. Voorts bleek uit de locatiegegevens dat de telefoon zich om 23:58 uur bevond op 40 meter afstand van de schutting van de [adres 3] 408 te Apeldoorn. Verdachte heeft ontkend bij de brandstichting betrokken te zijn. Over de betaling bij het tankstation heeft hij verklaard dat hij een flesje AA drank heeft gekocht. Er is geen nader onderzoek gedaan naar de transactie, zoals het opvragen van camerabeelden, waardoor de verklaring van verdachte niet kan worden bevestigd of ontkracht. Dat de telefoon van verdachte zich in de nabijheid van de plek van de poging tot brandstichting bevond ten tijde van de poging tot brandstichting, levert weliswaar een ernstige verdenking op van betrokkenheid van verdachte bij de poging tot brandstichting, doch geen overtuigend bewijs van zijn eventuele rol hierbij. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte betrokken was bij de poging tot brandstichting in vereniging en spreekt verdachte hiervan vrij. Feit 2 Aangeefster [slachtoffer] heeft verklaard dat zij op 8 april 2024 om 22:30 uur in haar woning, [adres 3] te Apeldoorn, was. Zij heeft een enorme klap en glasgerinkel uit haar gang horen komen. [slachtoffer] is naar de gang gelopen en heeft gezien dat de ruit van haar voordeur kapot was. Zij heeft twee bakstenen zien liggen. In de telefoon van verdachte is het volgende chatgesprek van 8 april 2024 om 20:12 uur aangetroffen: “' [medeverdachte 1] ': 'Moedoe zo nie mee dan' [verdachte] : 'Waar heen' ' [medeverdachte 1] ': Raam?? [adres 3] ? Of hebbie geen zin"” ' [medeverdachte 1] ' was in de telefoon van verdachte opgeslagen onder het telefoonnummer dat in het politieonderzoek bekend was als het telefoonnummer van medeverdachte [medeverdachte 1] . Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij deelnemer is geweest in het chatgesprek van 8 april 2024. Hij heeft verdachte eraan herinnerd dat hij de ruit aan de [adres 3] moest ingooien in opdracht van medeverdachte [verdachte] , de moeder van verdachte. Verder heeft hij verklaard dat hij verdachte op 8 april 2024 heeft afgezet in [adres 3] . De rechtbank heeft medeverdachte [medeverdachte 1] bij vonnis van 6 maart 2025 veroordeeld voor medeplegen van dit feit. In het dossier zijn screenshots van beveiligingscamera’s gevoegd waarop ten tijde van de vernieling twee personen zichtbaar zijn voor de voordeur van aangeefster. De rechtbank stelt vast dat op 8 april 2024 een ruit is vernield bij de woning van [slachtoffer] . Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verdachte er kort voor de vernieling via een chatbericht aan herinnerd om naar de woning van [slachtoffer] te gaan om een ruit in te gooien en heeft hem vervolgens vlakbij de woning afgezet. Op camerabeelden is te zien dat twee personen vervolgens de ruit ingooien. Uit deze werkwijze blijkt een nauwe en bewuste samenwerking gericht op de uitvoering van een gezamenlijk plan om de ruit van de woning van [slachtoffer] te vernielen. De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit onder 2. 3De bewezenverklaring: De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Bewezen kan worden dat: 2. hij op of omstreeks 08 april 2024 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een ruit in/van de voordeur van een woning, gelegen op/aan [adres 3] , in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(
  3. n)heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van die onderdelen van de tenlastelegging die niet zijn bewezen. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Feit 2: Medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen. 5De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6De strafbaarheid van verdachte Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is strafbaar. 7De motivering van de straf Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 80 uur waarvan 40 uur voorwaardelijk. De officier van justitie eist daarbij een proeftijd van 2 jaar. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de straf. De beoordeling door de rechtbank Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken: het uittreksel Justitiële Documentatie van 25 februari 2025 (het strafblad), het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 20 maart 2025. In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. De ernst van het feit Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de vernieling van een ruit van de voordeur van aangeefster haar woning. Verdachte deed dit op aanwijzing van zijn moeder en een vriend van zijn moeder. Verdachte is zijn moeder hiermee behulpzaam geweest in het uitoefenen van wraak tegen haar ex-partner. Deze wraak heeft zich gericht op de woning van [slachtoffer] , de nieuwe partner van de ex-partner, die niets met het conflict te maken heeft. Verdachte is niet de initiatiefnemer, maar hij was wel de uitvoerder. Strafblad Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij wel een aantal keer een strafbeschikking heeft gekregen voor Wegenverkeerswet feiten, maar dat hij niet eerder (door een rechter) is veroordeeld voor soortgelijke feiten als waarvoor hij nu veroordeeld wordt. Op te leggen straf Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming komt naar voren dat er geen redenen zijn om jeugdreclassering of een leerstraf op te leggen. Bij een bewezenverklaring is een werkstraf passend. Verdachte heeft een fulltime baan en vrienden met pro sociaal gedrag. Er is sprake van een laag recidiverisico. De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld dat voor een vernieling met geringe schade een werkstraf wordt opgelegd van 20 uren. De rechtbank zal dit aan verdachte opleggen. De rechtbank ziet geen reden daaraan een voorwaardelijk strafdeel te koppelen. De straf is lager dan door de officier van justitie geëist, aangezien de rechtbank verdachte heeft vrijgesproken van het meest ernstige delict dat op de tenlastelegging staat, te weten de poging tot brandstichting. 8De beoordeling van de civiele vordering De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met de poging tot brandstichting en vernieling in vereniging een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en een gebiedsverbod voor het gebied rondom haar woning verzocht. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat de tenlastegelegde feiten onderdeel zijn van een groter feitencomplex, waaraan meerdere personen hebben bijgedragen. De schade is door dit gehele feitencomplex ontstaan. Het is daardoor moeilijk vast te stellen welk deel van de schade voor rekening van verdachte moet komen. De officier van justitie gaat ervan uit dat verdachte in de toekomst weg zal blijven van de woning van de benadeelde partij en hij heeft vrienden in die wijk waar hij nog naartoe moet kunnen. Daarom vindt de officier van justitie een locatieverbod niet nodig. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, gelet op de door hem bepleite vrijspraak. Ook subsidiair heeft hij niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij bepleit, om dezelfde reden als de officier van justitie. Ten aanzien van het locatieverbod heeft de raadsman dezelfde argumenten genoemd als de officier van justitie en daaraan toegevoegd dat er sinds de tenlastegelegde incidenten geen nieuwe incidenten hebben plaatsgevonden. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het locatieverbod moet worden beperkt tot de straat waar de benadeelde partij woont. Beoordeling door de rechtbank Uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat de immateriële schade die de benadeelde partij heeft geleden het gevolg is van een reeks aan strafbare feiten die tegen haar en haar partner waren gericht. Verdachte wordt voor één van die feiten veroordeeld. Verdachte kan daarom niet in redelijkheid voor de volledige schade verantwoordelijk worden gehouden. Wel staat vast dat er schade is die in rechtstreeks verband staat met de bewezenverklaarde vernieling, die een gerichte wraakactie was tegen benadeelde. Benadeelde heeft geestelijk letsel opgelopen in de vorm van een ‘andere gespecificeerde trauma- of stressorgerelateerde stoornis’. Dit is aan verdachte en zijn medeverdachte(
  4. n)toe te rekenen. De rechtbank zal voor het vaststellen van de immateriële schade gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid. Naar maatstaven van billijkheid zal zij de immateriële schadevergoeding op een bedrag van € 250,00 vaststellen. Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom niet in haar vordering worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Verdachte is wettelijke rente verschuldigd vanaf 8 april 2024, omdat de schade op die dag is ontstaan. Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. In verband met de leeftijd van verdachte zal geen gijzeling worden opgelegd. De rechtbank overweegt dat verdachte en de medeverdachte(
  5. n)ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover de medeverdachte(
  6. n)de schade heeft/hebben vergoed. 9De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77gg, 350 van het Wetboek van Strafrecht. 10De beslissing De rechtbank:  spreekt verdachte vrij van het onder 1 tenlastegelegde;  verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;  verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;  verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;  verklaart verdachte hiervoor strafbaar;  veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot: een taakstraf, te weten een werkstraf van 20 (twintig) uren, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 10 (tien) dagen;  veroordeelt verdachte ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 250,- (tweehonderdvijftig euro) aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 april 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;  verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;  veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;  bepaalt dat als de medeverdachte(
  7. n)(een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 250,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 april 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kan 0 (nul) dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt dat als de medeverdachte(
  8. n)(een deel van) het schadebedrag aan de Staat betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;  bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd. Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.L. Tomassen, voorzitter tevens kinderrechter, mr. A.A.M. Bögemann en mr. C.J.M. van Apeldoorn, kinderrechters, en mr. H.J.M. Fransen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 april 2025. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024160173, gesloten op 12 december 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 5. Proces-verbaal van bevindingen, p. 36. Verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 46. Bijlage bij het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 7-11.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.