RECHTBANK GELDERLAND Team Strafrecht Zittingsplaats Zutphen raadkamernummer : 021188-25 datum : 9 december 2025 beslissing van de meervoudige strafkamer op het verzoek op grond van artikel 6:6:26 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , hierna te noemen: verzoeker, geboren op [geboortedatum] 1950 in [geboorteplaats] (Vietnam), wonende aan de [adres] , Raadsvrouw: mr. M.H.A. Dibbits, advocaat in Arnhem. Feiten Bij vonnis van deze rechtbank van 19 augustus 2014 is verzoeker veroordeeld terzake van het in zijn strafzaak bewezenverklaarde, gekwalificeerd als:
- opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
- diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking. Bij vonnis van dezelfde datum is het wederrechtelijk verkregen voordeel in verband met meerdere hennepoogsten berekend op € 107.758,- en is aan veroordeelde de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat opgelegd. Verzoeker heeft op 28 november 2023 een brief van het Openbaar Ministerie ontvangen waarin stond dat de uitspraak van 2014 niet was aangemeld bij het CJIB, dat de betaling daardoor niet in gang was gezet en dat verzoeker hier ook eerder geen bericht over heeft ontvangen. De uitspraak zou alsnog worden aangemeld bij het CJIB, waarna contact met verzoeker zou worden opgenomen over de wijze van terugbetaling. Verzoeker heeft op 25 oktober 2024 een brief van de deurwaarder gekregen, waarna een betalingsregeling van € 50,- per maand is afgesproken. Door de kosten gepaard gaand met de inzet van de deurwaarder bedroeg de vordering op dat moment € 108.083,
- Procedure Het verzoek tot kwijtschelding dan wel vermindering van de ontnemingsvordering is op 28 augustus 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Op 20 november 2025 is van het CJIB een reactie op het ingediende verzoek ontvangen. De rechtbank heeft op 25 november 2025 het verzoek ter terechtzitting behandeld. De rechtbank heeft toen veroordeelde, mr. Dibbits en de officier van justitie gehoord. Verzoek De raadsvrouw heeft primair gesteld dat het recht tot tenuitvoerlegging van de ontnemingsmaatregel op 3 september 2022 is verjaard en dat het gehele ontnemingsbedrag dient te worden kwijtgescholden. De inmiddels betaalde bedragen dienen te worden teruggestort. Subsidiair heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat het gehele ontnemingsbedrag dient te worden kwijtgescholden omdat sprake is van betalingsonmacht. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw om dezelfde reden verzocht het bedrag te verminderen. Standpunt van het Openbaar Ministerie Het CJIB heeft zich op het standpunt gesteld dat de executieverjaringstermijn 16 jaar is en dat deze periode nog niet om is. Volgens het CJIB is sprake van een veroordeling op basis van artikel 3 onder B van de Opiumwet en gaat het om een ‘grote hoeveelheid’ in de zin van artikel 1 lid 2 van het Opiumbesluit. Ten aanzien van het verzoek om het ontnemingsbedrag kwijt te scheldend danwel te matigen wegens betalingsonmacht, heeft het CJIB zich op het standpunt gesteld dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat er nu en in de toekomst een gebrek aan draagkracht is. Verzoeker heeft slechts beperkt inzage in zijn financiële situatie gegeven. Het CJIB adviseert, gelet op het voorgaande, het verzoek af te wijzen. De officier van justitie heeft het standpunt van het CJIB overgenomen. Beoordeling De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de opgelegde ontnemingsmaatregel nog kan worden tenuitvoergelegd. Voldoende aannemelijk is dat de ontnemingsmaatregel is opgelegd vanwege – kort gezegd –hennepteelt. Hennepteelt is verboden bij artikel 3 onder B van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid, van de Opiumwet. Blijkens dat artikel wordt opzettelijke overtreding van artikel 3 onder B van de Opiumwet bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. Gelet op artikel 70, eerste lid, onder 2, Wetboek van Strafrecht vervalt het recht tot strafvordering in zes jaar voor misdrijven waarop gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld. Artikel 6:1:22, eerste lid, Sv bepaalt dat na het verstrijken van de tenuitvoerleggingstermijn de straf of maatregel, in casu de ontnemingsmaatregel, niet ten uitvoer wordt gelegd. Deze tenuitvoerleggingstermijn is op grond van artikel 6:1:22, tweede lid, Sv een derde langer dan de termijn van het recht tot strafvordering. De tenuitvoerlegging van een straf of maatregel die is opgelegd voor overtreding van artikel 3 onder B van de Opiumwet vervalt dan ook in acht jaren. Anders dan de officier van justitie gaat de rechtbank niet uit van een verjaringstermijn van 16 jaar. De rechtbank beschikt niet over het vonnis in de hoofdzaak en de officier van justitie heeft ter terechtzitting gezegd evenmin over dat vonnis te beschikken. De rechtbank kan dan ook niet beoordelen hoe feit 1 is ten laste gelegd en welke bewijsmiddelen hebben geleid tot een bewezenverklaring van dat feit. Uit de kwalificatie van feit 1, zoals opgenomen in het ontnemingsvonnis, kan niet worden afgeleid dat toepassing is gegeven aan het strafverzwarende artikel 11, lid 5, van de Opiumwet, juncto artikel 1, lid 2, van het Opiumbesluit. Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat een strafmaximum gold van een gevangenisstraf van twee jaren (of een geldboete van de vierde categorie), een verval van het recht op strafvordering na zes jaren en dus een verval van het recht tot tenuitvoerlegging van de ontnemingsmaatregel na acht jaren, derhalve op 3 september
- Het recht is voor laatstbedoelde datum niet geldend gemaakt en is derhalve vervallen. De rechtbank zal de nog openstaande ontnemingsvordering kwijtschelden omdat deze niet meer op verzoeker kan worden verhaald. Voor zover de raadsvrouw heeft gesteld dat de betaalde bedragen aan verzoeker moeten worden terugbetaald bepaalt de rechtbank dat het CJIB de na 28 augustus 2025 (de datum waarop het verzoekschrift is ingediend) betaalde bedragen aan verzoeker dient terug te betalen. Nu vanaf 3 september 2022 sprake was van een natuurlijke verbintenis, zijn de tussen die datum en de datum indiening van het verzoekschrift door verzoeker betaalde bedragen niet onverschuldigd betaald en voor dit deel wordt het verzoek de terugbetaling te gelasten afgewezen. Voor wat betreft de betalingen na 28 augustus 2025 geldt dat deze enkel zijn voldaan om beslaglegging te voorkomen, maar dat vanaf die datum duidelijk was dat de veroordeelde de vordering betwistte. Beslissing De rechtbank: wijst het verzoek toe en bepaalt dat het nog openstaande bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel dat verzoeker aan de Staat moest betalen wordt kwijtgescholden; bepaalt dat de bedragen die verzoeker na 28 augustus 2025 ter aflossing van de ontnemingsvordering aan het CJIB heeft betaald aan hem terug worden betaald; wijst af het anders of meer gevorderde. Deze beslissing is gegeven door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin (voorzitter), mr. W.H.S. Duinkerke en mr. C.L.A. van der Veeken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 december
- Mr. Van Breevoort-de Bruin is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.